Jos Dinkelaar had op 8-1-2011 een Rondleiding geboekt in het Tuschinski
Theater in Amsterdam Reguliersbreestraat.
De Rondleiding viel zwaar tegen om dat je van het gebouw niet in de speciale
ruimtes te zien kreeg die normaal verborgen blijven.
Het verhaal was wel aardig maar sumier, beter is de mensen een boekwerkje te
overhandigen met de uitgebreide versie van het
verhaal over Abram Tuschinski en dan ook de documentaire te vertonen over
het Theater.
Zelf kom ik al in het Theater sinds 1954 , ik woonde toen in de Maasstraat
59 beletage te Amsterdam Zuid.
Een kaartje koste 1.10 gulden en ik zat altijd op het tweede balcon Rij 1
Stoel 1, dat waren de goedkoopste plaatsen.
Er was een orkestbak en circus op het toneel en soms speelde het Orgel. je
had vanaf het tweede balcon een heel goed uitzicht
op het toneel.
Het toneel is nu grotendeels verdween , achter het doek is nu de Vip ruimte
en de andere zaal geplaatst.
Als vrijwilliger van de IDFA in Amsterdam had ik altijd toegang tot de
operators ruimte, en het zaaltje waar Abram
vroeger te films kreeg te zien als voorvertoning, en daardoor besliste hij
welke film goed waren..
Vroeger ging je ook via het tapijt naar binnen en na afloop moest je via de
betonnen brandtrappen aan de achterzijde
van de bioscoop weer naar buiten, je kwam dan uit in de Reguliersdwarsstraat.
Abram ging van Polen naar Rotterdam en was kleermaker, in Rotterdam kon je
een kaartje kopen voor de boot
naar Amerika, toen hij per trein aankwam stond iemand hem op te wachten ,
hij had een bordje in zijn hand met de
naam Abram Tuschinki , en gaf hem onderdak in Rotterdam in
afwachting van de boeking met de Holland Amerika lijn,
dar duur soms wel een maand of langer voor je mee kon. In die tijd van
wachten overtuigde te vriend hem dat het beter was te blijven in Rotterdam
en Abram had al spoedig een eigen bedrijf met veel personeel in de
Kleermakerij.
Hij was verknocht aan Rotterdam. Al spoedig ging Abram in andere zaken en
liet ook zijn vrouw en kind overkomen naar Rotterdam.
Daar had hij enkele jaren later 5 bioscopen, die zijn in de tweede
wereldoorlog allemaal gebombardeerd door de Duitsers in 1940.
Gelukkig is het Tuschinski Theater in Amsterdam behouden gebleven.
Tegenwoordig het is 2011 heb ik een Pathe unlimited card en kan ik
doorlopende naar de Film in Pathe voor 18 euro per maand.
Buiten het bestek
Dat neemt niet weg dat de schrijver Van Gelder ook wel nieuwe en
interessante feiten boven water heeft weten te brengen. Zo gaat hij
uitgebreid in op de zoon van Abraham, de vroeg gestorven Will Tuschinski
(1906-1939) die in de jaren dertig in Nederland een paar interessante films
produceerde. Graag had ik nog wat meer vernomen over de problemen die
co-producent Theo Güsten van Will Tuschinksi's ode aan de joden in Amsterdam
(De oude stad, 1935) in de oorlog nog kreeg met de Duitsers vanwege
deze film, maar dat viel kennelijk buiten het bestek van het boek.
Samenvattend: een mooi vormgegeven boek waar de scheiding tussen waarheid en
dichting niet altijd goed te trekken valt en waar het jubilerende
Tuschinski-theater dus wel heel blij mee zal zijn. Van Van Gelder zijn we
beter gewend, deze biografie kan bijvoorbeeld niet tippen aan zijn boek over
Jacques van Tol. Ook naast een monumentaal werk als bijvoorbeeld dat van
Hans Schoots over Joris Ivens steekt het wat mager af.
De Film Ger Poppelaars
Het grootste van het grootste, dat is wat Abraham Tuschinski wilde. Niet
per se voor zichzelf, maar voor zijn publiek. Vanuit Polen, waar hij in 1886
werd geboren, belandde hij in Rotterdam. Hij opende er een bioscoop, de
eerste in de stad met een sjieke uitstraling. Er volgden er meer, gebouwd in
de protserige, eclectische 'Tuschinski-stijl', met Theater Tuschinski in
Amsterdam als parel in de kroon van de filmkoning van Nederland. Regisseur
Ger Poppelaars plaatst het levensverhaal van de perfectionistische showman
Tuschinski in zijn tijd. Hij reconstrueert de succesvolle
totaalvoorstellingen in de bioscoop met acts en orkest, alles tot in de
puntjes verzorgd. Met archiefmateriaal en interviews met betrokkenen schetst
hij ook een beeld van het bewogen persoonlijke leven van Tuschinski, die bij
het bombardement op Rotterdam vier bioscopen verloor en in 1942 in Auschwitz
stierf.
Het is augustus 1904 en het is kermis in de stad. De jongen die aankomt
op het station van Rotterdam is pas achttien. Op 14 mei 1886 werd hij
geboren in het Poolse dorpje Brzezin, onder de rook van Lodz. Hij kent de
taal niet van het land waar hij is aangekomen en het is ook niet
waarschijnlijk dat hij die ooit zal leren spreken. Hij is hier slechts op
doorreis, om de boot te nemen naar Amerika in de hoop daar een beter leven
voor zichzelf en zijn jonge vrouw, die is in Polen wacht op zijn bericht.
De Joodse jongen ziet er bleek uit, maar twee donkere ogen schitteren fel en
lijken alles in zich op te nemen wat er gebeurd. Dan komt er, in de
stationsdrukte een man op hem af, die hem aanspreekt in zijn eigen taal. Is
hij Abram Tuszynski? Ja? Dan heeft hij een aanbod voor hem.
Abraham Içek Tuschinski - zoals hij zich later zal laten inschrijven - is de
zoon van een vestenmaker. In het bedrijf van zijn vader had hij het vak zo
goed geleerd dat hij in zijn wijde omgeving een beroemdheid was. De man die
Abraham aanhoudt op het station had een telegram gekregen van zijn broer die
was achtergebleven in Polen. Daarin werd hij bericht van de komst van de
vermaarde kleermaker. 'Houd dien knaap vast,' telegrafeerde de broer. 'Er
zit goud in dien jongen.'
De Pool neemt Abraham Tuschinski mee, verschaft hem onderdak en bezorgt hem
werk. Later herinnert Tuschinski zich nog de tocht over de kermis, waarbij
hij naar zijn idee van alle kanten werd toegezongen met de schlager die op
dat moment een grote hit was: 'Haben Sie nicht den Kleinen Cohn geseh'n'.
Groeiende zaken en groeiend verdriet
Mariem Tuschinski-Ehrlich, Manja, de vrouw van Abraham, zal behoorlijk
verbaasd zijn als ze in 1905 het bericht krijgt dat ze naar Rotterdam kan
komen, in plaats van naar het land der beloften, Amerika. Maar haar
echtgenoot verwerft naam als kleermaker in Nederland zoals hij dat voor zijn
komst in Polen deed en is een geliefd werknemer. De baas die hem in dienst
heeft kan dubbel verdienen: op de kostuums én op de faam van de persoon die
ze maakt.
Eén jaar na haar aankomst in Rotterdam, schenkt Manja Abraham een zoon:
Wolf, die later Will zal worden genoemd. Twee jaar later, in 1908 komt er
een tweeling bij, de jongetjes Meijer en Nathan.
Abraham werkt voor de firma Kattenburg, en neemt 's avonds op eigen rekening
klusjes aan. Hij heeft zijn draai in Nederland snel gevonden en het gaat het
jonge gezin financieel voor de wind. Maar er gebeurt iets verschrikkelijks:
Meijer Tuschinski haalt zijn eerste verjaardag niet. Hij sterft op 29 april
1909.
Abraham Tuschinski heeft naast zijn kleermakersonderneming inmiddels een
nieuw plan opgevat: hij wil landverhuizers een thuis bieden. Zelf als
emigrant in Rotterdam terecht gekomen, weet hij als geen ander aan welke
eisen zo'n hotel moet voldoen. Het moet een 'thuis' zijn voor Oostenrijkers,
Polen en Hongaren, en het moet vooral níét lijken op de gewone
landverhuizershotels in de stad. In de Nadorststraat sticht Abraham Hotel
Polska.
De zaken gaan goed. Abrahams goede naam snelt hem opnieuw vooruit en al bij
vertrek uit hun vaderland weten de emigranten: 'als je naar Amerika gaat
moet je in Rotterdam bij "Polska" gaan logeeren.' Wat begint als een pension
waar vijftig tot zestig man kan verblijven, groeit uit tot een huizenblok
voor driehonderdvijftig gasten. Abraham kan zijn kleermakerij eraan geven en
runt nu het grootste emigrantenhotel van Rotterdam.
Alsof de familie Tuschinski het geluk niet gegund is, gaat de zakelijke
voorspoed opnieuw gepaard met een onoverkomelijk verlies. 28 maart 1911
sterft Nathan, de overgebleven tweelingbroer.
Zo'n achttien jaar later blijkt hoe groot Abrahams verdriet nog is. in
Theater Tuschinski, tijdens de voorstelling van The Singing Fool lachen
filmrecensenten Piet Bakker en Johan Luger om de scène waarin Al Jolson zijn
stervende zoontje uit bed haalt en hem het liedje Sonny Boy toezingt.
Abraham is woedend: 'Lachen jullie daar niet om,' zegt hij. 'Toen mijn
zoontje stierf, moest ik hem op mijn knie nemen om een Poolsch liedje voor
hem te zingen. Die dingen gebeuren…'
De eerste bioscoop verrijst
De dood van Meijer en Nathan ontneemt Abraham niet zijn ondernemerszin.
Integendeel. Het is tijd voor een nieuw project, vindt hij, want de
emigratie zal niet eeuwig doorgaan.
Abraham Tuschinski heeft een iets nieuws ontdekt: film. Deze nieuwe vinding
wordt een passie voor hem: geen enkel programma slaat hij over. Maar de man
die zo gesteld is op netheid en een prettige omgeving, ergert zich aan de
entourage waarin dit prachtige medium wordt vertoond: de vlooientheaters.
Film is zo'n fantastische manier om de werkelijkheid achter zich te laten en
weg te dromen, dat ook de omgeving zich daarvoor moet lenen, vindt Abraham.
Hij besluit daarom een bioscoop neer te zetten die de film eer aandoet. En
hij is ervan overtuigd dat de juiste omkleding het publiek zal trekken, want
volgens hem kijkt de Hollander 'het eerst naar het comfort en dan pas naar
het toneel'. Abraham ziet voor zichzelf de taak weggelegd als 'den toovenaar,
die den weg naar hun hart en beurs ontsluit'.
De ideale locatie voor zijn nieuwe project vindt Abraham in een oude
zeemanskerk aan het Coolvest, De Hoop. Het onteigende kerkje is klaar voor
de sloop, maar Abraham huurt het In mei 1911 voor de duur van één jaar van
de gemeente. Hij vindt een geldschieter, de heer Schanzer, die het hem
mogelijk maakt zijn droom te verwezenlijken. Hij breekt alles uit en bouwt
het in drie maanden op tot een volwaardige bioscoop die hij Thalia doopt,
naar de muze van de komedie.
Tienduizend gulden besteedt hij aan het interieur: leren stoelen staan in
het gelid in de kleurig beschilderde zaal, achterin zijn zelfs logeplaatsen
aangebracht, bekleed met trijp en een meter hoger geplaatst dan de rest van
de zetels. Gipsen borstbeelden van Koningin Wilhelmina en Prins Hendrik
flankeren het doek.
Mooie meisjes verkopen de kaartjes aan de kassa - een eis van Abraham waar
niet aan te tornen valt: 'nooit is een van mijn loketten ontsierd door een
kaartjesverkoopenden man.' Met goud behangen portiers ontvangen de mensen en
in de hal wordt het publiek getrakteerd op een kopje koffie, glaasje bier of
limonade. Voor chocolade moet vijf cent worden betaald.
De gemeente voorspelde bij de verhuur van het pand dat het publiek nooit
naar deze plek zou komen, omdat het een bruggetje over moest steken. Maar
Abraham deelt met zijn portier kortingsbonnen uit, hangt raambiljetten op en
geeft vrijkaartjes aan mensen van stand. Het lukt hem de eersten over de
brug te krijgen. En de rest volgt vanzelf.
Donderdag 24 augustus 1911 wordt Abraham Tuschinski bioscoopdirecteur. Zijn
wens is vervuld: 'Ik wilde het publiek den bioscoop, die prachtige nieuwe
vinding, waarin zooveel menschen verstrooiing zouden vinden, op een zilveren
blad aanbieden. 't Was moeilijk…. Maar 't is gelukt.'
