|
Carnaval plaatsen in
Nederland
Algemene
omschrijving
Het tijdstip van de viering van carnaval is afhankelijk van de wisselende datum waarop Pasen jaarlijks wordt gevierd. De zevende zondag voorafgaande aan Paaszondag is carnavalszondag. Het carnaval is een feest dat vooral in de provincies Limburg en Noord-Brabant drie dagen lang het dagelijks leven in zijn greep heeft. Op carnavalszaterdag of -zondag nemen de vele Prinsen Carnaval voor drie dagen op rituele wijze de macht van de burgerlijke autoriteiten over in dorpen en steden (de machtsoverdracht of sleuteloverdracht) en vieren met hun onderdanen, de carnavalsvierders, de tijdelijke vestiging van hun narrenrijk. Carnavalsvierders verkleden zich in een door hun gewenste uitdossing en nemen in een driedaagse carnavalsroes bezit van de straat en de café’s. Ook zoeken ze elkaar op in feestzalen. De feestlocaties zijn versierd met maskers en serpentines en de feestmuziek bestaat uit carnavalsrepertoire. Op één van de drie carnavalsdagen trekt de optocht door de straten, de zegetocht van Prins Carnaval. Op carnavalsdinsdag rond middernacht wordt in veel plaatsen in een collectief afsluitingsritueel afscheid genomen van het narrenrijk en zijn Prins. Carnavalsmascottes en symbolen worden dan verbrand, begraven of verdronken. Op aswoensdag wordt het dagelijkse leven weer opgepakt. Het jaarlijks terugkerende carnavalsspel voltrekt zich in een opeenvolging van vaststaande rituelen en wordt georganiseerd door de vele carnavalsverenigingen in Nederland. Aan de carnavalsdagen gaat een periode vooraf, het zogenaamde 'voorseizoen', die begint op 11 november. In het voorseizoen wordt de machtsovername van Prins Carnaval op de eerste carnavalsdag voorbereid. Prins Carnaval verschijnt dan ten tonele, er worden zittingen georganiseerd waar de burgerlijke autoriteiten op de korrel worden genomen, vaak wordt een carnavalslied tot volkslied van dat jaar uitgekozen en de carnavalsstemming wordt opgebouwd. Geschiedenis In de zeventiende eeuw krijgt de term 'carnaval' in Europa de overhand voor feesten die zich kenmerken door vermommingen, ommegangen, de instelling van een spotheerschappij met een eigen hiërarchie en uitbundig eten en drinken. In de middeleeuwen sprak men van de vastenavondviering, waarin men nog één keer luidruchtig kon feestvieren met veel spijs en drank om vervolgens vanaf aswoensdag de rooms-katholieke vastentijd in te gaan als voorbereiding op Pasen. In één van de verklaringen voor het woord 'carnaval' wordt de relatie tussen dit uitbundige feest en de daarop volgende vasten gelegd: carne vale betekent vlees vaarwel. Een andere verklaring voor het woord bestaat uit de veronderstelde afleiding van carrus navalis, een scheepswagen die in de vastenavondtijd door de straten werd getrokken met aan boord vermomde vierders. Zoals bij zoveel gebruiken wordt bij het carnaval een relatie gelegd tussen het moderne naoorlogse feest en vergelijkbare verschijningsvormen van feesten in een liefst ver verleden. De meeste populaire studies over het carnaval beginnen met een historisch overzicht dat tot ver vóór Christus teruggaat. Maskerades, de tijdelijke opheffing van de sociale ongelijkheid, het instellen van een korte periode van chaos en uit het volk aangestelde schertskoningen die enkele dagen heersen; dit soort feestrituelen kwam in het oude Babylon, in Mesopotomië en Egypte, bij de Grieken, de Romeinen en de Germanen al voor. In de historische verankering van het carnavalsfeest zijn grofweg twee stromingen te onderscheiden. Op de eerste plaats is er de visie op het feest als een van oorsprong heidens lentefeest met vruchtbaarheidsrituelen. Koning Winter moest worden verdreven zodat de vruchtbaarheid na de winter terug kon keren. In de middeleeuwen zou de katholieke kerk dit heidense feest gekerstend hebben en opgenomen in de liturgische jaarkalender. Een tweede ‘oorsprongs’-verhaal gaat uit van de katholieke Kerk als initiatiefnemer. Zij zou het feest in de Middeleeuwen hebben ingesteld als overgangsritueel om de drempel naar de veertigdaagse vasten vóór Pasen te verlagen. De vastentijd wordt voorafgegaan door een anti-schepping (carnaval) om zodoende de afkeuring van een leven met een puur aards karakter op te wekken. Door de gewone mensen enkele dagen heel concreet en aanschouwelijk