| Russiche Federatie.
Wij denken dat Rusland een democratisch land
zal moeten worden te worden.
willen zij een rol spelen in Europa en in de toekomst de
euro in kunnen voeren.
Dat is een lange weg te gaan....
Wij
betreuren sommige berichtgeving in de media over
Rusland.
Er zijn ook positieve zaken te melden.
Ook in Nederland gaan mensen
onschuldig de gevangenis is , dat is nooit 100%
te voorkomen, dus is het onzin om steeds met publicaties te
komen dat de mensenrechten
worden geschonden in Rusland. Er zijn veel meer landen
in de wereld waar het anders is als in Nederland.
China bijvoorbeeld, Iran enz enz.
Toch waren de dagen van
Gorbatsjov als Sovjetleider geteld. Begin december 1991
verklaarde Oekraïne zich onafhankelijk. Gorbatsjov trad
af en de Sovjet-Unie werd op 1 januari 1992 officieel
opgeheven. Op die datum werd de Russische Federatie
officieel een onafhankelijke staat met Jeltsin als
president.
De euforie rond Jeltsin zou maar kort duren. Dat kwam
vooral door zijn vergaande liberalisering van de
economie. Zo controleerde de staat niet langer de
prijzen, wat een hyperinflatie tot gevolg had. Deze
schoktherapie werd hem niet in dank afgenomen. In 1993
werd Jeltsin afgezet, maar zijn trouwe volgelingen namen
daar geen genoegen mee en kwamen in opstand tegen de
coupplegers. Bij de presidentsverkiezingen in de zomer
van 1996 werd Jeltsin herkozen.
Jeltsin was een grillige man, wellicht mede door zijn
drankprobleem. Hij deinsde er niet voor terug hele
kabinetten plotseling naar huis te sturen. Onder zijn
bewind nam bovendien de tegenstelling tussen arm en rijk
sterk toe. Sommige mensen wisten binnen korte tijd
superrijk te worden (zie verder bij
Economie). Intussen kreeg Rusland grote problemen
met opstandelingen in de zuidelijke deelrepubliek
Tsjetsjenië. Die opstand werd met harde hand onderdrukt,
maar tot op de dag van vandaag is de Tsjetsjeense
kwestie niet opgelost.
Op Oudejaarsdag 1999 kondigde Jeltsin volkomen
onverwacht zijn aftreden aan. Een kroonprins stond al
klaar: ex-KGB-chef Vladimir Poetin. Die was populair
onder de bevolking vanwege zijn harde aanpak van de
problemen in Tsjetsjenië. Hij werd bij de verkiezingen
in 2000 dan ook met grote meerderheid van stemmen
gekozen tot president.
Poetin begon meteen met het herstellen van de
staatsmacht ten koste van de vrijheid van de regio’s.
Hij was bang dat anders meer republieken het voorbeeld
van Tsjetsjenië zouden volgen.
Hij bond bovendien de
strijd aan met de oligarchen, de mensen die onder Jeltsin
niet op legale wijze grote rijkdom
hadden vergaard.
Poetin kreeg een steuntje in de rug van de snel
verbeterende economie, dankzij de devaluatie van de
roebel en stijging van de olieprijzen. Toch waren de
oude problemen nog even groot: bureaucratie, corruptie,
een verouderde infrastructuur, slecht management en te
weinig buitenlandse investeringen. Door tekort aan geld
ging de kwaliteit van de gezondheidszorg en het
onderwijs steeds verder achteruit.
Op 23 oktober 2002 eiste het probleem Tsjetsjenië weer
alle aandacht. 50 Tsjetsjeense rebellen overvielen een
theater in
Moskou en gijzelden meer dan 750 bezoekers. Na 58
uur maakten Russische commando's een eind aan de
gijzeling. Meer dan 120 gijzelaars vonden daarbij de
dood.
Onder de Russen bleef Poetin populair, niet in de
laatste plaats omdat de economie elk jaar een gezonde
groei vertoonde. Politieke tegenstanders hadden ook
weinig kans tegen Poetin; hij snoerde ze gewoon de mond. Michail Chodorkovski werd beticht van belastingfraude en
gearresteerd. Een andere oligarch, Boris Berezovski, zag
de bui hangen en vluchtte het land uit.