De man die alles voor elkaar krijgt
Wie een vluchtige blik op Abraham Tuschinski werpt, vraagt zich af hoe hij
het zover weet te schoppen. Hij is geen opvallende verschijning, maar een
korte, gedrongen gestalte. Zijn kleding is, zoals dat een voormalig
kleermaker betaamt, altijd onberispelijk en zit als gegoten maar is nooit
opzichtig. Zijn zwarte haar is met zoete olie naar achter gekamd en zijn
handen zijn bijna vrouwelijk mollig.
Maar wie eenmaal Abrahams ogen heeft gezien, weet wat een kracht er in de
man zit. Iedereen die hem ontmoet, begrijpt dat met deze man niet te spotten
valt. In zijn ogen brandt 'een felle wil, een despotische kracht, een
fascinerende overmacht, een fanatieke onverzettelijkheid […] die niet te
mis-kennen kloek ineengedrongen gestalte, die aan Napoleon doet denken, met
den karakteristieken kop naar 't faux air van…. Mussolini', zoals journalist
Brusse hem later typeert.
Abraham is buitengewoon hoffelijk tegen vrouwen. Een rustig, nuchter en
onverstoorbaar mens, dat soms ook bijna ontroerend naïef kan zijn. Juist die
combinatie, gekruid met zijn onverwoestbare doorzettingsvermogen en een
ijzeren wil zijn dromen te verwezenlijken, maakt dat hij alles voor elkaar
krijgt.
Zo komt hij als beginnend bioscoopdirecteurtje bij de belangrijke
filmexporteur Johan Gildemeijer. Gildemeijer moet niets hebben van
beginnelingen en staat uiterst sceptisch tegenover het voorstel dat Abraham
hem doet. De jonge ondernemer wil namelijk vanaf dat moment álle films met
de Deense filmgodin Asta Nielsen uitkopen, zodat alleen hij die films kan
vertonen.
Dat is ongebruikelijk: het staat iedereen vrij elke film te kopen en te
vertonen. Gildemeijer maakt Abraham dan ook duidelijk dat er geen sprake van
kan zijn. Maar de jongeman is onverzettelijk en weigert met lege handen te
vertrekken. Als Gildemeijer uiteindelijk een belachelijk hoog bedrag noemt
dat dit privilege zou moeten opleveren, gaat hij akkoord. Er wordt geen
contract opgesteld, Abraham handelt op basis van vertrouwen. Dit is het
begin van een bloeiende samenwerking die uitgroeit tot vriendschap.
Een ander staaltje van doorzettingsvermogen vertoont Abraham als de Thalia
Bioscope aan het Coolvest op last van burgemeester Zimmerman moet worden
gesloten om plaats te maken voor het Raadhuispaleis en een postkantoor.
Hij heeft een nieuw pand op het oog: het geliquideerde manufacturenmagazijn
Gebr. A.I. Polak & Zn. in de Hoogstraat, maar het pand dienst maar liefst
dertienduizend gulden huur per jaar op te brengen. Met alles wat hij bij
elkaar weet te schrapen, drieduizend gulden, gaat Abraham naar de
verhuurder, de heer Brandts. Inmiddels heeft zich daar ook een kandidaat
aangediend die vijfentwintigduizend gulden kan overleggen. Toch heeft
Brandts wel oren naar de plannen van Abraham. Samen met zijn raadsman, de
architect Verheul, gaat Brandts naar het oude Thalia theater om met eigen
ogen het succes van de bioscoop te aanschouwen. Ze lijken overstag te zijn,
maar twee dagen later krijgt Abraham slecht nieuws: er zijn inmiddels zes
andere gegadigden voor een bioscoop in de oude kledingwinkel, waaronder het
Amsterdamse Union en het Rotterdamse Tivoli. Abraham is afgewezen.
Op hoge poten gaat Abraham naar de privé woning van Brandts. Hij voert een
drama op dat Brandts niet weet te overtuigen, maar diens vrouw wel. Zíj weet
haar man over te halen op Abrahams voorstel in te gaan als ook Verheul
akkoord gaat. Dus snelt Abraham naar het huis van de architect die net met
zijn vrouw naar de opera wil vertrekken. Abraham wijkt niet en bidt en
smeekt tot Verheul er tranen in zijn ogen van krijgt. Bijgestaan door
(opnieuw) de echtgenote wordt Verheul overtuigd. Het pand aan de Hoogstraat
zal het nieuwe Thalia worden.
Op weg naar Thalia II
Wanneer het eerste Thalia theater gesloten wordt, heeft Abraham zijn
verbouwingskosten er nog niet uit weten te halen. Zijn compagnon, Schanzer,
gelooft niet meer in het project. Hij stapt uit de samenwerking en eist zijn
geld terug. Abraham betaalt hem duizend gulden en geeft hem al het meubilair
uit zijn theater. Alleen gewapend met zijn eerste projector, een Ernemann
apparaat, en de koninklijke borstbeelden die de zaal sierden, stort hij zich
op de organisatie van de nieuwe bioscoop.
Omdat het manufacturenmagazijn ingrijpend verbouwd moet worden voor het aan
Abrahams eisen van een goede bioscoop voldoet, moet er een noodtheater
worden ingericht waar hij zijn publiek in de tussentijd van film kan
voorzien. Hij kan het zich niet veroorloven zijn pas opgebouwde cliëntèle nu
al kwijt te raken.
In de Korte Hoogstraat huurt hij het concertgebouw Pschorr voor de duur van
twee maanden. Hier zit het publiek als in een café aan tafeltjes te drinken
terwijl de film wordt vertoond. Ieder programma wordt door Abraham
persoonlijk ingeleid en niet alleen een pianist begeleidt de film, maar hij
wordt bijgestaan door twee violisten, een bassist, een cellist en een
slagwerker.
Terwijl het publiek nietsvermoedend geniet van de film, wordt even verderop
gebeuld om hen nog meer luxe te kunnen bieden. Aan de architect Verheul
maakt Abraham duidelijk dat hij een balkon wil zonder pilaren en een podium
waarop hij artiesten wil laten optreden. Verheul wordt tot wanhoop gedreven
door de eigenzinnigheid van zijn opdrachtgever. Tegen diens zin in plaatst
hij toch één pilaar, anders weet hij het niet te realiseren. Een andere
doorn in het oog van Abraham is de projectiecabine: die wordt noodgedwongen
op het balkon tussen de stoelen geplaatst.
Voor het interieur worden kosten nog moeiten gespaard. Brandts, de
verhuurder, steekt zelf tonnen in het gebouw waardoor er een volledige Louis
XVI-stijl kan worden gerealiseerd. Wie het gebouw betreedt ziet zichzelf in
de buitenvestibule tientallen malen gereflecteerd in spiegels. De met een
mooi tapijt beklede hal waar talloze kroonluchters hangen leidt naar de met
leer beslagen zaaldeuren die toegang bieden tot een ongekend luxe ruimte. De
muren zijn bespannen met damast en omlijst door een stucrand in de
Lodewijkstijl. De loge- en balkonstoelen zijn gemaakt uit massief mahonie en
bekleed met velours en aan weerszijden van het doek schitteren opnieuw de
borstbeelden uit Abrahams eerste bioscoop.
De opening is een groot succes. Iets te groot, zelfs. De belangstelling is
zo overweldigend dat Abraham gedwongen is een groot aantal mensen onbetaald
de zaal in te laten gaan omdat er ander gewonden zouden vallen. En even
lijkt het er zelfs op dat de openingsfilm: De Doodendans met Asta Nielsen
niet op tijd wordt afgeleverd. Pas tijdens de pauze komt Van Impelen, een
vriend van Abraham, met de film opdagen. Wat bleek? Nadat hij de film bij de
distributeur in Amsterdam had opgehaald, had hij hem voor zichzelf gedraaid.
Wat hij zag beviel hem zo goed dat hij vervolgens met zijn vrouw nóg een
keer keek. Om uiteindelijk, op het nippertje, de Doodendans bij Thalia te
bezorgen.
Gevoel voor pr
Het tweede Thalia werd het eerste theater in Nederland waar film werd
gecombineerd met variété en toneel. Bovendien was het de eerste bioscoop
waar op één avond twéé afgeronde voorstellingen werden gegeven. Dagelijks
was er ook een matinee voor de dames en op zondag draaide Thalia maar liefst
vijf voorstellingen.
Het begrip 'public relations' bestond nog niet ten tijde van Abraham
Tuschinski, maar het lijkt voor de man te zijn uitgevonden. Alles deed hij
eraan om zijn publiek te binden. Zo liet hij in het aangrenzende café
aankondigen wanneer de tweede voorstelling begon, zodat de mensen daar van
tevoren zonder op de tijd te letten konden borrelen.
De broer van Manja, Herman Ehrlich, werd nu door Abraham bij het bedrijf
gehaald om Europa rond te reizen om de beste artiesten voor zijn
voorprogramma te engageren.
Het behoeft nauwelijks gezegd te worden dat Thalia II een groot succes is.
Maar Abraham raakt gealarmeerd als hij te horen krijgt dat Jean Desmet, een
concurrent, op 1 augustus 1913 zijn Cinema Royal zal openen. Direct brengt
hij alles in gereedheid om Thalia grondig te herbouwen: zijn theater moet
immers het mooiste blijven.
Om zijn plannen te kunnen realiseren heeft Abraham een nieuwe geldschieter
nodig. Dat wordt een vrouw die - om haar zoon een positie te verschaffen -
tienduizend gulden in de verbouwing steekt. Maar deze nieuwe partner drijft
Abraham tot wanhoop: waar hij zijn publiek het allermooiste wil bieden, is
de vrouw alleen maar uit op koopjes.
Hoewel de dame het werk met haar inmenging alleen maar ophoudt, weet Abraham
de verbouwing op tijd klaar te krijgen om tegelijkertijd met Cinema Royal de
deuren te openen. Hij heeft nu een balkon zónder pilaren, waarop honderd
plaatsen zijn. Honderd stoelen staan er ook in de loges. Er zijn in het
theater nieuwe schilderingen en lampen aangebracht. Het orkest is uitgebreid
en buiten is een noviteit op het gebied van straatreclame te bewonderen. In
de stenen vloer van de buitenvestibule is een matglazen plaat aangebracht
die van onderen wordt verlicht: daarop zijn de muze Thalia en de woorden
Thalia-Bioscope geschilderd.
Aan het eind van de openingsavond zijn de critici het eens: Thalia heeft
Royal overtroffen. Opnieuw wint Abraham Tuschinski.
Familiebedrijf
De dag na de opening van het vernieuwde Thalia is het duidelijk voor Abraham
dat het samenwerken met zijn vrouwelijke compagnon niet gaat. Met haar bitse
praatjes schrikt zij het publiek eerder af dan dat zij de zich op hun gemak
laat voelen. Daarom stelt Abraham op 2 augustus 1913 zijn andere zwager, de
man van de zus van Manja, Herman Gerschtanowitz aan om de mensen te woord te
staan als hijzelf met Ehrlich op reis gaat om artiesten te zoeken.
De samenwerking tussen de drie zwagers verloopt van het begin af aan
uitstekend. Als het nieuwe Thalia een poosje draait en de conflicten met de
vrouwelijke compagnon een nieuw hoogtepunt bereiken, laat Abraham twintig
beveiligingsbeambten aanrukken om ervoor te zorgen dat de vrouw noch haar
zoon het theater meer inkomen. Hij betaalt de vrouw haar volledige inlegsom
en haar winstdeel van de afgelopen maanden uit en zet hiermee een streep
onder het partnerschap met vreemden. Vanaf dat moment is het familiebedrijf
een feit.
Ehrlich is verantwoordelijk voor de programmatie van de artiesten en Abraham
zelf reist rond om de internationale filmwereld te verkennen. Gerschtanowitz
wordt de chef van Thalia en Manja Tuschinski zit af en toe in de kassa en
praat met de bezoekers in de hal om deze op hun gemak te stellen.
Het publiek maakt niet alleen met hun blije gezichten en woorden van dank
duidelijk hoeveel ze van het theater en het gebodene genieten. Regelmatig
krijgen Abraham en consorten giften van tevreden bezoekers: taart van een
bakker, een fruitmand van een groentenwinkel en verse zalm van
vissersvrouwen.
Cinema Royal
Nog geen jaar na de opening van zijn Cinema Royal merkt Jean Desmet dat zijn
zaken niet goed lopen. Het publiek vindt de bioscoop te ongezellig en te
duur en bezoekt liever Thalia.
Abraham haalt direct zijn voordeel uit de malaise van zijn concurrent. Hij
neemt Desmet de slechtlopende cinema uit handen door deze te huren voor vijf
jaar met het recht op koop. De koopsom wordt gesteld op f 325.000,-.
De handen zijn nauwelijks geschud of Abraham laat Cinema Royal vertimmeren
en opnieuw beschilderen zodat het een echte Tuschinski-bioscoop wordt: fris
en vrolijk.