te tonen én te laten ervaren wat het betekent als de duivel, heksen, narren, de anti-christ en het eigenzinnige in de mens regeren, had het feest een opvoedende functie voor de zogenoemde ‘gewone gelovigen’. Een belangrijke vertegenwoordiger van deze stroming is de Duitse volkskundige D.R. Moser. (kommentaar Glaozigen Errepul: dit laatste lijkt mij grote flauwekul:) Carnaval vanaf de zestiende eeuw in Nederland In de zestiende eeuw kwam aan de openbare en massale carnavalsviering uit de Middeleeuwen een eind. De scheuring binnen het christendom als gevolg van de Reformatie, leidde tot een religieuze tweedeling op het grondgebied van het huidige Nederland: boven de rivieren Maas en Rijn werd het protestantisme het dominante geloof; in de gebieden die tegenwoordig de provincies Limburg en Noord-Brabant beslaan, bleef het katholieke geloof dominant. In het na de Reformatie overwegend protestantse deel van het huidige Nederland verdween de openbare vastenavondviering uit het straatbeeld. De vastenavond werd geduid als een ‘Roomsche superstitie’ en met verboden de kop in gedrukt. Echter, ook in het katholieke zuiden nam de deelname aan het feest af. Zonder te ontkennen dat in het huidige carnaval herkenbare verschijningsvormen uit het verleden zitten, kan worden gesteld dat het feest zoals wij het nu kennen betrekkelijk jong is. Met uitzondering van een aantal plaatsen in Limburg en Noord-Brabant waar in de negentiende eeuw de organisatie van carnavalsvieringen weer werd opgepakt, is de overgrote meerderheid van de carnavalsverenigingen opgericht na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren vijftig van de twintigste eeuw bleef de viering, op enkele uitzonderingen na, nog beperkt tot de zuidelijke provincies Limburg en Noord-Brabant, waar het merendeel van de bevolking katholiek was. In de loop van de jaren zestig kwam de relatief sterke afbakening tussen het katholieke zuiden aan de ene kant en het calvinistische westen en noorden van Nederland aan de andere kant op de helling te staan. Het carnaval overschreed vanaf deze jaren de grens van de ‘grote rivieren’, de Maas en de Rijn. Aan het einde van de twintigste eeuw komt men in alle provincies van Nederland carnavalsverenigingen tegen die zich actief inzetten voor de organisatie van het feest. Variatie in de carnavalsvieringen Het carnaval kenmerkt zich door een grote mate van variatie in de verschijningsvorm en de inhoud. In een vergelijking tussen bijvoorbeeld het carnaval in Rio de Janeiro, Venetië, Keulen, Maastricht en het zomercarnaval in Rotterdam wordt dat meteen duidelijk. Ook het tijdstip van de viering is een minder uniform gegeven dan in eerste instantie wellicht wordt gedacht. Zo spreekt men in Nederland van een carnavalsseizoen dat aanvangt op 11 november en eindigt op aswoensdag. In België is het carnavalsseizoen langer, getuige halfvastenvieringen en carnavalsfeesten op de zondag na aswoensdag. In het Zwitserse Bazel viert men carnaval in het weekend ná aswoensdag. En op Malta is de naoorlogse carnavalsviering zelfs volledig losgekoppeld van de traditionele carnavalsdagen vóór aswoensdag: daar wordt carnaval gevierd in de tweede week van mei. Met betrekking tot de verschijningsvorm van het carnaval treden in een onderlinge vergelijking tussen Limburg en Noord-Brabant ook duidelijke verschillen naar voren. Zo nemen veel Brabantse gemeenten tijdens de carnavalsdagen een carnavalsnaam aan: Den Bosch wordt Oeteldonk, Bergen op Zoom verandert in Krabbegat en Breda heet Kielegat. In Limburg komen deze naamsveranderingen slechts bij uitzondering voor. Een Prins Carnaval is weliswaar een algemeen verschijnsel, maar de invulling van deze carnavaleske functie is niet overal dezelfde. In Limburg kan deze functie slechts één seizoen door dezelfde persoon bekleed worden. In Brabant kan deze schertsfiguur jarenlang door dezelfde persoon worden vertolkt. Worden de Prinsen in Limburg bijgestaan door een Raad van Elf, in Noord-Brabant luisteren vergelijkbare groepen naar namen als ‘Boere Parlement’ (Den Bosch) of de ‘Leutige Ploeg’ (Bergen op Zoom). Naast landelijke en provinciale variaties is de diversiteit in carnavalsrituelen ook per stad of dorp groot. In de vele jubileumboeken van plaatselijke carnavalsverenigingen worden de lokale rituelen beschreven.