Daarnaast voerde Poetin diverse strafzaken tegen
kritische journalisten. In januari 2003 werd TV6, het
laatste onafhankelijke televisiestation, gesloten.
Kranten, radio en tv passen in toenemende mate
zelfcensuur toe.
Poetin werd in 2004 herkozen als president. Wij
steunen de heer Poetin wel , door zijn handelwijze
is wel de rust hersteld.
Er is nog veel werk te doen door de nieuwe regering van
Rusland in 2008. Alles over Rusland kunt u
hier lezen:
Wij zijn het echter niet geheel eens met de zienswijzen
http://www.voorbeginners.info/rusland/geografie.htm
Het Ontstaan van Industriële Samenlevingen
Rusland: Politiek- institutionele voorwaarden
Twee vragen:
- Waarom was Rusland bij Europa achtergebleven en
waaruit bestond die achterstand?
- Waarom ontwikkelde zich in Rusland reeds zo
vroeg een machtige staat en in welke opzichten
verschilde die van westerse staatsvormen?
Rusland voor 1500: van voorsprong naar achterstand
Eerste Russische staat: het Rijk van Kiev-Roes
(800-1100). Voorsprong op Europa door handel met
buitenland. Grootvorst was koopman
à verband tussen
staatkundige en economische macht, karakteristiek voor
R. Verval toen de Middellandse Zee weer bevaarbaar werd
à rechtstreeks contact
W.Eur. met Levant. R viel uiteen in deelvorstendommen,
uitzondering Novgorod, Hanze stadstaat. Rond 1100 nog
geen blijvende achterstand. Verschil R en het westen: R
Grieks-orthodox, niet rk. Geen kennis van de klassieke
oudheid. Geen universiteiten. Geen conflict tussen
keizer en paus. Wel invloed van Byzantijnse tradities,
macht kerk ondergeschikt aan die van de staat.
Afwezigheid feodalisme. Adel niet gebonden aan vorst.
Geen lijfeigenschap. Na uiteenvallen Rijk van Kiev:
Novgorod zelfstandige stadstaat, burgers aan de macht.
In andere gebieden nam de macht van de vorst toe. De
vorst zag de staat als zijn patrimonium (vottsjina,
afgeleid van ‘vader’), vaderlijk erfdeel,
onvervreemdbaar bezit. Opkomst aristocratische elite,
bood weerstand aan vorst, macht gebaseerd op grondbezit.
Deze vermenging van democratische, aristocratische en
monarchale elementen laat zien dat R niet in alles
afweek van het middeleeuwse westen. Niet het verval van
het Rijk van Kiev veroorzaakte de achterstand van R op
het westen, maar de Mongoolse overheersing (1250-1450).
Door uiteenvallen Rijk geen effectieve verdediging tegen
Mongolen. Deze richtten grote verwoestingen aan, land
verarmde, bevolkingsgroei stagneerde. Cultureel
isolement.
Opkomst Moskou, in 1480 onafhankelijk van de
Mongolen. Val van Byzantium in 1453
à de grootvorst van Moskou
en de metropoliet van de orthodoxe kerk beschouwden zich
als erfgenamen van het Oost-romeinse rijk. Grootvorst –
tsaar (van caesar, keizer), metropoliet –
patriarch. Moskou ontwikkelde zich als de grootste en
machtigste staten van O.Eur. Moskovische autocratie
kende al in de 15e eeuw een effectieve en krachtige vorm
van gecentraliseerd staatsgezag. Feodalisering na 1650.
Russen geen staatsburgers, maar onvrije onderdanen,
opgesloten binnen hun stand. Pas veranderd in de 2e
helft vd 19e eeuw. Na 1850 verzet tegen autocratie. Pas
door de nederlagen in WO I raakte de autocratie in
diskrediet, tsaar gedwongen tot aftreden. Daarna
Sovjetdictatuur, bestaansgrond gelegen in noodzaak van
hervorming en modernisering. (overeenkomsten en
verschillen vorstelijk absolutisme R – W.Eur.: opg.