Tot zijn grote genoegen merkt Abraham dat hij zijn andere theater niet
beconcurreerd, maar dat Cinema Royal een nieuw, meer elitair, publiek trekt.
Zelfs tijdens de mobilisatie vanaf 31 juli 1907 - na de eerste dagen van
schrik - lopen de theaters uitstekend. Veel mensen kopen zelfs
bioscoopkaartjes om hun papiergeld voor zilvergeld in te ruilen.
De oorlogssituatie brengt nieuwe klanten: Belgen die uit hun land zijn
gevlucht en ingekwartierde soldaten. Vooral de laatste groep let niet op de
centen: zij kopen de duurste plaatsen en de verkoop van drank en chocolade
stijgt enorm.
Abraham Tuschinski neemt tijdens deze periode zelf één keer een wapen ter
hand. Voor zijn theater had hij de film De laatste dagen van Pompei besteld.
Zijn vriend Gildemeyer had hetzelfde gedaan voor zijn Uniontheater in
Amsterdam. Maar op de dag dat de film in première moet gaan is er nog maar
één kopie van de film in Amsterdam aangekomen.
Als Gildemeyer weigert deze kopie aan Abraham te geven, koopt deze een
enorme revolver en gaat daarmee naar Union. Gildemeyer zelf gaat er als een
haas vandoor en de directeur van Union geeft onder bedreiging van Abraham
hun kopie van de film mee naar Rotterdam. De film is een enorm succes.
Scala
De Hoogstraat, waar Thalia triomfeert, is inmiddels uitgegroeid tot een
echte bioscoopstraat. Imperial, American, Kosmorama en Scala hebben zich
daar gevestigd. Scala is een klein verwaarloosd pand dat wonderbaarlijk druk
bezocht wordt door zeelui en werklieden die met hun vriendinnen naar zwaar
romantische films gaan. In de volksmond wordt Scala ook wel de 'pikante
bioscoop' genoemd.
De explicateur - de verteller bij de zwijgende film - heeft een belangrijke
rol in het scheppen van de juiste sfeer in het theater. Thalia heeft
bijvoorbeeld een man die een Franse opvoeding heeft genoten en zijn teksten
doorspekt met Franse uitdrukkingen. Al begrijpt het merendeel van het
publiek geen woord van wat hij zegt: ze vinden het chique en genieten ervan.
De explicateur van Scala weet precies de juiste toon te treffen voor dit
volkstheater en maakt van iedere film iets gezelligs. Dat waardeert Abraham
bijzonder. Daarbij valt het hem op dat Scala juist tussen drie uur 's
middags en zeven uur 's avonds volle zalen trekt: een moment dat net tussen
zijn eigen matineevoorstelling en avondvoorstellingen invalt.
De directeur van Scala, Foppe, verhuurt zijn theater voor tien jaar aan
Abraham. De huurprijs bedraagt f 150,- per week en daarbij wordt verwacht
dat na tien jaar de piano, de projectiemachine en de motor in goede staat
worden teruggegeven.
De Gebroeders Klaphaak, architecten, maken van Scala een kleine
Thalia-bioscoop: zonder podium, want dat is in dit familietheater niet nodig
volgens Abraham. In drie maanden is de derde Tuschinski cinema gereed en
wordt deze met groot succes ingewijd met de Amerikaanse film De sleutel van
het geluk. Vier weken achtereen weet deze film waarin Ella Hall schittert
Scala vol te krijgen.
Olympia
Een nieuwe trend doet zijn intrede in Nederland: de Wild West film wordt
razend populair. Abraham Tuschinski wil natuurlijk niet achterblijven en
inspelen op deze rage, maar hij zit met een dilemma. Deze films voor stoere
mannen, vindt hij niet geschikt voor Thalia en Cinema Royal, waar hij de
internationale successen voor het grote publiek vertoont. Scala zou op zich
een goed theater zijn, maar de Wild West films zijn tamelijk duur: te
prijzig voor zo'n klein bioscoopje. Een nieuw theater lijkt de enige
oplossing.
Aan de Oude Binnenweg in Rotterdam houdt een amateur-sterrenkundige er een
oud vervallen bioscoopje op na. Voor de prijs van de inrichting van een
nieuw planetarium: f 7000,- neemt Abraham dit theater over en hij spreekt
met de grondbezitter af dat hij een goede huur zal betalen als deze hem de
ruwbouw van een nieuwe bioscoop schenkt. Voorwaarden: er moeten zeker
zevenhonderd man in kunnen én er moet plaats zijn voor een ruim toneel. De
grondeigenaar George van Biene heeft wel oren naar de plannen van de
succesvolle bioscoopexploitant en laat direct het oude theatertje afbreken.
Midden in de malaise van de Eerste Wereldoorlog wordt Tuschinski's vierde
theater opgetrokken. De architect, Aalberse, laat zich nergens door in de
weg staan. Komen er niet genoeg heipalen uit Duitsland? Dan haalt hij ze
toch gewoon in Drente! En zijn er geen bouwstenen te krijgen? De stenen van
een oud hotel voldoen uitstekend, als ze maar eerst worden schoongebikt.
Op 21 oktober 1916 is Olympia een feit. De bioscoop waar Tom Mix, de cowboy
in het wit, wordt aanbeden, wordt al snel door iedereen De Plump genoemd.
Terwijl de Wild West cinema in vol bedrijf is verbouwen Abraham en architect
Klaphaak de aangrenzende dameshoedenwinkel tot een mooie hal met een
prachtige gevel om Olympia het aanzien van een volwaardige bioscoop te
geven. Een zwaar gesmeed ijzeren hek, waarop in koperen letters de naam
Olympia Theater staat geschreven, geeft het gebouw een extra cachet.
Vier bioscopen in Rotterdam heeft Abraham nu: Thalia, Cinema Royal, Scala en
Olympia. Dertien jaar is hij in Nederland, en in die periode is hij van
Poolse vestenmaker opgeklommen tot Rotterdamse bioscoopkoning. Maar hij
heeft nog één grote wens: een theater in de hoofdstad van het land dat hij
zo is gaan liefhebben. Abraham Içek Tuschinski heeft zijn zinnen gezet op
een filmpaleis in Amsterdam.
Iedere vrijdagmiddag is voor Abraham Tuschinski een kwelling. Dan vindt
de matineevoorstelling plaats waarbij de journalisten in loge 14 kijken naar
de premières.
Bij de uitgang van de journalistenloge staat Abraham, kijkend en luisterend
hoe de film ontvangen wordt. Na de voorstelling nodigt hij het liefst de
recensenten uit om in La Gaîté iets te komen drinken, op dat moment probeert
hij uit ze te trekken wat ze van de films vinden.
De journalisten die hem allemaal, bijna liefkozend, 'Bram' noemen - al
blijft hij op zijn beurt tegen hen allen beleefd 'meneer' zeggen - weten hoe
ze Abraham op de kast moeten jagen. Het ergst vindt hij het als een film
'goedkoop' wordt gevonden.
'Goedkoop….? Goedkoop….?! Weet u wat ik voor die film betaald heb….? Noem
het een stinkfilm, maar zeg niet, dat ie goedkoop is!'
Kadootjes
Abraham Tuschinski is altijd een heer. Wie er ook te gast is, hij wordt met
de grootste égards behandeld. Zo ook de pers. Het liefst legt Tuschinski
alle journalisten in de watten, maar zijn hoofse en galante gebaren worden
niet altijd even goed begrepen. Sommige journalisten denken dat Abraham hen
om probeert te kopen.
Zo heeft Piet Bakker Abraham ooit verdriet gedaan. Op een oudejaarsmiddag
staat er in Bakkers werkkamer een grote fruitmand met kaviaar, Hennesy, veel
fruit en een kaartje aan het hengsel: 'Gelukkig Nieuwjaar. A. Tuschinski.'
Bakker stuurt de mand terug met het bericht dat hij als journalist zo'n
geschenk niet aan kan nemen.
Een week later ontmoet hij Abraham die met tranen in zijn ogen zegt: 'Je
hebt me m'n Nieuwjaarsdag bedorven. Waarom deed je me dat aan? Dacht je
heusch, dat ik je wilde omkoopen….? En ineens barst hij fel uit: 'Maar man,
als ik jou wou omkoopen, dacht je, dat ik dan met zoo'n rottige mand
aankwam? Dan zou ik je een heele comestibleszaak cadeau doen! Toen ik je
briefje kreeg heb ik gehuild. Het was gemeen van je. Gemeen!'
De angst voor slechte kritieken geeft de journalisten veel macht over
Abraham. Dat wordt eens te meer duidelijk als op een middag de operateur het
beeld en geluid van een film niet gelijk laat lopen. Abraham is zo
verschrikkelijk woest dat hij naar boven wil vliegen om de man te ontslaan.
Maar Piet Bakker dreigt de film te zullen afkraken als Abraham de daad bij
het woord voegt - ook al vindt hij het een schitterende film.
Bij het vertrekken van de journalisten snauwt Abraham Bakker toe: 'Hai
blaift'. Beter een operateur die fouten maakt dan een slechte recensie in de
krant..
Overdrijving
Abraham Tuschinski blijft altijd hoffelijk tegen de journalisten. Als er om
een gesprek wordt gevraagd, ontvangt hij de interviewer in de Moorse Kamer
om daar omringd door comfort zijn verhaal te doen. Dat maakt indruk. Menig
journalist begint zijn verhaal met de beschrijving van de gerieflijke
ontvangstruimte, een 'boudoir, waar alles mollig, zacht getint, exotisch,…
grappig is.'
Als hij het woord voert probeert hij keer op keer duidelijk te maken dat wat
zijn theaters brengen het allerbeste is. Daarbij is enige borstklopperij hem
niet vreemd: 'wij trachten immers altijd 't beste van 't beste te kiezen […]
Daarom verwijt de hele bioscopie hier en in 't buitenland mij immers, dat ik
het publiek bedorven heb met mijn bioscooppaleizen, met luxe en comfort, -
met mijn programma's waarvan de kostprijs immers altijd bijzaak is.'
Dat in Tuschinski altijd alles het beste van het beste is werkt bij de
journalisten op de lachspieren. Zij steken de draak met de superlatieven
waarmee de films in Tuschinski worden aangekondigd. Zo gebruikt Alex de Haas
bij de beschrijving van een nieuwe film iets te vaak het woord
'buitengewoon' en zeggen de journalisten in de Vrijdagmiddagloge tegen
Abraham: 'Bram, is het weer buitengewoon wat we krijgen?'
Dat laat Abraham zich niet zeggen, hij stormt Alex de Haas en scheldt hem de
huid vol: 'Ie maakt main kapot bij de zjoernalisten! Ie moet niet altijd
schpreken van "buitengewoun"! Ie moet gewóun zeggen: deze film is het
groutschte van het groutschte!!!'
Toorn
Wanneer hem in zijn ogen onrecht wordt aangedaan kan Abraham zich woedend
maken. Hij voelt zich altijd persoonlijk geraakt als iets over zijn theaters
of filmkeuze wordt gezegd.
In 1924 woedt er een grote strijd tussen de voorstanders van de Duitse films
en die van de opkomende Amerikaanse films. Tuschinski had juist een
meerjarig contract afgesloten met Paramount, maar dichter/troubadour
Speenhoff - die regelmatig in Tuschinski theaters optreedt - heeft daar geen
idee van.
Uit de kritieken maakt Speenhoff op dat de Duitse films 'beter' zijn dan de
Amerikaanse en gaat er dan ook zonder aarzeling van uit dat Tuschinski die
kant van de strijd ingenomen heeft. In het Amsterdamse spotblad Uiltjes
eigen weekblad kraakt Speenhoff de Paramount films dan ook tot op de bodem
af: 'afgezaagde, dorre futloze films', noemt hij ze.
Niet veel later komt hij nietsvermoedend Tuschinski binnen om daar op te
treden als Abraham razend op hem afstormt: 'Ie bent een sjlècht mens! Ie eet
maain broud en ie maakt maain films kapot. Als ie niet zo'n grout artiesjt
was sjmeet ik ie zélf die straat op!'
Pas op dat moment beseft Speenhoff dat hij een foute conclusie heeft
getrokken: hij haast zich te verontschuldigen en legt Abraham uit dat hij
dacht hem juist een plezier te doen.
Twee weken later verschijnt in Uiltjes eigen weekblad een stuk van Speenhoff
in waarbij - zonder enige scrupules - de Duitse film wordt afgemaakt en de
Amerikaanse film de hemel in geprezen wordt.
Aartsvijand nummer 1
Wie succes kent zal altijd meemaken dat anderen hem dat misgunnen. Abraham
Tuschinski krijgt als persoonlijke tegenstander Menno ter Braak tegenover
zich.
