In een democratie hebben architectuur en politiek met elkaar gemeen dat ze gericht zijn op het verbeteren van de levensomstandigheden van mensen. De vraag “In wat voor samenleving willen wij leven” staat daarbij centraal. Dat is een moreel en cultureel vraagstuk, waarin de opvattingen over de vraag wat een menswaardig bestaan is steeds opnieuw overdenking verdienen. Een uitdijend Europa, positieve en negatieve gevolgen van globalisering, veranderingen in de bevolkingssamenstelling en in de leefwijzen in de steden, insluiting en uitsluiting van bevolkingsgroepen, herstructurering van de agrarische sector en milieuvraagstukken bepalen momenteel de agenda
De ruimtelijke vertaling van opvattingen over de samenleving veronderstelt het maken van beargumenteerde keuzes ten aanzien van de verschillende claims op het gebruik en de toe-eigening van de ruimte. Doel is zowel figuurlijk als letterlijk ruimte te creëren voor verschillende levenswijzen die uiting geven aan de culturele diversiteit die eigen is aan een open samenleving. Door de omgang met elkaar en door zich aan elkaar te spiegelen kunnen deze verschillende culturen elkaar verrijken. Hoe veranderlijk de huidige samenleving is blijkt uit de continue transformatie van stad en landschap. De Nota Ruimte legt de verantwoordelijkheid voor het aansturen van deze veranderingen meer dan voorheen bij provincies, regio’s, steden en particuliere organisaties. Dit veronderstelt dat al deze partijen een opvatting over de betekenis die stad en landschap voor de samenleving hebben. Ruimte maken is daarom altijd ook een culturele opgave.
Het creëren van ruimte voor de samenleving gaat iedereen aan ongeacht inkomen, godsdienst of afkomst. Nu de rijksoverheid aarzelend kiest voor sturing op hoofdlijnen zal men het draagvlak voor toekomstige veranderingen vooral op lokaal niveau organiseren. Door het vervagen van de grenzen tussen publiek en privaat opdrachtgeverschap zijn ontwerpers daarbij vaker gedwongen zelf ook te bepalen welke belangen met hun inbreng gediend zijn. Dit vereist dat zij zich engageren met de opgaven die zich voordoen en zich interesseren voor de maatschappelijke dynamiek waaruit deze voortkomen. Maar tegelijkertijd vraagt deze betrokkenheid een continue ontwikkeling van de eigen vakgebieden. Alleen op basis van de kennis en vaardigheden die behoren tot de eigen discipline is een zinvolle inbreng mogelijk in de overlegstructuren die noodzakelijk zijn om ruimtelijke interventies voor te bereiden en uit te voeren.
De noodzaak van een zorgvuldige omgang met de vele uiteenlopende opvattingen en belangen die de ruimtelijke inrichting betreffen maakt de ontwerpopgave zeer complex en stelt hoge eisen aan de kwaliteit van ruimtelijke interventies.De dichte opeenstapeling van functies moet immers haar neerslag vinden in een beweeglijk landschap, gelegen in de delta van enkele grote rivieren, aan de voet van Europa.
Binnen het kader van het architectuurbeleid heeft het Stimuleringsfonds de taak om de Regeling projectsubsidies Architectuur uit te voeren. Het fonds treedt op als co-financier van projecten die ondermeer afkomstig zijn van ontwerpbureaus, architectuurcentra, onderwijsinstellingen, overheden, particuliere opdrachtgevers en onderzoekers. Daarnaast beschikt het fonds over een gering bedrag om zelf initiatieven te kunnen nemen, daar waar specifieke beleidsdoelstellingen van het fonds te weinig aandacht krijgen.
Het fonds is ingebed in het beleid van het ministerie van OCenW, wat uitdrukking geeft aan het belang van de culturele inkadering van ruimtelijke vraagstukken. De ministeries OCenW en VROM stellen in de periode 2005-2008 in totaal ruim 13 miljoen euro beschikbaar voor het uitvoeren van de regeling. Deze interdepartementale samenwerking vormt de basis voor het Nederlandse architectuurbeleid, dat een verdere uitwerking krijgt in het begin 2005 te verschijnen Actieprogramma Cultuur en Ruimte.