11.2)
Autocratie en modernisering (1500-1725)
Permanente staat van oorlog drukte zwaar stempel op
politiek en economie. Middelen voor oorlog uit land en
volk. Armoede leidde tot despotie en oorlog en deze
hielden weer de armoede in stand. Pas in de 18e eeuw
werden machtsaanspraken vd adel ingeperkt, adel kreeg
vaste plaats in de samenleving. Compromis adel en tsaar:
adel kreeg absolute zeggenschap over boeren. Adel nodig
voor leger en inning belastingen op platteland. Boeren
voor adel bron van inkomsten. Boeren na 1500 niet meer
dan slaven, toenemend aan grond gebonden. Lage
agrarische productiviteit. Steden: groei handel en
nijverheid geremd door verplichtingen die aan steden
werden opgelegd. Weinig sociale mobiliteit. Geen gilden,
burgers kregen geen greep op het economisch leven.
Eerste industrieën: ijzer- en wapenindustrie (17e
eeuw) = 1e ‘industriële revolutie’. Op initiatief van de
overheid: trok buitenlandse experts aan, verschafte
kapitaal, inschakeling bevolking (als dwangarbeiders en
lijfeigenen), trad zelf op als ondernemer en als afnemer
van de productie.
Peter de Grote (1689-1725): onder zijn leiding werd
de staat de motor achter een modernisering op alle
gebieden. Rusland versloeg Zweden
à R kreeg status van grote mogendheid.
Hervormingen: leger uitgebreid en gemoderniseerd.
Vorming oorlogsvloot, verovering Baltische kust (Riga).
Stichting St.Petersburg (1703), 2e belangrijke haven aan
de Oostzee. Hervorming landsregering en lokaal bestuur
voor betere belastinginning. Trok buitenlandse
deskundigen aan, zond adel naar het westen voor
opleiding. Oprichting instellingen voor hoger en
technisch onderwijs. Staatsambten toegankelijk gemaakt
voor mensen van lage afkomst. Economische politiek:
mercantilistisch. Hoge invoerrechten, eigen nijverheid
beschermd. Bevordering industrialisering (wel primitieve
productietechnieken). Dwangarbeid. Helft bedrijven
eigendom van de staat. Industrieel succes in mijnbouw,
hoogovens en wapenindustrie.
Van Peter de Grote naar Alexander II
Rusland maakte onder Peter de Grote binnen 30 jaar
een grote sprong voorwaarts, maar dit vroeg grote
offers: hoge belastingen, militaire dienstplicht,
dwangarbeid, verscherpte lijfeigenschap. Men reageerde
met corruptie, desertie, vlucht en opstand. Ook
passieve, conservatieve houding vd bevolking tov de
moderniseringspolitiek vd staat. Modernisering op
initiatief vd bevolking bleef uit. Inefficiënt
ambtenaren-apparaat. Kloof tussen adel en volk. Geen
sociale mobiliteit à
ontstaan van moderne klassensamenleving vertraagd. Dus:
Peters hervormingen wekte weerzin op onder alle
bevolkingslagen. Hervormingen na 1725 minder omvattend,
met minder geweld gepaard gaand. Noodzaak tot drastische
hervomingen pas na de nederlaag van R in de Krimoorlog
(1854-1856). Voordien gold R als de sterkste militaire
mogendheid. In W.Eur angst voor Russische overheersing.
Ten gevolge van de nederlaag zag men noodzaak tot
hervorming met als belangrijkste element een kunstmatig
verwekte industriële revolutie.
Rusland in die tijd niet als achterlijk gezien: er
bestond bewondering voor R (1e helft 19e eeuw).
Verbetering ontwikkeling vd bevolking (universiteiten,
scholen). Ook economische ontwikkeling. Regionale
specialisatie tussen agrarische zuiden en industriële
noorden. Bevolkingsgroei van 15 naar 60 miljoen tussen
1725-1860. Opheffing binnenlandse tollen
à toename handel.