Om ogenschijnlijk onbegrijpelijke redenen heeft de vierentwintigjarige
student Ter Braak Abraham uitgeroepen tot zijn persoonlijke vijand. Liever
gezegd, hij koestert een diepe wrok tegen de man die 'in zijn theater
Tuschinsky [is] geïncarneerd'. Pesterig blijft hij Tuschinski met een y
schrijven, ook na de officiële verandering in 'i' om zijn minachting te
benadrukken.
Iedereen die zich in de omgeving van Tuschinski ophoudt krijgt ervan langs.
De succesvolle artistiek leider van het cabaret La Gaîtë wordt om schreven
als 'een conférencier, die slechts eenmaal per jaar geestig is'. De geliefde
cabaretier Alex de Haas is 'de leukerd-van-meneer-Tuschinsky, die zijn talen
zo goed spreekt en zo erg zijn best doet en zo erg voor meneer Tuschinsky
altijd opkomt.'
Dat het moeilijk is te schelden op een man als Abraham - omdat hij in wezen
toch niets misdoet - wordt wel duidelijk als Menno Ter Braak tekeer gaat bij
het vijfjarig jubileum van Theater Tuschinski. 'Ondergetekende,' schrijft
hij in Propria Cures, 'heeft hem vaak uitgescholden in deze kolommen, maar
hij wou, dat hij meneer Tuschinsky's honorarium opstreek. En dat dan het
hele theater Tuschinsky (behalve 'Gaîté') tot de grond afbrandde. En dat
meneer Tuschinsky een zaakje in tweedehands meubelen ging opzetten. Want nog
nooit heeft iemand zo weinig benul gehad van een film als deze meneer
Tuschinsky. Er is niets goed aan hem, behalve zijn waarschijnlijk goede
hart, zijn gemakkelijke stoeltjes…. Plus de omstandigheid dat zelfs deze
goochemste handelaar in films zich eens door een toeval liet beetnemen door
Raskolnikov!'
Hoewel het bijna lachwekkend is op welke manier Menno ter Braak zijn vijand
aan het kruis probeert te nagelen, zijn de aantijgingen die Ter Braak in
bovenstaand artikel doet, Abraham Tuschinski teveel. Hij neemt een advocaat
in de hand om Ter Braak het stuk te laten herroepen. Enerzijds omdat in het
stuk de persoon Tuschinski 'in ernstige mate gegriefd en beledigd' is ,
anderzijds omdat het 'zeer schadelijk voor de zaken van de heer Tuschinski'
is.
Ter Braak reageert in eerste instantie niet persoonlijk op deze brief, maar
laat de redactie uit zijn naam verklaren dat het niet de bedoeling is
Abraham te kwetsen. Maar daarna bedenkt hij zich. In de volgende Propria
Cures trekt hij opnieuw fel van leer:
'Ik denk er niet aan één syllabe van mijn artikel te zijnen pleiziere terug
te nemen; integendeel, als ik tijd van leven heb en de heer Tuschinski
'meneer Tuschinski' blijft, zal ik niet nalaten elders voort te gaan de
richting van zijn filmbranche aan de scherpste kritieken te onderwerpen.'
Ter Braak is het dan ook absoluut niet eens met de aantijgingen van de
advocaat. Hij heeft de persoon Tuschinski nooit beledigd - die kent hij niet
eens, zo redeneert hij - maar het 'reclamesymbool "meneer Tuschinski"
geridiculiseerd'. Met recht, zegt hij. En wat het schaden van Abrahams zaken
betreft: Ter Braak denkt niet dat er ook maar één student minder naar het
Tuschinski Theater gaat wegens zijn artikelen. 'En al zijn zaken zaken en
relaties relaties, ik zal niet ophouden te zeggen, dat dit grootste,
duurste, protsigste theater van Amsterdam zich voor de filmkunst niet
verdienstelijker heeft gemaakt dan het eerste het beste volksbioscoopje op
de Nieuwedijk!….' Voor Ter Braak vertegenwoordigt Theater Tuschinski 'op
zijn best de gulden middenmaat, op zijn slechtst de amerikaanse
schoensmeermoraal in filmland.'
Filmliga
In mei 1927 richt Menno ter Braak met mede-student Henrik Scholte de
Filmliga op. De liga wil films vertonen die niet door de censuur van de
commerciële bioscopen komen. Daarbij krijgen de jongeren steun van van onder
anderen Joris Ivens en oude rot in het vak Leo Jordaan. Als de realisatie
van de Nederlandsche Filmliga in september van dat jaar is gelukt, geeft de
organisatie een eigen filmblad uit.
Ook in dit 'Orgaan der Nederlandsche Filmliga' blijft Ter Braak zijn giftige
pen hanteren om Tuschinski te portretteren als de belichaming van alles wat
in de ogen van de Filmliga verwerpelijk is. Zo prijkt op de voorpagina van
het vierde nummer een artikel met de kop: 'Goliath en David. De heer
Tuschinsky en wij'.
Alsof de Bijbelse toespeling verkeerd uitgelegd kan worden, verklaart Ter
Braak zich nader: 'Moge de heer Tuschinsky een Goliath zijn - wij voelen ons
een David en de steen, dien wij slingeren, is de onvernietigbare kracht van
onze beweging!'
Deze keer heeft Abraham de toorn van de leden der Liga over zich afgeroepen
doordat hij de Berlin - film van Walter Ruttmann niet wil afstaan om die
door de Filmliga 'hetzij geheel of gedeeltelijk, hetzij een of meermalen te
vertonen.'
Ter Braak gaat geheel voorbij aan het feit dat Abraham Berlin heeft
aangekocht voor zijn theaters in Amsterdam en Rotterdam en dat hij nog niet
in roulatie is genomen. Het uit handen geven van de film zou het uit handen
geven van de première van een meesterwerk betekenen, waarvan veel verwacht
wordt. Zowiezo doet Menno ter Braak óf zijn huiswerk niet goed óf het gaat
hem werkelijk alleen om het schoppen tegen de gevestigde bioscoopmagnaat.
Een feit is namelijk dat de films die de Filmliga draait als 'reprises van
oude, goede, maar helaas te spoedig vergeten films' op enkele uitzonderingen
na in Tuschinski hebben gedraaid: de Asta Nielsen en Charlie Chaplin films,
Nosferatu van Murnau en Wienes Raskolnikov sierden allen Tuschinski's
filmdoek - op de laatste film na zelfs met groot succes. Daarentegen zijn de
vertoningen in kleine kring die de Liga zelf organiseert een flop.
Wat de gewilde Ruttmann-film betreft: uiteindelijk vertoont Abraham dit
juweeltje in een speciale filmcyclus. Iedere zondagochtend draait hij in
Theater Tuschinski films die buiten het gebruikelijke commerciële aanbod
vallen. Als blijkt dat daar voldoende aandacht voor is, gaat hij hele
programma's samenstellen rond films die niet aansluiten bij de gebruikelijke
programmatie. De meesterwerken van Josef von Sternberg, Sergei Eisenstein en
Joris Ivens komen op deze manier in Theater Tuschinski terecht, maar dat
vermurwt de Liga niet.
Ook bij de première van de talkie Broadway Melody gaat de liga, inde
gedaante van L.J. Jordaan in De Groene Amsterdammer flink tekeer. Goed, hij
is het ermee eens dat de sprekende film 'een verbluffend volmaakte
technische vorm' heeft: 'de klankfilm heeft zich vloeiend en zonder haperen
kunnen uiten'. Maar hij meent ook dat daarmee de filmkunst in een klap tien
jaar strijd teniet heeft gedaan.
De ware filmliefhebber is weer terug bij af. De artistieke verworvenheden in
de film zijn in een klap vernietigd: de 'eindeloos genuanceerde
beeldcombinaties' hebben nu plaatsgemaakt voor een 'vastgeroeste camera' die
ouderwetse toneelgebaren en decors registreert. 'In plaats van de levende,
rythmische stuwing van het filmproza - lange vervelende dialogen in
kauwgummi-Amerikaansch … in plaats van de "musique des images", de muziek
(god helpe ons!) van Broadway- en andere "melodys".'
Voor de Filmliga is de klankfilm niet meer dan '"La Gaîté" en "Folies-Bergère"
in blik - een conservenmaal van revue- en café-chantantgenietingen.' En al
maakt de film waar wat hij belooft en geeft hij de werkelijkheid weer zoals
nooit te voren een film heeft gedaan, dan blijft de vraag waarom. 'Waarom,
als wij nu toch jazz-songs moeten slikken, niet de levende menschen genomen?
Waarom, als men ons met alle geweld wil tracteeren op revuegrappen en
cabaret-dialogen, niet de werkelijkheid gegeven'. Kortom, de geluidsfilm is
niet meer dan een 'zin-loos pratend en zingend panopticum'.
Handreiking
De niet aflatende kritiek van de Filmliga blijft Abraham Tuschinski
verbazen. Hij neemt uiteindelijk het initiatief en gaat in 1930 het gesprek
aan met de voorzitter van de filmliga van Rotterdam.
Het is bijna aandoenlijk om te zien dat Abraham werkelijk niet begrijpt wat
nu het probleem is, waarom hij door de liga zo hard wordt veroordeeld.
'Waarom willen de heren ook nooit met me eten?' vraagt hij wanhopig, doelend
op de copieuze maaltijden die hij bij feestelijke gelegenheden aan de
journalisten aanbiedt. Dat de critici bang zijn dat ze omgekocht werden is
iets dat - ondanks misverstanden als met Piet Bakker - niet in zijn hoofd
opkomt. Pas als de critici dat misverstand doorkrijgen en mee-eten zonder
gedwongen te worden goede recensies te schrijven, verbetert de onderlinge
stemming zienderogen.
Tijdens de besprekingen met de voorzitter vertelt Abraham dat hij van plan
is om Rotterdam een avant-gardetheater te schenken: het Rotterdamse Gaîté
loopt niet en hij wil het verbouwen tot aparte bioscoop. Niet iedereen is
even gelukkig met dit aanbod: De Amsterdamse Filmliga is woedend - waarom
krijgt Rotterdam wel een eigen theater en Amsterdam niet? De Amsterdammers
kunnen zich pas met het aanbod verzoenen als ze begrijpen dat dit nieuwe
theater niet exclusief met de Rotterdamse liga verbonden zal zijn, maar dat
de Nederlandsche Filmliga in deze bioscoop van Abraham Tuschinski het recht
van voorvertoningen krijgt.
Toch kan Menno ter Braak zijn haat jegens Abraham niet van zich afzetten.
Bij het tienjarig jubileum van Theater Tuschinski doopt hij opnieuw zijn pen
in het gal: 'Stoutmoedig plaatst de heer Tuschinski zijn theater in het
middelpunt van het heelal; in concentrische cirkels bewegen zich daaromheen
Amsterdam, Nederland, de wereld. Alweer een trek van genialiteit: terwijl
ieder weet, dat geen enkele Amsterdammer geroerd is geweest, omdat het
Theater Tuschinski tien jaar bestond, organiseert de grote zakenman door
zijn jubileum-nummer de illusie, dat Amsterdam hysterisch juichte, dat er in
Amsterdam een gezinsleven met warme, vertrouwelijke blikken bloeit op het
handgeknoopte Deventer tapijt van de beroemde voorhall! De heer Tuschinski
laat de zon om de aarde draaien, en het gaat hem goed af.' Hetzelfde geldt
volgens Ter Braak voor Max Tak: 'de hofmaarschalk'. Maar zo besluit hij 'Van
de heren Tuschinski en Tak kan men geen indringende psychologie (als
litteraire zelfbeschrijving) eisen.'
Op 21 oktober (opnieuw deze datum) 1932 opent Studio '32. In de filmzaal
draait René Clair À nous la liberté. De hal van het avant-gardetheater is in
gebruik genomen als expositieruimte voor jonge kunstenaars. Herman Ehrlich
(zelf een fervent kunstverzamelaar) werft hiervoor de werken aan. Bij de
opening zijn schilderingen van Pieter den Besten te bezichtigen, later zal
ook Hendrik Chabot daar debuteren.
Het lijkt alsof de Filmliga heeft gewonnen, maar niets is minder waar. De
conflicten over welke films nu wel of niet voldoen aan de artistieke
kwaliteit die de liga eist, trekken een zware wissel op de bestuursleden. In
de zomer van 1933 heft de organisatie zichzelf op.
De stem van Ter Braak tegen Abraham Tuschinski verstilt.
Het laatste woord is aan Abraham zelf: 'Goed, laten we nou 'es aannemen,
dat hooge kunst gezond voor 'n mensch is. Maar dan hoef je bezoekers toch
niet in een vervelende zaal te laten zitten. Waarom geen stuk muziek
tusschen de bedrijven door en waarom geen mooie uniformen voor het
personeel! En dan de programma-meisjes...! Het maakt toch een reusachtig
verschil, of een aardig, vriendelijk kind je naar je plaats brengt of een
vent met een groote hangsnor.
De menschen willen "uit" zijn, in een prettige omgeving zitten en lachen of
huilen, in ieder geval iets ondergaan, dat anders is dan thuis. De mannen
willen graag een mooie vrouw en de vrouwen een prettigen man op het tooneel
zien. Daar moet je eerst voor zorgen en dan komt de kunst vanzelf wel.