Het prille begin
Dat carnaval al lang, heel lang bestaat zal niemand wel in twijfel trekken. Waar wel discussie over is, is over de eigenlijke oorsprong van het carnaval en carnavalogen zijn daarover nog steeds niet eens geworden. Als we alle theorieen op een hoop gooien en daaruit dan de gelijkenissen distileren en aan elkaar toetsen komen we tot de vaststelling dat Carnaval een soort smeltkroes is van heidense en godsdienstige rituelen, die zo niet het nieuwe jaar dan toch een nieuwe lente inluiden (met zo niet een nieuw dan toch in inder geval veel geluid). Al in 2600 voor Christus werd in Mesopotamie een soort nieuwjaarsfeest georganiseerd waarbij een misdadiger voor een dag tot koning werd gekroond, feestelijk werd rond gevoerd in een boot op wielen, en dan al even feestelijk werd terechtgesteld. Nil novi sub sole, niks nieuws onder de zon: vandaag wordt nog steeds met praalwagens rondgereden, een Prins Carnaval verkozen en een pop (die Prins Carnaval moet voorstellen) feestelijk in brand gestoken. In latere culturen vinden we veel dan deze elementen terug. Zo werd in het oude Egypte gedurende de laatste 5 dagen van het jaar niets ernstigs meer ondernomen om de Goden niet te misgenoegen en werd er op 21 December een houten stier op wiel voorgetrokken onder het zingen van obscene liederen. In die stoet werden ook nog reuze fallussen meegedragen, dit alles ter verering van de vruchtbaarheid. In Griekenland vierden ze iets gelijkaardigs op 21 maart. De zinnelijke God Dionysus werd er rondgereden op een wagenschip vanwaaruit versnaperingen naar de toeschouwers werden gegooid. Dankzij het sjoemelen met de kalender door de Romeinen gingen al die feesten rond Nieuwjaar samenvallen met het begin van de lente. Julius Caesar verschoof immers de nieuwjaarsdatum naar 1 januari. Vandaar dat bijvoorbeeld oktober, de achtste maand, nu de tiende maand werd, november de elfde ipv de negende maand, enz. De eindejaarsfeesten grepen van dan af plaats op het einde van februari. De Romeinse keizer had er evenwel niet aan gedacht dat je de kalender zoveel kan veranderen als je maar wil, maar dat seizoenen daar geen rekening mee houden. De Saturnaliafeesten moesten volgens de nieuwe kalender rond 1 januari plaatshebben, maar dat ging niet omdat die feesten de zaaiperiode inluidden en je kan bezwaarlijk het kostbare zaad aan de hardbevroren aarde toevertrouwen. Van dan af hebben wij lekker twee redenen om te feesten: zowel Nieuwjaar en Carnaval (het begin van de lente). Tijdens de Saturnaliafeesten werden de slaven vrijgelaten en mochten ze een week lang hun bazen treiteren. Het ligt voor de hand dat ze dat liever incognito deden en maskers gingen dragen. Bij die gelegenheid werd eveneens een schijnkoning verkozen. Carrus Navalis of Carne Vale Ook de Germanen en de kelten kenden een soort Carnaval, compleet met een schip op wielen (alweer) en een stoet gemaskerde mensen. Verder van ons vandaan vieren ook de Maya's, de Chinezen en de Afrikaanse volkeren hun versie van de feesten rond het wisselen van de seizoenen, waarna we langzamerhand bij onze eigen Middeleeuwen zijn beland. Tijdens de Middeleeuwen zag de kerk met lede ogen al dat heidens gedoe aan en ze slaagde er maar niet in om narrenfeesten en andere uitspattingen bij het begin van de lente onder de knoet te houden. Vandaar dan uiteindelijk het lumineuze idee om die feesten een religieus tintje te geven en als het ware te institutionaliseren: Carnaval werd van