Bescherming inheemse nijverheid. Veel kleine fabrieken.
Beoordeling industriële groei voor 1860: verschil van
mening onder historici, geen groei – wel industriële
revolutie voor 1860. Nu: daar tussenin. Weinig groei in
vergelijking met W.Eur. Lage mechaniserings-graad.
Gebrekkige infrastructuur. Nauwelijks kolenwinning. Lage
kwaliteit producten als gevolg van lage scholingsgraad
arbeiders: dit waren ongeschoolde lijfeigenen, dus geen
arbeidersklasse. Er bestond ook geen ondernemersklasse.
Ontbreken leidinggevende en ondernemende bourgeoisie.
Achterblijven verstedelijking, bevolkingsexplosie op
platteland. Gebrek aan kapitaal. Hoge belastingdruk.
Geen bankwezen. Kortom: er waren wel factoren aanwezig
voor een industriële revolutie, maar succes hing af van
initiatieven vd staat.
1e helft 19e eeuw: besef van achterstand. Debat
tussen progressieven (bekwame topambtenaren, rijke adel;
kleine groep) en conservatieven (grote groep): tegen
liberalisatie en industrialisering. Tegen import van
democratische ideeën. Reactionaire ideologie:
onbelemmerd autocratisch gezag, geschraagd door
welvarende, harmonische en schone agrarische economie en
stabiele sociale verhoudingen. Bescherming door leger,
het orthodoxe geloof en het anti-modernistische karakter
van de Rus. Werd staatsideologie onder Nicolaas I
(1825-1855). Leus: autocratie, orthodoxie en volksaard.
Reactie: er ontstond een revolutionaire intelligentsia,
voorstander van socialisme, maar tegen
industrialisering. Voorstanders van bevrijding van de
boeren, verheerlijking mir (dorpsgemeenschap).
Nicolaas I durfde echter de afschaffing van het
lijfeigenschap niet aan.
Modernisering en industrialisering (1850-1914)
Krimoorlog tegen Eng en Fr (1854-1856): R bleek niet
langer de sterkste militaire macht. Modernisering nodig.
De hervormingen onder Alexander II (1855-1881)
Vermindering restricties op reizen naar het
buitenland en op het aantal studenten dat tot de
universiteiten werd toegelaten. Boeren bevrijd uit
lijfeigenschap in 1861. Hervorming leger, rechtspraak,
lokale bestuur en staatsfinanciën. Onderwijs vrijer,
censuur afgezwakt. Emancipatie van de boeren tegen de
wil van de adel à
Alexander moest rekening houden met belangen van de
adel. Bevrijding boeren leidde tot ondergraving van de
autocratie. Boeren konden niet langer door de staat
massaal gemobiliseerd en ge-exploiteerd worden. Dus
ontfeodalisering leidde tot beperking van de macht van
de staat en tot toenemende politieke instabiliteit.
Compensaties voor de adel: 30.000 edellieden kregen 95
miljoen hectare van de beste landbouwgrond, de boeren
moesten de grond die zij bewerkten van hun voormalige
meesters kopen. De staat verstrekte leningen hiertoe,
maar de boeren konden de aflossingen vaak niet betalen
à dorpsgemeen-schap
verantwoordelijk à boeren
gevangen in de mir à
vrije arbeidsmarkt kon niet ontstaan.
Nieuw orgaan voor lokaal bestuur: de zemstvo (vgl
prov.staten, gemeenteraad): gekozen vertegen-woordigers
van steden, boerendorpen en grootgrondbezitters.
Bevoegdheden beperkt. Belangrijk werk op gebied van
wegenaanleg, onderwijs, veterinaire zorg en vergroting
van agronomische deskundigheid. Sociale gezondheidszorg
met gratis medische behandeling.
Hervoming rechtspraak: benoeming onafhankelijke
rechters, instelling juryrechtspraak, ontstaan
advocatenstand. R werd bijna een rechtsstaat
à belang voor
modernisering ook op economisch gebied.