En dan: je kàn het publiek niet te erg verwennen. Ik ben de slaaf van m'n
bezoekers, ik laat me voor ze hangen! Want het publiek regeert meneer! Of we
nou hoog springen of laag springen: wie geen centen in z'n laadje krijgt kan
de tent wel sluiten.'
Omdat decoratieve luxe de atechnische Abram Tuschinski meer
aansprak dan zuiver bouwkundige beslommeringen, kon het gebeuren dat
hij bij de architectonische 'invulling' van het pand de in een
cinema niet onbelangrijke filmcabine over het hoofd zag. Vandaar dat
pas een paar dagen voor de opening twee Duitse Ernemann-projectoren
werden opgesteld, achter het projectiedoek, in een schakelkamer vol
zekeringen, generatoren en volt- en ampèremeters.
Tuschinski begon dus noodgedwongen met het in die jaren al als
gemankeerd ervaren achterprojectiesysteem: de openingsfilm Over the
Hill met Mary Carr moest met vooraf 'omgeplakte' tussentitels
'spiegelbeeldig' in de toestellen worden gezet om, bekeken vanuit de
zaal en vanaf de twee balkons, een normaal beeld te tonen.
Vervolgens ontdekte men dat de bezoekers op het eerste balkon
verblind werden doordat ze op die manier recht in de objectieven van
de projectoren tuurden.
De sproeiers die tijdens deze achterprojectie-improvisatie boven het
doek waren aangebracht om het scherm tijdens de voorstelling nat en
dus transparant te kunnen houden, zitten er volgens de huidige chef
Technische Dienst van Pathé, Ronald Rosbeek, nog steeds. Aan de
achterprojectie zelf kwam echter snel een einde: in januari 1922
werd de timmerwerkplaats op de bovenste verdieping, die aan de
achterzijde van de zaal boven het tweede balkon lag, ingericht als
filmcabine. Een nooit herstelde noodoplossing, zodat in Tuschinski
ook nu nog vanaf extreme hoogte wordt geprojecteerd op een manier
die tegen alle opticawetten indruist. Bovendien is het (vervormde)
beeld in verhouding tot de imposante toeschouwersruimte veel te
klein. Toegegeven, in de afgelopen drie-kwart eeuw heeft niemand er
z'n beklag over gedaan.
AMSTERDAMSE bioscoopgangers vonden het paleis dat tussen 1918 en
1921 voor ruim drie miljoen aan de Reguliersbreestraat was verrezen,
wel mooi, maar massaal naar het theater gaan was er door de slechte
economische en sociale omstandigheden niet bij. De goedkopere
Tip-Topbioscoop in de Jodenbreestraat, Parisien in de bocht van de
Nieuwendijk, De Munt (Cinema de la Monnaie) in de Kalverstraat en
niet te vergeten 'de' Royal aan de Nieuwendijk (geopend op 8
februari 1922) vielen eerder binnen de mogelijkheden.
De elite, die zich een bezoek aan 'Tussinskie' wel kon permitteren,
moest sowieso niets hebben van het theater; intellectuelen noemden
de bioscoop 'een bonbonnière' waar louter vluchtig Hollywoodvertier
werd gedraaid. Polemist en criticus Menno ter Braak (1902-1940)
constateerde naar aanleiding van het tienjarig bestaan van
Tuschinski in november 1931 in het blad Filmliga dat het jubileum,
anders dan Abram Tuschinski en Max Tak wilden doen geloven, het
grote publiek koud liet: 'De grote zakenman suggereerde in zijn
jubileumnummer dat Amsterdam hysterisch juichte, dat er een
gezinsleven bloeit op het handgeknoopte Deventer tapijt van de
beroemde voorhal. (...) Mocht men hem geloven dan zou de heer
Tuschinski niet anders gedaan hebben dan zich permanent opofferen
voor de mensheid, die naar goede films snakte. Nacht aan nacht
doorwaakte hij, het kaf van koren scheidend, in één rusteloze
angstpsychose om de schade die aan de ziel van het publiek zou
kunnen worden toegebracht.'
VIJFTIEN JAAR na de opening van zijn theater verkeerde Abram
Tuschinski in grote financiële problemen; aan het eind van de jaren
dertig werd Theater Tuschinski het eigendom van dr. J. P. van
Tienhoven van de Hollandsche Buitenlandbank (HBB) en een Haagse
handelsonderneming waaraan namen verbonden waren van geldschieters
als A. D. Chabot, A. van Santen en mr. K. Blom. Het 'trio Tuschinski'
- Abram Tuschinski en zijn zwagers Herman Ehrlich en Herman
Gerschtanowitz - bleef na die reddingsoperatie als
bedrijfsdirecteuren op de loonlijst staan. Vervolgens werd Theater
Tuschinski, nog vóór de Duitsers Nederland binnenvielen, via
bemiddeling van dr. Max Winkler in Berlijn door Van Tienhoven
overgedaan aan het Duitse film- en bioscoopbedrijf ToBis, die voor
de bioscoop meteen een naamsverandering wilde doorvoeren maar daar
van afzag. In het mooi geïllustreerde jubileumboekje 75 jaar
Tuschinski (voor een tientje te koop aan de kassa) wordt gesproken
over 'een machtswisseling die tamelijk ongemerkt verliep'.
Bekender is het verhaal dat in de nacht van 30 op 31 augustus 1940,
op de verjaardag van koningin Wilhelmina, Nederlandse en Engelse
vlaggen op het dak van Theater Tuschinski zouden hebben gewapperd.
Foto's daarvan ontbreken helaas en directe getuigenverslagen
ontbraken tot nu toe ook. Pas nu treden de daders uit de
anonimiteit: de Amsterdamse houtbewerker Cornelis Adrianus Bus,
destijds negentien jaar oud en communist, zijn negentienjarige broer
en een wederzijdse zestienjarige vriend (Joop de Jong). Vlak voor
het ingaan van de spertijd op 30 augustus 1940 bevestigden zij
gedrieën een oranje vlag met daarop in witte kalkletters Leve de
Koningin! aan de voorgevel van Tuschinski. Ze deden het uit
balorigheid, ze waren niet eens 'Oranjeklanten'. In hun jeugdige
overmoed hadden ze het klaargespeeld ongezien via een brandtrap het
theater binnen te klimmen. Cor Bus herinnert zich nog dat hij,
eenmaal binnen, de projectoren kon horen ratelen - de
avondvoorstelling was nog gaande. 's Morgens vroeg, nog voor
zonsopgang, werd de vlag helaas ontdekt. Ze werd weggehaald voordat
de eerste arbeiders door de Reguliersbreestraat naar de pont over
het IJ fietsten om naar hun werk bij de NDSM te gaan.
TWEE MAANDEN later, op 1 november 1940, veranderde ToBis de joodse
naam Tuschinski in het 'Arische' Tivoli. Een half jaar eerder, op 22
mei 1940, waren Tuschinski, Ehrlich en Gerschtanowitz al door ToBis
ontslagen. In juli 1942 werden ze via Westerbork gedeporteerd om in
Polen om het leven te worden gebracht.
Even 'geruisloos' als de overname van Theater Tuschinski door ToBis,
verliep de terugvordering ervan na de bevrijding in mei 1945 via het
Nederlands Beheerinstituut (NBI) en de Raad voor Rechtsherstel. Mr.
Blom dook weer op en de financiers F. L. D. Strengholt, mr. R. H.
Dijkstra en K. Winckles (van de Britse bioscoopketen J. Arthur Rank)
sloten zich bij hem aan. Het viertal vormde de Raad van Beheer van
de Maatschappij Tuschinski; de zoon van Herman Gerschtanowitz, Max
Gerschtanowitz, kreeg enige zeggenschap binnen het bedrijf als
directeur 'in dienstverband' en later had kleinzoon Ron
Gerschtanowitz er nog staffuncties.
Voor de zoon en dochter van Herman Ehrlich, Tannie en Fifi, was geen
plaats. Door de transactie met ToBis in 1939 waren de nabestaanden
van Ehrlich en Gerschtanowitz officieel als erfgenamen onterfd. Max
Gerschtanowitz en Tannie en Fifi Ehrlich overwogen alsnog een proces
te beginnen tegen Blom en zijn companen, maar Max Gerschtanowitz was
te bang voor zijn baantje en zag er uiteindelijk van af. De nu
77-jarige Fifi Ehrlich heeft in haar Amsterdamse woning nog steeds
geen goed woord over voor de Blom-groep.
Uiteindelijk kwam Theater Tuschinski opnieuw in buitenlandse handen,
achtereenvolgens in Britse (Rank), Israelische (Menachem Golan &
Yoram Globus), Italiaanse (Giancario Parretti & Florio Fiorino) en
Franse (Pathé/Chargeurs).
De constatering die Menno ter Braak in 1931 bij het tienjarig
bestaan van Theater Tuschinski deed, gaat 65 jaar later nog steeds
op: voor de jubilaris kan behoudens een paar cinefiele
architectuurstudenten eigenlijk geen mens veel interesse opbrengen.
Theater Tuschinski gaat gebukt onder achterstallig onderhoud; als de
milde 'feestverlichting' brandt gaat het nog, maar als het kille
werklicht wordt onstoken, is de aftakeling goed te zien. Het al
diverse malen vervangen tapijt ligt er futloos bij doordat bij het
reinigen een verkeerd soort shampoo is gebruikt.
De al op 28 april jongstleden door Pathé begonnen viering van de
vijfenzeventigste verjaardag van Theater Tuschinski heeft al met al
de allure en de klank van een natte vuurpijl.
Abram Tuschinski en zijn partners Herman Ehrlich en Herman
Gerschtanowitz verdienen toch beter.
1951 :
1942: Joden mochten geen telefoons meer hebben of gebruiken.
Aan de Rochussenstraat woonde echter - en woont nog - een Ariër die zijn
Joodse kennissen gelegenheid gaf om van zijn telefoon gebruik te maken.
Ook dat mocht niet. Hij werd verraden en de S.D. deed een inval. In de
gang stond een kistje wijnflessen, geadresseerd aan de bovenbuurman
A.Tuschinski en afgezonden door het gelijknamige theater te Amsterdam,
dat kort tevoren door een zeldzaam-geraffineerde manoeuvre in handen van
de Tobis gespeeld was.
De Ariër overtrad dus niet alleen het telefoon-verbod maar trad
bovendien op als bewaarder van Joodse goederen. Hij werd gearresteerd
doch kwam er met betrekkelijk weinig maanden brommen af.
Erger waren de bovenburen er aan toe. Er was juist een nieuw voorschrift
uitgevaardigd waarbij bepaald werd dat wanneer een Jood iets misdeed
tegen de wetten van het nieuwe gezag, zowel de schuldige als diens
gehele familie op transport gesteld zouden worden. Eén familielid was
gemengd gehuwd, een zat ingesloten in een Vreemdelingenkamp in het
gastvrije Zwitserland en een was gedoken.
De rest, met aangetrouwde zijtakken en al, werd volkomen uitgeroeid.

Zo eindigde het leven van Abraham Tuschinski, de man die alle
raadgevingen om naar Amerika te ontkomen in de wind geslagen had,
zeggende: "Ik ben ln DIT land groot geworden en ik wil geen deserteer
zijn!" Neen, zetter, hij zei niet, "deserteur" maar "deserteer", want
hoewel deze Pool soms opmerkelijke redevoeringen in onze taal hield,
raakte hij zijn accent nooit geheel kwijt. Zo is hij ook altijd blijven
spreken over films die gekeerd (inplaats van gekeurd) moesten worden,
wat zijn concurrenten aanleiding gaf om op te merken "Je kan wel horen
dat hij kleermaker geweest is!"
Hij was namelijk geboren in een klein boerendorpje onder de rook van
Lodz en in die stad had hij het kleermakersvak geleerd. Maar de positie
van de telkens weer door pogroms opgeschrikte Joden in het voormalig
Keizerlijk Rusland was niet bijster aanlokkelijk en de grote trek naar
humaner landen was in volle gang.
Tuschinski was een uitmuntend vestenmaker die overal in de wereld zijn
brood zou kunnen verdienen, dus trok hij naar Rotterdam, de stad van
waaruit de meeste Oost-Europeese emigranten passage namen voor de Nieuwe
Wereld. Hier kreeg hij een goede betrekking, maar hij was te
ondernemingslustig om zijn leven lang met gekruiste benen op een
confectie-werkplaats te zitten.
Er was in onze stad gebrek aan plaatsruimte voor de
steeds-dichter-wordende stroom van landverhuizers en in een paar
uitgebroken woonhuizen aan de Nadorststraat richtte hij een goedkoop
hotel voor deze passanten in. Dat bracht wat geld in het laatje en hij
kon uitzien riaar objecten waarbij hij zijn vleugels wijder uit zou
kunnen slaan.