dan af op de vooravond van de vastenperiode gevierd en was de laatste gelegenheid om nog eens flink te schransen. Duidelijk een drogreden, want het vlees kon toch niet langer bewaard worden omdat het ijs in de koelkelders bij het begin van de lente begon af te smelten. De voorraad van het bewaarde vlees moest dus zo vlug mogelijk op en daaruit volgt een mogelijke verklaring van het woord Carnaval: "Carne Vale", "Carrus Navalis" heet. De historic zijn het hier duidelijk niet eens. De spraakverwarring wordt dan helemaal compleet als met de reformatie de vasten wordt afgeschaft, Carnaval en kerk plots weer niets meer met elkaar te maken hebben. Het enige wat van die binding uiteindelijk overbleef was de datum voor Carnaval, die zijn oorsprong in de kerkelijke calender vond en bleef samenvallen met de vooravond van de vasten. Waaruit volgt dat de carnavaldinsdag ten vroegste op 4 februari en ten laatste op 9 maart valt. Voor wie carnaval dan weer niet vroeg genoeg kan vallen, kunnen we alvast het jaar 2008 aanbevelen: 3 tot 5 februari worden de vroegste carnavaldata in de eerste 25 jaar.
In veel landen komt eenmaal per jaar de
„carnavalsgeest" boven. De festiviteiten duren gewoonlijk van de
zaterdag tot de dinsdag voor Aswoensdag, de eerste dag van de
Grote Vasten. In de Verenigde Staten is de populairste
carnavalsviering die van New Orleans, die bekendstaat als Mardi
Gras (Frans voor „Vette Dinsdag", aangezien volgens het gebruik
al het vet in huis werd opgemaakt voordat de Grote Vasten
begon). Carnaval is ook een traditionele viering in veel
Europese en Zuidamerikaanse steden: Parijs, Nice, Rome, Venetië,
München, Rio de Janeiro, Buenos Aires, om er maar een paar te
noemen. Maar, zoals de Delta Larousse encyclopedie (Portugese
editie) opmerkt, „die in Rio de Janeiro wordt als de levendigste
beschouwd".
Carnaval: „Het feest is . . . waarschijnlijk een vermenging van een Romeins lente- en een Germaans offerfeest." — Grote Winkler Prins Encyclopedie, Deel 5, zesde druk, blz. 114. „De verste oorsprong van carnaval kan gezocht worden in godsdienstige gebruiken in de oudheid. . . . Het masker werd daarbij gebruikt als middel om boze geesten te verjagen." — Grote Nederlandse Larousse Encyclopedie, Deel 6, blz. 548. De Delta Larousse encyclopedie verklaart: „De oorsprong van carnaval heeft men gezocht in de oudste orgiastische vieringen van de mensheid, met inbegrip van de Romeinse Saturnaliën, die van religieuze aard zijn, de viering van de terugkomst van de lente, als symbool van de wedergeboorte van de natuur. Ook is men van de rituele oorsprong van de carnavalsmaskers te weten gekomen dat ze in verband stond met de aanbidding van de doden." Niemand weet zeker wat de oorsprong is van carnaval. De wortels ervan gaan diep terug in de geschiedenis, en er bestaan dan ook vele gissingen over. De Encyclopædia Britannica verklaart onder het trefwoord „Carnaval": „De afleiding van het woord is onzeker, hoewel het mogelijkerwijs teruggaat op het Middeleeuws-Latijnse carnem levare of carnelevarium, wat de betekenis heeft van het wegnemen of verwijderen van vlees. Dit stemt overeen met het feit dat carnaval de laatste viering is voor het begin van de sobere, 40 dagen durende Grote Vasten, waarin katholieken in vroeger tijden zich onthielden van het eten van vlees. De historische oorsprong van carnaval is ook in duister gehuld. Het heeft zijn oorsprong mogelijk in een primitieve viering ter ere van het begin van het