In 2002 is ook de uitvoering van de Regeling projectsubsidies Belvedere aan het fonds toevertrouwd. Het Belvederebeleid beoogt de ruimtelijke veranderingen te verbijzonderen door in de transformatieopgaven de fysieke en immateriële antecedenten van gebieden mee te nemen. Daarbij gaat het ondermeer om de kennis van en betekenisverlening aan cultureel erfgoed, archeologie en historische geografie, maar ook om (andere) fysieke structuren en objecten die betekenis hebben voor bewoners, gebruikers en bezoekers. Voor het uitdiepen van de thematiek van de ruimtelijke transformatie, die centraal stond in het vorige beleidsplan van het fonds, betekent de uitvoering van de Belvedereregeling een verruiming van de mogelijkheden, die zich uit in een breed scala aan aanvragen afkomstig uit alle regio’s.
Cultuur en geschiedenis zijn geen neutrale werkterreinen waarbinnen de uitkomst aan de hand van spelregels te bepalen valt. Het Belvederebeleid beoogt de toekomst te verrijken door rekening te houden met het verleden. De geschiedenis is geen gesloten boek. Ze kan van inhoud veranderen al naar gelang de gekozen gezichtshoek. De koppeling van historisch onderzoek en ontwerp vraagt dan ook om het maken van keuzes ten aanzien van ondermeer het object van studie, de gekozen invalshoek, de selectie van kennis en de verwerking ervan in gebiedsvisies. Cultuur heeft geen overlevingskans wanneer ze gevangen is in bureaucratie, maar kan alleen voortbestaan in steeds opnieuw overdachte, gemaakte en beleefde interpretaties. Samenwerking met vertegenwoordigers van verschillende disciplines, kennisgebieden en maatschappelijke instanties is daarbij een voorwaarde.
In de komende beleidsperiode zal het fonds de integratie van de Regeling Projectsubsidies Architectuur en de Regeling projectsubsidies Belvedere uitvoeren. Inzet van deze integratie is de versterking van de culturele impact bij de herinrichting van stad en landschap.
Cultuur is niet onschuldig; het is geen feestjurk die de alledaagse kleding bij bijzondere gelegenheden vervangt. Cultuur is ondermeer het proces van intellectuele, esthetische en geestelijke ontwikkeling. Juist vanwege het belang dat mensen hieraan hechten is cultuur in staat mensen te binden, maar ook te scheiden. Tegelijk omvat cultuur de producten van de samenleving, waaronder gebouwen en hun inrichting, wijken en pleinen, parken, landschappen en infrastructurele werken. Cultuur is ook de manier van leven van bevolkingsgroepen en de neerslag daarvan in hun omgeving en gebruiksvoorwerpen. Cultuurgeschiedenis is meer dan een reeks van stijlen, meer dan een catalogus van beelden. Ze omvat tevens de kennis van de context waarbinnen vroegere en eigentijdse steden en landschappen ontstaan zijn, evenals de herinneringen en associaties die deze kunnen genereren.
Actueel is de vraag naar de bijdrage van ontwerpende disciplines aan het denken over onze plaats in tijd en ruimte. Deze behoefte aan plaatsbepaling komt voort uit de wereldwijde verschuivingen op politiek, economisch en cultureel gebied. Naarmate het besef van de kwetsbaarheid van de eigen omgeving binnen de continu voortgestuwde wereldgeschiedenis groeit, neemt de neiging om de eigen leefwereld af te schermen toe. De verworvenheden van de verzorgingsstaat staan ter discussie. Er is onzekerheid over de aanpak van de stedelijke problemen. Op allerlei terreinen krimpt de collectieve verantwoordelijkheid. Daarmee staat de publieke sector onder druk. Dit dwingt de ontwerpende disciplines ertoe om de eigen impact op stad en samenleving opnieuw te overdenken.
De titel van dit beleidsplan Een cultuur van ruimte maken omvat een opvatting over de positiebepaling van architectuur en stedenbouw. Ruimte maken is immers niet alleen een omschrijving van een werkterrein. De titel heeft eveneens betrekking op de opdracht om binnen de westerse cultuur ruimte te maken voor bevolkingsgroepen met een andere culturele achtergrond. Ruimte maken is tegengesteld aan het trekken van symbolische en letterlijke grenzen tussen bevolkingsgroepen.