Reactie en modernisering onder Alexander III
(1881-1894)
Progressieven aanvankelijk enthousiast over
hervormingen, maar al snel teleurgesteld. Zemstvo
werden broeinesten van politieke oppositie. Men eiste
volksvertegenwoordiging op nationaal niveau. Radicaler
was het studentenprotest: narodniki (narod
= ‘volk’), hun ideaal: socialisme met vrije
boerencommunes. Maar zij kregen de boeren niet zover om
in opstand te komen. Revolutie bleef uit. Alexander II
vermoord. Zijn zoon probeerde de autocratie te
herstellen. Kondigde ‘tijdelijke maatregelen’ af om orde
te handhaven. Bleven van kracht, dus soort staat van
beleg. Revolutionaire beweging neergeslagen door
staatspolitie. Verscherping censuur, universiteiten
verloren autonomie. Benoeming landdrosten
à versterking greep van
centrale overheid op lokaal bestuur en boeren. Adel
hersteld in traditionele rol. Sociale mobiliteit
verkleind. Economische groei: industriële spurt in de
jaren 90 (achteraf de eerste echte industriële
revolutie). De staat nam de leiding over de economie op
zich. Maar financiële problemen van overheid bleven
bestaan. Afhankelijk van buitenlandse leningen.
Tegenvallers: oorlog tegen Turkije in 1877
à fianciële chaos;
hongersnood van 1891-1892, gevolg van de hoge indirecte
belastingen voor de boeren, gecombineerd met hoge
graanexporten.
Nieuwe minister van financiën (1892-1903): graaf
Witte. Maakte aanleg spoorwegen tot spil van
industri-aliseringspolitiek. Gefinancierd door hoge
invoerrechten, hoge indirecte belastingen, grote
buitenlandse leningen, een zo evenwichtig mogelijke
begroting, stabiele roebel. Overgang op gouden standaard
à geldverkeer tussen R en
de rest van de wereld vergemakkelijkt. Hij brak met de
aristocratische, conservatieve, agrarisch en
militaristisch getinte tradities van de bureaucratische
elite. Maar hij bleef een conservatieve patriot en
aanhanger van de autocratie. Het campagne-achtige
karakter van de industrialisering en modernisering door
de staat bleef. Vele tegenstrijdigheden in zijn beleid,
nam grote risico’s. Afhankelijkheid van het buitenland
(R semi-kolonie). Maar sterke vooruitgang van de
industrie onder Witte. Nieuwe industrieën vaak modern en
grootschalig. Schaarste aan kapitaal, aan goede
ondernemers en aan hoogwaardige technische kennis dwong
tot concentratie.
Een door de staat afgedwongen en geforceerde
modernisering roept tegenkrachten op
à val Witte in 1903. Zijn
politiek was desastreus voor de boeren: hoge belastingen
op gebruiksartikelen dwong de boeren tot verkoop van
zoveel mogelijk graan; graanprijs fluctueerde echter
doordat R afhankelijk geworden was van de internationale
markt. Hoge invoerrechten op landbouwwerktuigen uit
buitenland, de meeste boeren konden deze niet
aanschaffen à
landbouwproductie bleef laag. Verpaupering van de
boeren, dus geen afzetmarkt voor nijverheidsproducten.
Economische positie vd adel liep eveneens terug.
Publieke opinie vijandig tov Witte. Twee kampen:
liberaal-socialistische vleugel, aangevoerd door
progressieve intelligentsia (deel adel en burgerij),
wilde autocratie afschaffen en constitutionele monarchie
invoeren. Conservatief-reactionaire vleugel (deel
burgerij en adel): voor autocratie, tegen verwestersing
en modernisering; verdedigers van de traditionele
Russische waarden en van het ‘gewone volk’. Deze groep
kreeg de meeste invloed.
Het einde van de autocratie
Alexander III opgevolgd door Nicolaas II in 1894,
wilde autocratie handhaven. 1904: Russisch-Japanse
oorlog, nederlaag voor R in 1905. Revolutie in 1905.
Tsarisme niet ten val gebracht, maar wel instelling
parlement (Doema) en uitvaardiging constitutie.