nieuwe jaar en de wedergeboorte van de natuur, hoewel het ook mogelijk is dat de oorsprong van het carnaval in Italië in verband gebracht kan worden met het heidense feest van de Saturnaliën van het oude Rome." Volgens een Braziliaanse televisieproducer Cláudio Petraglia vindt het huidige carnaval „zijn oorsprong in de Dionysus- en Bacchusfeesten en is dat in feite het wezen van carnaval". De historicus Will Durant legt uit: „Een gezelschap mannen die de heilige phalli [symbool van het mannelijk geslachtsorgaan] droegen terwijl zij dithyramben [liederen] zongen ter ere van Dionysus, . . . vormde, in de Griekse terminologie, een komos of luidruchtige groep." Dionysus, in de Griekse mythologie de god van de wijn, werd later overgenomen door de Romeinen, die hem de naam Bacchus gaven. Maar de koppeling met ko'mos overleefde de naamsverandering. De bijbelgeleerde dr. James Macknight schrijft: ’Het woord ko'mois [een meervoudsvorm van ko'mos] komt van Comus, de god van feesten en uitspattingen. Deze uitspattingen vonden plaats ter ere van Bacchus, die om die reden Comastes werd genoemd.’ Tijdens de Griekse festiviteiten ter ere van Dionysus dronken volgens Durant menigten vierders „onbeperkt, en . . . vonden zij dengene die zijn verstand nooit kwijt wil raken onverstandig. Zij liepen in een wilde optocht, . . . en terwijl zij dronken en dansten vielen zij in een soort van delirium waarin alle banden geslaakt waren." In soortgelijke geest werd er op Romeinse feesten ter ere van Bacchus (de Bacchanalia genoemd) gedronken en wellustig gezongen en gemusiceerd; ze waren het toneel van „bijzonder schandelijke daden", schrijft Macknight. Uitzinnige menigten, zwaar drinken, wellustige dansen en muziek, en immorele seks vormden dus de basisingrediënten van Grieks-Romeinse uitspattingen. In The New Encyclopædia Britannica wordt verklaard dat carnaval in verband kan worden gebracht met het heidense Saturnaliafeest van het oude Rome.
Kleding
Hoe de carnavallisten zich toen verkleedden, is niet zo moeilijk te achterhalen. Krantenverslagen en vooral de processen-verbaal lichten vaak een tipje van de vastenavondsluier op. Het zal wellicht niet verbazen dat de arbeidersbevolking, de voornaamste deelnemers van het straatcarnaval, zich geen pralerige pakken konden veroorloven. Voor hen was het zich verkleden in afgedragen kleren van echtgenoot of echtgenote de goedkoopste oplossing. Dat het niet de bedoeling was hierbij fraai uit de hoek te komen werd al snel duidelijk. Door de economische crisis was dit voor de werklieden ook niet mogelijk. Men had vaak geen begrip voor de situatie van de arbeidersbevolking en beschreef hen als "onnoozele snullen in slordige en vuile kleedij omhuld". Het waren vooral mannen die afgedragen of versleten kleren van hun echtgenote aantrokken. Er verkleedden trouwens ook heel wat vrouwen zich in man. Slechts diegenen die het zich financieel konden permitteren huurden of kochten een kostuum. Gastenboek:
Carnaval, de vooravond van de veertigdaagse
vasten, die in rooms-katholieke landen n streken (Italië [Verona,
Viareggio], Frankrijk [Aix-en-Provence, Nice], de Rijnstreek
[Basel, Rosenmontag te Keulen], België [Aalst, Binche, Eupen],
in Nederland in Brabant en Limburg [Bergen op Zoom,
's-Hertogenbosch, Maastricht], voorts in Latijns-Amerika, waar
vooral Rio de Janeiro op het gebied van de carnavalviering
reputatie verworven heeft) feestelijk wordt gevierd, o.a. met de
intocht van prins Carnaval.