Naarmate de culturele diversiteit toeneemt, is de vraag wiens cultuur gebouwen, wijken en landschappen ten dienste staan onontkoombaar.
Architectuur opereert daarbij in het spanningsveld tussen economie, politiek en cultuur. Met de toenemende liberalisering verandert de positie van architecten en stedenbouwers. Vanuit haar publieke functie gezien ondersteunen deze disciplines de democratische belangen die gebaseerd zijn op een gelijke behandeling van alle burgers. Maar in de praktijk domineren economische en politieke motieven de besluitvorming over nieuwbouwprojecten veelal. Democratie veronderstelt en koestert gelijkheid. Kapitalisme veronderstelt echter ongelijkheid en brengt deze tevens voort. Juist in de ontwerpen voor de dagelijkse leef- en woonomgeving komen deze tegenstrijdige krachten tot uiting.
De steden vormen het territorium waarbinnen verschillende culturen het recht op een eigen ruimte opeisen. Daarom kunnen architecten en stedenbouwers zich niet onttrekken aan de mede verantwoordelijkheid voor de maatschappelijke consequenties van hun ontwerpen. Het gaat daarbij om de vraag waar andere culturen de ruimte krijgen, hoeveel ruimte beschikbaar is en hoe scherp de scheidslijnen tussen culturen zijn. Vanuit hun publieke functie dienen architecten en stedenbouwers culturele diversiteit te accommoderen en te profileren. Het is hun taak maatschappelijke segregatie te bestrijden en ruimtelijke barrières die de toegang van bevolkingsgroepen tot deelname aan de stedelijke cultuur belemmeren te slechten. Dit impliceert een hernieuwde aandacht voor het gebruik van het publieke domein.
Ruimte maken is een daad van cultuur. Om buurten, gebouwensembles, parken, landschappen en publieke voorzieningen te ontwerpen is kennis van de eigen ontwerpcultuur en de eigen traditie onmisbaar. Maar tegelijkertijd noodzaakt de internationale migratie tot een open houding ten aanzien van de inbreng van ontwerpers uit andere culturen. Het internationale klimaat dat kenmerkend is voor de Nederlandse architectuur en stedenbouw kan beter benut worden bij het vormgeven aan steden die hun culturele diversiteit beschouwen als een rijk potentieel.
Een cultuur van ruimte maken omvat ook een kritiek op de beeldarchitectuur. Deze geeft geen antwoord op de maatschappelijke vraagstukken die momenteel aan de orde zijn. Essentieel voor het voortbestaan van de ontwerpende disciplines is dat ze er in moeten slagen een bijdrage te leveren aan de heftige gevolgen die de globalisering heeft in de stedelijke samenlevingen. Daarbij is het niet alleen van belang hoe gebouwen er uit zien, maar vooral welke bijdrage ze leveren aan het versterken van het functioneren van een samenleving waarin uitwisseling tussen verschillende culturen belangrijker is dan het eenzijdig profileren van de meest invloedrijke opdrachtgevers.
Architectuurbeleid houdt zich allereerst bezig met collectieve belangen die hun neerslag krijgen in de publieke ruimten. Dat impliceert het tegengaan van domeinvorming en exclusief gebruik. De publieke ruimte is vrij toegankelijk voor ontmoeting en verstrooiing en fungeert als venster op het private domein. Tegelijkertijd kan de openbare ruimte alleen als zodanig functioneren wanneer ze deel uitmaakt van een collectief verantwoordelijkheidsgevoel. Door de veranderingen in het gebruik van het agrarische landschap dringt de vraag naar het recreatieve potentieel van het landelijke gebied zich op. In hoeverre gaan een publiek toegankelijk landschap samen met een economisch verantwoorde, agrarische bedrijfsvoering?