De Bioscope was in opkomst en overal, in verlopen zaaltjes en
leegstaande pakhuizen, werden hals over kop theatertjes ingericht. De
flim was nog min of meer een kermis-kijkspul en het publiek bestond
hoofdzakelijk uit opgeschoten jongens en meisjes.
Alleen de Tivoli-Wintertuin van Goeman en Bongers aan de Coolsingel,
waar de producten van de Cinéma Pathé vertoond werden, trok wat
behoorlijk publiek. Schuin daartegenover, aan de Coolvest, die de
uiterste périphérie vormde van de Zandstraatnachtbuurt, stond een
verlaten Zeemanskerk.
Zoiets was het wat Tuschinski zocht. Hij huurde het pand en liet het,
voor de begrippen van dié tijd, keurig inrichten, al had deze inrichting
nog niets te maken met de weelde-uitspattingen die later zozeer identiek
werden aan het begrip Tuschinski.

Snel begon zijn gelukster te rijzen. Het prutsbioscoopje liep boven alle
verwachtingen en in betrekkelijk weinige jaren had hij een
burgermansvermogen tezamen kunnen melken. Hier en daar zetelden al wat
filmverhuurders die de celluloid-producten kant en klaar af kwamen
leveren - in Rotterdam bijvoorbeeld de curieuze pionier A. de Reyffelaer,
een Waal die de bijnaam droeg van "de knakworst", omdat bij hem thuis
altijd gehele rissen kleine worstjes te drogen hingen -, de filmhuren
waren belachelijk laag en de weinige cinema's die onze stad rijk was
konden het bezoek ternauwernood verwerken.
Maar nu deed zich het wonderlijke voor dat in het buitenland machten aan
het werk waren die van het kermis-fenomeen "film" iets artistieks
begonnen te maken, die grote toneelspelers wisten te bewerken om hun
vooroordeel tegen deze "kunst in blik" op te geven en die auteurs van
klasse bereid vonden uitvoeriger en interessanter scenario's te
schrijven dan die waarmee men zich de eerste tien jaren tevreden had
gesteld.
De producten die aldus tot stand kwamen richtten zich tot een groter en
ander publiek dan tot de petjesgasten die tot nu toe a raison van 15 of
20 cent (hier en daar zelfs met een glas bier toe!) de eerste Kino's
bevolkt hadden. Aan Tuschinski komt de eer toe de eerste te zijn geweest
die de bioscope-exploitatie op het snel-stijgend niveau van de
film-fabricatie gebracht heeft. Hij begreep dat een verwender publiek
zich moeilijk blijvend naar de primitieve établissementen uit de oertijd
van de Bioscopie zou laten lokken.
Geheel juist is de theorie die hier ontvouwd wordt niet, want bij een
man als Tuschinski heeft de prachtlievendheid natuurlijk altijd in het
bloed gezeten, een verschijnsel waaraan zijn ras en zijn Poolse landaard
wel niet vreemd geweest zullen zijn. Hij was een dromer en een
bouwfantast met een zeldzame feeling voor het scheppen van
theater-atmosfeer, die het zeer zeker niet nodig had uitsluitend op
commerciële gronden dié ontzaglijke sommen aan zijn scheppingen te
besteden welke hij er in verdisconteerde.
Als concrete verschijnselen deden zich dus voor: een beter filmproduct
en de enorm groeiende belangstelling van een pretentieuzer publiek.

Nu kwam voor Tuschinski de beslissende wending in zijn leven. Hij bouwde
de eerste waardige filmtempel in de gehele wereld: de Thalia-Bioscope
aan de Hoogstraat te Rotterdam en leefde zich daarbij uit met een
bezeten fanatisme. Architecten van reputatie, geroutineerde aannemers,
bronsgieters, glasbranders, meubeltekenaars, ontwerpers van
lichtornamenten, tapijtknopers, drie decorateurs, waarvan twee met
gevestigd renommé en de derde een talentvolle jongere die zijn kans
kreeg en veelbelovend benutte, al deze specialisten werden door hem in
een bepaalde richting gedrongen en bouwden tezamen een sprookjespaleis
waarin elke Russische Grootvorst zich thuisgevoeld zou hebben.
Zijn eerste Don-Quichotterie was: in een theaterzaal zijn alle pilaren
uit de boze die op welke wijze dan ook een vrij uitzicht op het gebodene
belemmeren. Wanneer ervaren bouw-technici hem voorrekenden dat zulks om
die-en-die reden niet mogelijk was, legde deze volkomen autodidact hen
uit dat, wanneer ze zus of zo deden, deze bezwaren moesten vervallen en
dan bleek tot hun aller verbazing dat hij in de regel nog gelijk had
ook!
Een tweede levens-hobby was: iedere bezoeker moest goed en gemakkelijk
zitten. Elke stoel werd dan ook persoonlijk door hem op comfort
getoetst. Bij deze dagenlange proefnemingen was het resultaat wel eens
averechts aan de bedoeling, want hij vergat graag dat hij klein van stuk
was en dat een zetel waarin hijzelf makkelijk zat voor lieden met
langere staken een folterwerktuig moest zijn. Ik weet tenminste wel dat
ik persoonlijk altijd zó ben gaan zitten als ik zijn theaters bezocht,
dat ik geen andere stoel vóór me had staan!
Dan liet hij de hinderlijke en onredelijke verschillen wegvallen welke
in vrijwel alle theaters bestonden tussen de aankleding van de dure en
de populairdere rangen. Er zijn vanzelfsprekend in iedere zaal plaatsen
van waaraf men een beter gezicht op het gebodene heeft dan vanuit andere
hoeken. Het is dus verantwoord wanneer deze betere plaatsen duurder
verkocht worden dan de minder-gunstige. Maar hij achtte het absoluut
niet nodig dat de man met het duurdere entrée-biljet over kostbare
hand-geknoop-te tapijten naar zijn zetel geleid werd terwijl de bezoeker
met wat schralere beurs door kale gangen naar zijn bank werd gebracht.
Dat elders het loge-publiek laten we zeggen "even zijn handen ging
wassen" achter deuren waarop "Dames" of "Heren" stond terwijl de lieden
uit het parket zulks moesten doen daar waar de indicaties "Vrouwen" of
"Mannen" luidden, vond hij een rechtstreekse belediging van zijn
bezoekers. En dat ook deze gelegenheden van een ongekend-luxueuse
inrichting waren lag geheel in de lijn van deze volmaakte gastheer.
Was de bouw en de opening van het Thalia-Theater reeds een gebeurtenis
van de allereerste rang in de internationale bioscope-geschiedenis, deze
werd volkomen overtroffen door de schepping van het Amsterdamse
Tuschinski-Theater, een gebouw dat een kleine 5 millioen guldens
(guldens van 1922 welteverstaan!) gekost heeft, en dat nu, ruim een
kwarteeuw later nog altijd het mooiste theater van Nederland en één der
mooiste en weelderigste van geheel Europa is.
Het moge dan voor puriteinse en puristische beoordeelaars wat barok en
wat on-Hollands zijn, het nuchtere feit blijft bestaan dat het een
theater is dat volkomen het gevoel geeft van "uit" te zijn.
Maar laten we ons in het beperkte bestek dat dit boek ons toestaat
bepalen tot de Tuschinski die wij, Rotterdammers, gekend hebben.
Nieuw adres per 23 september 2010
Postbus 920981090 AB Amsterdam
Fax: 020-4266110
Tel: 020-4266100
E-mail:
info@abrahamtuschinskifonds.nl
Stimulering van de
Nederlandse Film
De Nederlandse
filmdistributeurs (NVF) en de Nederlandse bioscoopexploitanten (NVB)
stellen vanaf 1 januari 2009 jaarlijks extra geld ter
beschikking voor de stimulering van de Nederlandse Film.
Daartoe hebben NVF en NVB 'Stichting Abraham Tuschinski Fonds'
opgericht.
Het bestuur wordt gevormd
door een afvaardiging van de NVF, NVB en de Nederlandse
Vereniging van Speelfilmproducenten (NVS).
Bonusregeling
De stimuleringsregeling
bestaat er uit dat de NVB, NVF en NVS een zg. 'bonusregeling' in
het leven hebben geroepen. Deze regeling houdt in dat, onder
voorwaarden, per betalende bioscoopbezoeker een bonusbedrag
beschikbaar wordt gesteld. Dit bedrag moet vervolgens
aantoonbaar worden geïnvesteerd in een Nederlandse bioscoopfilm
met een release in de Nederlandse bioscoop of filmtheater.
Voor meer informatie over
de bonusregeling en de randvoorwaarden: klik op onderstaande
download 'Het Bestedingsreglement'.
Aanvragen
Een ieder die in
aanmerking wil komen voor de regeling moet hiervoor een aanvraag
indienen via een 'Aanvraagformulier'.
Aanvragen m.b.t. het
jaar 2009
Tot 1 september 2010 was het mogelijk om
aanvragen in te dienen m.b.t. het jaar 2009.
Aanvragen m.b.t. het
jaar 2010
Aanvragen die betrekking hebben op het
jaar 2010 kunnen via onderstaand formulier worden ingediend.
Download het
Aanvraagformulier
|
Doch Tuschinski, hoe geniaal ook in andere dingen, kon en wilde
nooit rekenen. Hij wilde alleen maar een voldaan publiek zien. Iets
wat hem later fataal zou worden bij de nieuwe vestiging van een
bioscoop in Den Haag vertouwde hij al zijn geld toe aan een dame die
er met de kas vandoor ging en daarna haar eigen bedrijf in de USA is
gestart. En zo zette hij bij de vertoning van deze zelfde Douglas
Fairbanks-film nog een toneel-show in elkaar, met solisten, koren,
balletten en speciaal vervaardigde decors die óók nog eens 550,-
gulden per dag kostte! ledere uitverkochte zaal of iedere film die
weer eens buitensporig veel geld opgebracht had, werd aanleiding
voor hem om tot nieuwe kostbare verbouwingen of verbeteringen over
te gaan.
Het spreekt dus, dunkt me, wel vanzelf dat hij zijn financiers, zijn
crediteuren en zijn onvolprezen procuratie-houder, die iedere week
opnieuw maar weer de touwtjes aan elkaar moest knopen, ontijdig
grijze haren bezorgd heeft. De reactie kon niet uitblijven.
Al deze gemakzucht en onverschilligheid koste niet alleen zijn geld
maar ook zijn leven..
Er is een Theater gebouwd dat niet geschikt was als bioscoop,
daardoor moesten er later
aanpassingen komen en uiteindelijk was door de verkeerde bouw van
het Theater, nooit een
goede film projectie mogelijk,. Abram was heel eigenwijs persoon en
luisterde naar niemand,
en de goede adviezen werden bijna altijd afgewezen .

de portier , die al in
1921 in dienst was
AAN DE bouwvakkers, decorateurs, elektriciens, schrijnwerkers en
stoffeerders die bij de bouw van Theater Tuschinski betrokken waren,
stelde 'bouwheer' Tuschinski echter steeds vaker onmogelijke eisen
naarmate de openingsdatum naderde. Bij deze arbeiders, die twaalf
uur per dag, de weekeinden meegerekend, aan Theater Tuschinski
ploeterden en van hun respectievelijke bazen een schamel traktement
ontvingen, was hij op den duur dan ook minder geliefd. Aan
'werkoverleg' deed hij niet, met uitvoerder ir. Klapwijk en
architect De Jong lag Abram Tuschinski om de haverklap overhoop.
Deze twee verweten hun opdrachtgever waarschijnlijk niet helemaal
onterechte vergaande eigenwijsheid. 'Als je het dan zo goed weet, ga
je gang', werd uiteindelijk hun repliek.

Tuschinski:
in1996 -op 28Oktober
PAS EIND DEZE maand, om precies te zijn op maandag 28 oktober 1996,
is het driekwart eeuw geleden dat in Amsterdam Theater Tuschinski
geopend werd. Maar al maanden lang verschijnen her en der
jubileumstukken over de bijna 75-jarige bioscoop. Die nostalgische
bedrijfsprofielen leunen zwaar op de feestbrochure 75 jaar
Tuschinski, uitgegeven door de huidige eigenaar van Tuschinski,
Pathé Cinemas. En dat boekje is weer grotendeels gebaseerd op de
memoires van Abram Icek Tuschinski (1886-1942) zoals hij die in de
jaren twintig in het huisorgaan Tuschinski Nieuws met hulp van
redacteur/musicus Max Tak publiceerde. Het aardigste artikel over
Theater Tuschinski was tegelijkertijd het kortste: op 2 mei
jongstleden werd ingenieur H. L. van Dijk uit Ulvenhout, kleinzoon
van de architect van Theater Tuschinski, in de Volkskrant op de
Forumpagina aan het woord gelaten. Van Dijk ergert zich aan het feit
dat A. I. Tuschinski in de media steevast als schepper van het
gelijknamige theater wordt beschouwd en niet zijn grootvader, wijlen
Hijman Louis de Jong.