Het feest is van Italiaanse oorsprong en waarschijnlijk een vermenging van een Romeins lente- en een Germaans offerfeest. Een van de meest authentieke elementen is het dragen van maskers en vermommingen, vaak gebonden aan een streng traditioneel ritueel, als in Binche (België). De kerkelijke en wereldlijke overheid traden streng op tegen de uitspattingen die het feest meermalen deden ontaarden. De Reformatie keurde het af. Sinds de Tweede Wereldoorlog treedt een herleving van de carnavalviering op, die gepaard gaat met een groeiende commercialisering, en zijn de feestelijkheden in handen van carnavalverenigingen gekomen. Naar Duits voorbeeld worden in de meeste Nederlandse en Belgische carnavalsplaatsen prinsenverkiezingen georganiseerd en treedt een Raad van Elf (carnavalbestuur) op. Onder Rijnlandse invloed beginnen de voorbereidende activiteiten op 11 nov., om elf uur elf minuten. Overigens heeft een aantal carnavalvieringen niet langer op de vooravond van de vasten plaats. (vooral in Belgïe, in de weekends tussen carnaval en pasen) De oorsprong van het woord is onzeker. Men heeft het van Lat. carne vale (= vlees, vaarwel]) of van Ital. carne levare (= opruimen van het vlees) willen afleiden; ook heeft men gemeend dat het zou samenhangen met de carrus navalis (= scheepskar), het wagenschip dat in de lente in de Rijnstreek werd rondgetrokken. Deze laatste afleiding is evenals de eerstgenoemde stellig onjuist, die van carne levare (in 965 voor het eerst in Italië vermeld) is de meest waarschijnlijke.
Vasten
Vasten is een periode waarin bepaalde gerechten zoals vlees niet gegeten mogen worden. De vastentijd is door de kerk ingesteld en duurt zes weken van Aswoensdag tot Pasen. Je kunt begrijpen dat de mensen voor de vastentijd nog eens lekker wilde eten, drinken en feesten. Dat gebeurde op de avond voor de vasten, de vastenavond. Carnaval Sommige mensen zeggen dat de naam Carnaval eigenlijk uit twee woorden bestaat,Carne Vale en dat betekend afscheid van het vlees. Andere mensen beweren dat het woord Carnaval van het Duitse Faselnacht afgeleid is. Deze benaming verwijst naar een lentefeest. Het woord Carnaval komt volgens deze mensen af van de woorden Carrus Navalis, die scheepswagen betekenen. Bij verschillende volkeren speelden een schip op wielen namelijk een belangrijke rol bij de lentefeesten. Zelfs nu nog trekt de zogenaamde Blauwe schuit door het Duitse Rijnland ter inluiding van de Carnaval. Volksfeest Vastenavond was in de middeleeuwen een echt volksfeest. Een feest voor het hele volk. In de 18 een 19 eeeuw sprak men van een volks feest. Het woord volks wordt hier echter negatief bedoeld. De kerk, de overheid en de burgerij vonden het maar niks. In veel Limburgse dorpen trokken kinderen en volwassenen op de zondag voor de vasten van huis tot huis. Ze waren soms verkleed, zongen liedjes, speelden op de foekepot en bedelden. Zo zamelden ze spek en worst in , dat later thuis of in de herberg werd gebraden. Ze aten dat op en dronken daarbij veel bier. Ook de kinderen dronken bier. Soms werden er ook spelen georganiseerd zoals gansslaan of haring bijten. In sommige plaatsen werden deze spelen door de burgemeester verboden. Het gans slaan of gansrijden wordt nu nog op enkele plaatsen gedaan onder protest van de dierenliefhebbers. Het driedaagse durp wordt bevolkt door boeren en durskes die traditioneel gekleed gaan. De boerenkleding bestaat uit een blauwe kiel met rode zakdoek, grote witte wanten en een boerenpet. De durskes gaan gekleed in Meijerijse boerinnenkleding De Oeteldonkse driekleur dateert zeker uit het begin van deze eeuw. Hoe men tot de kleuren rood-wit-geel is gekomen is onbekend. De kleuren komen, weliswaar in een andere volgorde, voor in een vlag op het beroemde schilderij 'de strijd tussen carnaval en de vasten' van Pieter Breughel de Oudere (1530-1569) Het durp Oeteldonk omvat het grondgebied van de oude stad 's-Hertogenbosch. De voormalige gemeenten Empel, Engelen, Bokhoven en Rosmalen, die thans mede de gemeente 's-Hertogenbosch vormen, hebben ieder hun eigen bloeiend carnavalsleven.
Het dorp Oeteldonk heeft met elke zich
respecterende gemeente gemeen dat het een eigen wapen heeft en
een eigen vlag, met de kleuren rood-wit-geel.
Oeteldonk heeft ook een eigen volkslied. Het werd in 1884 gecomponeerd door Hannes Krassert (Theodoor van Wamel). De tekst is van veldwachter Driek Pakaon. Bij officiële gelegenheden, zoals de ontvangst van de Prins, wordt het nog alijd gezongen. Doorgaans wordt volstaan met het eerste van de drie coupletten.
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||