Het systeem van Witte had de fricties in de samenleving
vergroot en de kloof tussen staat en maatschappij
verbreed. Bevoegdheden Doema gering. Repressie door de
overheid in stad en op platteland. Revolutie van 1905 in
feite mislukt. Maar tegelijkertijd groeide er op een
aantal gebieden een zekere samenwerking tussen
overheidsbureaucratie en diverse maatschappelijke
groeperingen. Grotere persvrijheid. Invloed publieke
opinie nam toe. Oprichting vakbonden op beperkte schaal.
Nieuwe sterke man: Stolypin (1e minister 1906-1911).
Onderdrukte de onlusten op het platteland, elimineerde
de revolutionaire beweging. Richtte zich niet op de
bevordering van de industrie, maar probeerde de
agrarische misère op te lossen dmv opheffing van de
mir. In de dorpsgemeenschappen werd elk jaar de
grond herverdeeld over de families naar rato van hun
arbeidskrachten à
versnippering grond, lagere opbrengsten en grotere
armoede. Hij wilde de peasants omvormen tot
farmers met moderne agrarische
eigendomsverhoudingen. Het was de bedoeling dat de
boeren-kapitalisten de steunpilaar zou gaan vormen voor
het tsaristisch regime. Door omzetten van communaal
grondbezit in kapitalistisch eigendom een halt toeroepen
aan afbrokkeling grondbezit. Schafte ook de aflossingen
af die de boeren sinds 1861 aan de staat moesten betalen
voor verwerving van grond. Belastingdruk verminderd.
Oprichting boerenleenbank. Juridische ongelijkheid
ongedaan gemaakt. Macht landdrosten terug gebracht. Meer
onderwijs op platteland. Effecten: hogere opbrengsten,
stijging landbouwproducten à
hogere welvaart. Nadelen: de arme boeren werden nog
armer. In 1917 zouden armoede en klassenhaat de
aanleiding vormen voor de laatste boerenopstand in R en
in Europa. De boeren versnipperden de grond weer en
deden alle hervormingen teniet; zij werden weer
peasants.
Ontwikkeling vd industrie tussen 1906-1914: de
economische crisis van 1900 en de grote arbeidsonrust in
1905 hadden een terugslag betekend voor de industrie. De
olie-industrie kreeg een gevoelige klap. Maar in de
meeste fabrieken keerde de rust weer terug. Het bleek
dat de industrie ook zonder de overheid kon. Groei: 6%
per jaar. Lichte industrie werd van groter belang. Als
geheel bleven de ondernemingen gekenmerkt door
massaliteit en concentratie. Veel trusts die gehele
takken beheersten. Banken verschaften kapitaal.
Historicus Gerschenkron: ontwikkeling volgens westers
patroon. Historici zeggen dat hij de rol vd banken in Fr
en Eng overschat. Vergelijking met westen gaat niet op:
banden tussen Russische banken en de staat zeer hecht. R
zeer afhankelijk gebleven van buitenlands kapitaal,
waarmee 1/3 vd industrie gefinancierd werd. R bleef een
zeer arm land. Modernisering had politieke en sociale
instabiliteit tot gevolg. Veel opstanden van arbeiders.
Door WO I verstomde het arbeidersprotest. Dus deze
periode blijft voor historici een puzzel. Strijdvraag:
was de revolutie van 1917 onvermijdelijk? Er speelden
ook externe factoren mee, nl WO I. R’s deelname aan WO I
was mede het gevolg van nationalisme. WO I kan niet
uitsluitend als externe factor worden beschouwd, omdat
dit nationalisme voorkwam uit het politiek bewustzijn
dat door de modernisering bij grote groepen vd bevolking
tot leven was gewekt.
Conclusie: blz. 287-288
Tsaren:
Ivan IV (de Verschrikkelijke) 1533-1584
Peter I (de Grote) 1689-1725
Catharina II (de Grote) 1762-1792
Nicolaas I 1825-1855
Alexander II 1855-1881
Alexander III 1881-1894
Nicolaas II 1894-1917
|