De Jongs vakgenoten waren destijds overigens niet unaniem
enthousiast over Theater Tuschinski. Ze deden het minzaam af als een
voorbeeld van 'pruimentaartarchitectuur', een 'wuft filmpaleis' dat
verrees op de plek van de Duvelshoek, een morose krottenwijk tussen
de Vijzelstraat en het Rembrandtplein. Ook de overdadige decoraties
van Jaap Giddings, Peter den Besten en Chris Bartels lieten zich
niet gemakkelijk indelen: de al gauw Tuschinski-stijl genoemde
aankleding zou bestaan uit een ratjetoe van Aziatische elementen,
vermengd met voorbeelden uit de Amsterdamse School, Jugendstil, art
nouveau en art déco.
Ing. Van Dijk roert in zijn ingezonden brief nog een overgevoelige
kwestie aan: de betreurde Abram Tuschinski (in het Pools geschreven
als Tuszynski) moet een 'moeilijke opdrachtgever' zijn geweest. Ook
dat zou kunnen kloppen, want gezellige meegaande types brengen over
het algemeen weinig opzienbarends tot stand. De ex-kleermaker,
ex-pensionhouder en latere Tuschinski-directeur was weliswaar een
gevoelig man en een sociaal bewogen patroon (de Rotterdamse
operateur Hannes Visser kreeg eens spontaan een kostuum plus een
hoed van hem cadeau), maar hij moet tegelijkertijd een
temperamentvolle megalomaan zijn geweest. Zijn bijnaam luidde niet
voor niets 'Napoleon van de Duvelshoek'.
Toen begin juli dit jaar iets van deze strekking in Het Parool te
lezen was, regende het brieven en telefoontjes met een hoog 'van de
doden niets dan goeds'-gehalte. De lampjes in Theater Tuschinski
waren immers zo mooi, werklozen kregen korting op de toegangsprijs,
meneer Tuschinski stond nota bene altijd pal achter zijn ouvreuses,
portiers, toneelknechten; een werkster met een ziek kind kon op zijn
financiële steun rekenen; een chauffeur met een versleten
overhemdsboord kreeg van hem een nieuw shirt of minstens een hemd
met een gekeerd boord. Waar kom je tegenwoordig zoveel
barmhartigheid tegen?
DAT ALLES neemt niet weg dat de sentimentele Tuschinski zich meer
artiest en levenskunstenaar voelde dan zakenman. Nota's betreffende
voor hem uitgevoerde werkzaamheden werden niet altijd even vlot
betaald. Men mocht blij zijn in 'Het Huis' te hebben mogen werken.
Bovendien was Tuschinski al snel van mening dat een opdracht niet
was uitgevoerd zoals hem voor ogen had gestaan. Hij liet
bijvoorbeeld rustig een muurtje wegbreken om vervolgens te besluiten
dat het toch maar weer moest worden opgetrokken. En omdat het er
dientengevolge uitzag alsof er niets was gebeurd, was hij ook
serieus van mening dat er niet betaald hoefde te worden.
Aan de andere kant getuigen ex-personeelsleden tot op vandaag de dag
dat meneer Tuschinski wel prima patroon was die een goed weekloon
betaalde en een eerlijk promotiebeleid voerde. Johan Stans werd voor
negentig gulden per week door Tuschinski aangesteld als zaalchef.
Chefoperateur Henri Lünow kreeg 85 gulden, meubelmaker Gerrit Vonk
zeventig gulden, en portiers als Willem Schlebaum, Gerard Mosman en
Roel de Jong vingen een basisloon van vijftien piek per week. En dat
eind jaren twintig, begin jaren dertig.
een schamel loon dus.
De man naaste
Tuschinski heette Gerschtanowitz
Een jonge generatie die minder show en meer "film" vroeg, stak de kop
op. Film in de meest-artistieke betekenis van het woord. Een felle
strijd ontstond, eerst met een groep avant-gardistische Journalisten die
de Nieuwe Rotterdamse Courant als vesting gekozen hadden, later met
andere fanatici die hechte voorposten en penetraties bij dag- en
weekbladen bezet hadden.
Tuschinski bleek echter een ruiterlijk tegenstander. Hij had een grote
misgreep gedaan met de bouw van zijn Cabaret "La Gaité" op de eerste
verdieping van het Grand Theater. Middenin een stad van handelslieden,
kantoorbedienden en havenarbeiders, stuk voor stuk hoogst
achtenswaardige leden van de maatschappij, maar zeker geen jagers naar
verfijnd-toegespitste levenskunst, bouwde hij een Bonbonnière die aan de
Champs-Elysées thuis hoorde. Waar hij een omlijsting geschapen had voor
smokings uit Sackville Street en toiletten van Poiret mengden
confectie-pakken zich met jurkjes van firma's "die tóch voordeliger"
waren. Het publiek voelde zich niet thuis in deze gelegenheid en de
gelegenheid wanhoopte aan haar publiek.
Tuschinski gooide de tent dicht, vereenvoudigde de inrichting tot op het
(inmiddels mode geworden) radicale af en sloeg de jonge film-avantgarde
de voornaamste troef uit handen door in zijn aldus verbouwde "Gaité""
een theater voor niet-commerciele filmproducten in te richten. Bovendien
werden de benedenruimten afgestaan voor exposities van jonge beeldende
kunstenaars die elders, bij de voorzichtige Kunsthandel of bij de
bestaande super-conservatieve Kunstgenootschappen niet aan bod kwamen.
Eén van de mensen die aldus voor het eerst met een belangrijke eigen
tentoonstelling aan de Rotterdammers getoond werden was Hendrik Chabot.
De keuze had minder kunnen zijn... Natuurlijk, al was hij een geboren
dictator, leidde hij al deze ondernemingen niet alleen. Enorme steun had
hij van zijn beide zwagers Herman Ehrlich die het artistieke en Herman
Gerschtanowitz die bij deze drie-eenheid het nuchter-zakelijke element
vertegenwoordigde.
Maar de grote stuwer was hijzelf. Hij had, onder al zijn
beminnelijkheid, - vooral tegenover vrouwen kon hij van een achttiende
eeuwse zwier en hoofsheid blijk geven - dat dwingende waarmede bepaalde
lieden alles en iedereen om zich heen naar hun wil kneden. Daarbij kon
hij van een ontroerende naïeviteit zijn. Toen zijn verafgoode zoon Will
gestorven was, opende hij in mijn bijzijn de enorme boekenkasten die
deze intelligente, te weinig begrepen, jonge filmproducent had nagelaten
en stamelde met dikke tranen in zijn ogen: "Al die boeken wist mijn
jongen uit zijn hoofd. Als ie (waarmee hij "U" bedoelde) alleen maar
eens denkt aan al de letters die hij daarvoor gevreten moet hebben is
hij al een genie!!!"
Er was een periode waarin de pers opstandig werd tegen de
belachelijk-op-geschroefde superlatieven waarmee hij zijn films
aankondigde. In die jaren had hij vaak de gewoonte, wanneer ik van de
prins geen kwaad wetend het Tuschinski-theater in Amsterdam
binnenwandelde, mij plotseling mee te slepen naar het toneel, terwijl
hij mij onderweg bijbracht welke enorm-ge-weldige en kostbare film de
volgende week alweer vertoond zou worden. Onvoorbereid werd ik dan
tussen het gordijn doorgeschoven teneinde mijn reclame-speech in een
genietbare vorm op het publiek van het uitverkochte theater los te
laten. Ik maakte dan wel eens misbruik van het woordje "buitengewoon",
wat bij alle kolossaalheid die ik a l'improviste beloven moest toch niet
zó erg was? Maar hatelijk zeiden de persmuskieten in de beroemde
Vrijdagmiddag-loge dan tegen hem: "Bram, is het weer buitengewoon wat we
krijgen?"
En zo geschiedde het dat hij op een dag als een bezetene op me
losgestormd kwam - ik had nota bene con amore staan te oreren - en me
toebeet: "Ie maakt main kapot bij de zjoernalitsten! Ie moet niet altijd
schpreken van "buitengewoun"! Ie moet gewóun zeggen: deze film is het
groutschte van het groutschte!!!"
De branding om Tuschinski is vaak hoog gegaan. Op ieder denkbaar
menselijk en zakelijk gebied. Hij vond vaak felle tegenstanders
tegenover zich. Maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die hem haatte of
die ondanks al zijn fouten en eigenaardigheden geen diep respect voor
hem had. Hij was één van de vijf mensen van zijn tijd die wisten wat
theater was. Maar die waren alle vijf even grote verkwisters als hij.
Want als de droom een levende substantie in ons gaat worden.. .tja, dan
is er niet meer tegen te vechten-
Tja, zoo schreven ze dat dus in 1951 het is nu inmiddels 2011 ..!
Met in zijn hoofd het plan zijn bioscoopimperium in de hoofdstad uit
te breiden, gaat Abraham Tuschinski naar de man die als geen ander weet
wat het Amsterdamse filmpubliek wenst: Johan Gildemeyer. De
filmdistributeur die inmiddels een goede vriend van Abraham is geworden,
hoort diens plannen aan en raadt hem vervolgens ten stelligste af aan
een dergelijk project te beginnen.
Met ernst wijst Gildemeyer op het grote succes dat Abraham in Rotterdam
heeft behaald. Hij kan daar beter van gaan genieten dan zich in de
ellende te storten, want dat is wat een theater in Amsterdam bouwen met
zich mee zal brengen: ellende.
'Amsterdam is de lastigste stad met het meest verwende publiek,' zegt
Gildemeyer, en 'Het goede is voor Amsterdam niet meer genoeg, want de
keuze daaruit is te groot.' Een bioscoop in Amsterdam zou niet minder
dan een superieur filmwalhalla moeten zijn, wil het aanslaan bij de
bevolking.
Maar Abraham laat zich niet ontmoedigen. Integendeel. De woorden van
Gildemeyer wakkeren iets in hem aan dat niet meer te doven valt: 'Je
beweerde zooeven,' zegt hij zijn vriend, 'dat het een bijna
bovenmenschelijke taak zou zijn, om in dezen tijd en onder de
tegenwoordige omstandigheden een theater in Amsterdam op te richten.'
Gildemeyer bevestigt dat opnieuw, waarop Abraham zijn definitieve
beslissing meedeelt: 'Het is juist iets voor mij, dat zoogenaamd
bovenmenschelijke te probeeren.'
De keuze van de locatie
Ehrlich en Gerschtanowitz zijn direct wildenthousiast over het idee een
theater in Amsterdam te bouwen. Manja Tuschinski zien het plan van haar
echtgenoot minder zitten: zij voorziet een moeilijke periode, maar ze
blijft achter Abraham staan en maakt plannen met de drie zwagers over
Het Amsterdamsche Theater, zoals ze het project hebben gedoopt.
Met Ehrlich en Gerschtanowitz gaat Abraham op een goede dag in 1917 naar
de stad. De bedoeling is rond te lopen om te kijken welke plaats
geschikt zou zijn voor een groot bioscooptheater. Ehrlich oppert de Dam
als cinemalocatie, maar Abraham wimpelt dat af: hij vindt het wel
centraal genoeg, maar te klein.
Tijdens de wandeling bezoekt het gezelschap tot twee keer toe het
Rembrandtplein. Dat zou een mooie plek zijn, maar het heeft een minpunt:
daar staat al het grootse Rembrandttheater. Maar vlakbij zien ze de
geschikte locatie: de Kalverstraat en het Rembrandtplein, twee
trekpleisters voor het publiek worden verbonden door een straat waar
Tuschinski's nieuwe filmpaleis prachtig zou passen, de
Reguliersbreestraat. Dat daar al een bioscoop gevestigd is, het
Nöggerath theater, kan Abraham weinig schelen. Zijn plannen zijn zoveel
grootser dat hij die concurrentie wel aankan.
Alsof de Duivel ermee speelt komt het drietal een bioscoopdirecteur uit
Indië tegen, de heer Frank, die met het plan rondliep contact met
Abraham op te nemen. Hij wilde hem namelijk wijzen op een mogelijkheid
om een nieuwe bioscoop neer te zetten: in de Reguliersbreestraat…
De zwagers bekijken het huizenblok dat de heer Frank voor ogen had en
Abraham komt tot de conclusie dat het veel te klein is voor zijn
plannen. Pas als Frank weer weg is, en het trio in een rustig hoekje van
Café Schiller zit, doet Abraham zijn plan uit de doeken. Hij vindt de
locatie uitermate geschikt, maar wil niet alleen het huizenblok opkopen,
maar het hele gebied tussen de Reguliersbree en de Reguliersdwarsstraat
waarvan deze huizen deel uitmaken: de Duvelshoek.
De aankoop van de grond
De Duvelshoek had zijn naam te danken aan de sfeer die er heerste. Zoals
een journalist het bij de opening van het Tuschinski Theater in 1921 zal
omschrijven: 'een lugubere buurt, waar in enge stegen de ergste armoede
huisde.'
Het eeuwenoude wijkje waar Abraham Tuschinski zijn oog op heeft laten
vallen, bestaat uit slecht onderhouden, vervallen pandjes die in handen
zijn van huisjesmelkers. Dat de meeste van deze woningen onbewoonbaar
verklaard waren weerhoudt de arme bevolking er niet van zich daar te
vestigen. Het is een buurtje waar men zich 's avonds liever niet op
straat waagt.
Ineengeklemd tussen de Fransche Bazar - een enorm winkelcomplex - en het
Nöggerath theater liggen dertig van deze uitgewoonde huizen en een
wirwar van steegjes: de Land van Beloftesteeg, de Suikerbakkersteeg en
de Blindemansteeg.
Het lijkt een bijna onmogelijke taak om in het bezit van de huizen te
komen. Het eerste pand weet Abraham op de kop te tikken voordat het op
de veiling gebracht moet worden, maar de andere negenentwintig complexen
zijn in handen van maar liefst twintig verschillende eigenaars die soms
ver buiten de stad wonen. Het kost Abraham vier maanden om het
eigendomsrecht van de ca. 2000 m2 Dûvelshoek te verwerven.
De gemeente levert hem gelukkig minder tegenstand en zij verkopen hem de
stegen tegen een schappelijke prijs onder de voorwaarde dat hij een deel
van zijn net verworven grond aan hen terugverkoopt omdat de
Reguliersdwarsstraat verbreed moet worden. Daar is Abraham tevreden mee.
Maar het ergste moet nog komen. De bewoners moeten bewogen worden hun
vervallen, maar goedkope, woningen te verlaten.
De uitkoop van de Duvelshoekers
Het is bij de wet verboden om mensen zomaar de huur op te zeggen, al
zijn de huizen in Abrahams bezit. Iedere bewoner moet persoonlijk worden
benaderd, er moeten hem alternatieven worden geboden en een redelijke
vergoeding, zodat hij uit eigen wil vertrekt, anders kan met de sloop
van de huizen niet begonnen worden.
Om deze
Het blijkt een Sisyphusopgave. Vier verschillende makelaars wagen zich
aan het project.
De eerste zegt dat het hem binnen een half jaar lukt iedereen uit te
kopen. Abraham gaat vol goede moed met hem in zee, maar geeft hem de
opdracht mee aan niemand te vertellen wie de nieuwe eigenaar van de
panden is. Dat hij zijn mond voorbij praat is al snel duidelijk als
Abraham de ene na de andere afpersingsbrief ontvangt van bewoners van de
Dûvelshoek.
'Ik kan een mooi huisje krijgen in de Reguliersdwarsstraat,' schrijft
een water-en-vuurbaas, 'maar dan moet ik van u drieduizend gulden hebben
en u moet mij een heele nieuwe winkelinventaris geven, veel mooier dan
wat ik nu heb en het water dat ik gedurende de eerste tien jaren noodig
heb, moet u ook betalen.'
Een ander probeert het op slinksere wijze: 'U kunt mij met een kleine
vergoeding van mijn woning afkrijgen, maar dan moet mijn zoon, die een
nette jongen is, portier bij u worden. Ik kan u niet dwingen, maar als
mijn zoon niet bij u in betrekking komt blijf ik nog twintig jaar
wonen.'
De makelaar zelf wordt bedreigd met mishandeling als hij niet met flinke
afkoopsommen op de proppen komt. Bang geworden geeft hij de opdracht aan
Abraham terug.
Abraham hoopt een vonnis tot ontruiming van de woningen te krijgen omdat
de bewoners van zijn panden hem geen huur betalen, maar hij wordt
gewaarschuwd: de kantonrecht is niet snel in het verstrekken van zulke
vonnissen. Snel stelt hij een tweede makelaar aan: Van Schaick.
Het lijkt erop dat deze nieuwe makelaar van wanten weet. Binnen de
kortste keren heeft hij de eerste acht huizen leeg. Maar diezelfde nacht
trekken nieuwe mensen de panden in, krakers avant la lettre. Nu heeft
Abraham er werkelijk genoeg van. Hij laat deze acht huizen door de
politie ontruimen en sloopt direct de vloeren uit de gebouwen zodat er
niemand meer in kan wonen. Dit wordt de nieuwe methode: zodra een
bewoner is vertrokken - mét alles wat ze uit het huis kunnen meenemen
van de kranen tot aan de loden dakgoten - laat Abraham het tussen de
andere woningen tot op de grond toe afbreken en op die plek beginnen met
graven voor de fundering. Maar Van Schaick heeft er het bijltje ook bij
neergegooid. Hij wil zijn werk niet als vechtersbaas hoeven uitvoeren.
Meulemans is de nieuwe makelaar waarmee Abraham in zee gaat. Vol
vertrouwen gaat deze man aan de slag, maar hij moet al gauw terugkomen
op het idee dat hij dit wel makkelijker voor elkaar zal krijgen dan zijn
voorgangers. Bij het eerste bezoek aan een glazenwasser wordt hem al een
blauw oog geslagen. Een andere Duvelshoeker belooft hem te verhuizen als
hij achthonderd gulden krijgt: Meulemans overhandigt hem de centen en
vervolgens zet hem eruit met de woorden dat hij wel zal vertrekken als
hij er zin in heeft. Ook Meulemans geeft er de brui aan.
Het is uiteindelijk de heer Slier, van de firma die de leegstaande
huizen in de Dûvelshoek sloopt, die voor Abraham de klus klaart. Eén
voor een komen de woningen leeg en worden ze afgebroken. Vanaf het
moment dat Abraham de eerste woning kocht tot het moment dat de bouw van
het theater werkelijk kan beginnen, zijn twee jaar verstreken en heeft
het project ruim zevenhonderdduizend gulden gekost zonder dat er nog
maar een paal in de grond geslagen is - in 2002 zou dit bedrag
overeenkomen met ruim zesmiljoendriehonderdvijftigduizend euro.
Snel laat Abraham Tuschinski een schutting om de bouwput plaatsen,
waarop in tot de verbeelding sprekende kleuren de woorden 'Wereldtheater
Tuschinski' zijn geschreven.
De bouw van de droom kan beginnen.
Geboren:
2 november 1953 (57 jaar)
Roosendaal (Nederland)
Filmografie
2,60 (57)
Missing
Link (1999)
Alternatieve titel: De
Ontbrekende Schakel
Kansberekening tafelspellen of de ‘odds casino
table games’
Als er een uniek systeem van kansberekening zou
bestaan, dat toegepast kon worden op de
verschillende tafelspellen in het casino, zouden de
winstkansen van de tafelspellen voorspelbaar zijn.
Dat zou leiden tot grote winsten voor de spelers en
grote verliezen voor het casino. Er is dan ook geen
exclusief systeem beschikbaar, dat op alle
tafelspellen in het casino van toepassing is. Wel
kan er kansberekening voor casino tafelspellen
worden toegepast zoals voor roulette, maar aangezien
geluk ook een onderhavige factor is, zal er geen
volledig sluitend systeem van kansberekening kunnen
worden geboden. De winstkans roulette is onder meer
afhankelijk van de inzet, die op het rouletteveld
geplaatst zal worden.
Off Topic nog even dit: Kansberekening roulette
Roulette is een uitstekend voorbeeld van een
tafelspel, dat voor een simpele kansberekening in
aanmerking komt en dat is onder meer het gevolg van
het gebruik van getallen 1 tot en met 36 en de nul
naast de kleuren zwart en rood. De simpelste
strategie van kansberekening die bij de inzet op
roulette kan worden toegepast is het verdubbelen van
de inzet. Bij de inzet op een kleur is er vijftig
procent kans dat de betreffende kleur valt, waarbij
het vakje nul dat groen is, voor het gemak even
buiten beschouwing wordt gelaten. Als de inzet
verloren wordt, geldt op basis van de kansberekening
bij de volgende inzet op dezelfde kleur weer een
even grote kans op winst.
Door de inzet bij verlies steeds te verdubbelen
zal er op basis van de kansberekening tafelspellen
uiteindelijk winst ontstaan. De is bij roulette,
waarbij de inzet op kleur wordt gedaan een simpel
voorbeeld, maar de winstkansen van tafelspellen als
roulette kunnen verder worden vergroot door de inzet
te verspreiden over de roulette tafel, waarbij op
basis van de kansberekening de winstkansen toenemen,
naarmate de inzet meer gespreid wordt. Een inzet op
één cijfer bij roulette biedt immers een
kansberekening van 1/36. Door een inzet te plaatsen
op vier nummers wordt de kansberekening 4/36.
Martingale systeem
Voor de kansberekening tafelspellen is het
Martingale systeem geschikt voor roulette. Dit is
namelijk het systeem van verdubbelen van de inzet op
een kleur bij roulette. Hieronder een schematisch
overzicht met inzetten en uitkomsten:
| Eerste inzet 10 euro kleur rood
|
Uitkomst kleur zwart |
Inzet 10 euro kwijt |
| Tweede inzet 20 euro kleur rood
|
Uitkomst kleur zwart |
Inzet 20 euro kwijt |
| Derde inzet 40 euro kleur rood
|
Uitkomst kleur zwart |
Inzet 40 euro kwijt |
| |
|
Totaal 70 euro kwijt na drie inzetten
|
| Vierde inzet 80 euro kleur rood
|
Uitkomst kleur zwart |
Uitbetaling 160 euro |
| |
|
Netto winst na vier inzetten 10 euro
|
| Nieuwe inzet 10 euro kleur rood
|
Uitkomst kleur zwart |
Inzet 10 euro kwijt |
| Tweede inzet 20 euro kleur rood
|
Uitkomst kleur zwart |
Inzet 20 euro kwijt |
| Derde inzet 40 euro kleur rood
|
Uitkomst kleur rood |
Uitbetaling 80 euro |
| |
|
Netto winst nieuwe inzetronde 10 euro
Kansberekening en
het huisvoordeel online
casinos
Elk ‘gewoon’ casino
kent een huisvoordeel en
dus bestaat dit ook bij
de online casino's. Het
kan worden omschreven
als het voordeel dat het
online casino heeft ten
opzichte van het
voordeel van de spelers.
Het spreekt voor zich
dat er bij elk
casinospel sprake is van
een huisvoordeel oftewel
‘house edge’ voor het
casino, simpelweg omdat
het casino verzekerd
moet zijn van het maken
van winst om te kunnen
blijven voortbestaan.
Dat neemt echter niet
weg dat er wel
verschillen zijn te
ontdekken in het online
casino huisvoordeel per
casinospel. Bij het
spelen van blackjack is
er namelijk sprake van
een andere berekening
als bij roulette.
Huisvoordeel online casinos bij blackjack en roulette
Blackjack is een
casinospel, waarbij het
huisvoordeel van het
casino enigszins
gelijkwaardig is aan het
voordeel van de speler,
maar waar nog altijd een
klein voordeel voor de
bank is weggelegd. Het
voordeel voor de bank is
dat één kaart niet
zichtbaar is voor de
spelers en dat de bank
automatisch wint als
spelers zich 'dood'
kopen en dus meer dan 21
punten behalen. In dat
geval is de winst direct
voor de bank, ongeacht
welke tweede kaart de
bank heeft. De
onzekerheid over de
gesloten kaart van de
bank brengt de spelers
in de verleiding om wel
of niet een extra kaart
te nemen. Bij roulette
kan een onderscheid
gemaakt worden tussen
Amerikaans roulette en
Europees roulette. Bij
Amerikaans roulette
heeft het wiel een getal
extra in de vorm van een
dubbele nul. De
uitbetalingsregel van 35
tegen één bij Europees
roulette levert een
huisvoordeel online
casinos zo rond de 2,7 %
van de inzet als er
wordt gespeeld op één
nummer. Bij het spelen
van Amerikaans roulette
wordt dezelfde
uitbetalingsregel
gehanteerd en daardoor
is het huisvoordeel voor
het casino bij deze
twee
keer zo groot !
Online casino huisvoordeel en uitbetalingspercentage
De online casino's
onderscheiden zich op
allerlei gebieden, maar
een aspect kan daarbij
zeer van belang zijn met
betrekking tot het
huisvoordeel en dat is
het
uitbetalingspercentage
van het casino. Aan de
hand van het
uitbetalingspercentage
van de casinospellen kan
beoordeeld worden welk
percentage van de inzet
weer wordt uitbetaald
aan de spelers. Een
online casino kent in
dat opzicht een hoger
uitbetalingspercentage
als offline casino's
omdat er minder kosten
mee gepaard gaan. Het is
in elk geval een
statistisch gegeven dat
elk online casino een
huisvoordeel kent en dat
er in verhouding een
beperkt aantal grote
winnaars zal zijn ten
opzichte van het aantal
kleine winnaars en
verliezers.
|
|
|
|