Speciale aandacht verdient in de komende beleidsperiode de architectuur van collectieve ruimten. In de afgelopen periode heeft het werkterrein van het architectuurbeleid zich steeds verder uitgebreid, van het individuele gebouw tot en met de schaal van de Deltametropool. Het functioneren van collectieve voorzieningen en het ontstaan van nieuwe collectiviteiten met eigen behoeften is daarbij onderbelicht gebleven. Het gaat daarbij om gebouwen waar een groot en divers publiek gebruik van maakt, variërend van stations, sport- en spelvoorzieningen, ziekenhuizen en zorgcentra tot en met onderwijscomplexen, winkelcentra en clusters van kantoren. De inrichting van deze ruimten is nog te vaak een sluitpost en vooral gericht op efficiency. Meer aandacht voor de wensen en de belevingswereld van gebruikers vereist zowel de betrokkenheid van opdrachtgevers als professionele kennis van interieurontwerpers. Het fonds zal ondermeer in samenwerking met de stichting Premsela initiatieven nemen op dit terrein.
Het fonds stelt de opgaven die zich in de praktijk voordoen centraal. Dat is minder vanzelfsprekend dan het lijkt. Weliswaar kende de derde architectuurnota de tien grote projecten, maar verder domineerde in het architectuurbeleid in het verleden het uitdragen van de potenties van de architectuur. In de opeenvolgende nota’s is daarbij de schaal waarop het beleid betrekking had vergroot. Aan de basis van het architectuurbeleid ligt de uitwerking van het kwaliteitsbegrip in de aspecten gebruikswaarde, culturele waarde en toekomstwaarde. In de beleidspraktijk werden voornamelijk instrumenten ontwikkeld om de beeldkwaliteit te regisseren. Daarbij staat niet de programmatische opgave centraal, maar de wijze waarop het eindresultaat zich voegt naar de bestaande en vaak geïdealiseerde context.
Ondertussen bleken zich buiten de aantrekkelijke investeringsgebieden problemen te ontwikkelen die zich minder lenen voor spectaculaire oplossingen. Deze hangen samen met veranderingen in de globale en lokale economie, migratievraagstukken en veroudering van de bevolking. Bij de transformatie van stedelijke en landschappelijke gebieden, die hier het gevolg van zijn, is het de opgave om culturele diversiteit te respecteren en te creëren.
Opgaven voor ontwerpers zijn:
- intercultureel onderzoek gericht op het nauwkeurig te analyseren van de culturele, politieke, sociale, economische, religieuze en morele factoren die van belang zijn voor stedelijke interventies die het functioneren van de stedelijke samenleving ten goede komen
- het verhogen c.q behoud van de kwaliteit van stedelijke woonwijken door aanpassing aan hedendaagse woonprogramma’s, programmatische verrijking en herinrichting van de openbare ruimte
- het veilig stellen van het functioneren van de publieke ruimten in stedelijke en landelijke gebieden
- het verhogen van de verblijfskwaliteit van collectieve voorzieningen
- het ontwikkelen van woontypologieën die qua programma en bouwkosten antwoord geven op verschillen in inkomen en leefwijze
- het ontwikkelen van stedenbouwkundige en architectonische oplossingen voor nieuwe functies in het landelijk gebied, uitgaande van een vrijere omgang met de roodgroene contouren
- het anticiperen op alle schaalniveaus op veranderingen in de waterhuishouding.
- het aanleggen, herinrichten en programmatisch verrijken van hoogwaardige bedrijventerreinen en werklandschappen
- het benutten van de aanleg van infrastructurele werken voor het optimaliseren van de stedelijke en landschappelijke context
Het beleid van VROM richt zich de komende periode vooral op het vastleggen van hoofdlijnen en het creëren van randvoorwaarden. Daarmee verschuiven verantwoordelijkheden naar provincies, regio’s en steden. Steeds vaker kiezen lokale overheden daarbij voor samenwerking met de private sector. Aangezien de vraag wie op welke wijze de publieke belangen behartigt niet altijd vooraf beantwoord is, wordt deze verantwoordelijkheid nogal eens doorgeschoven naar de ontwerpende disciplines, die aan de hand van hun voorstellen de consequenties van ruimtelijke ingrepen kunnen verhelderen. Niettemin is de opdrachtgever als eerste verantwoordelijk voor een project. Het stimuleren van professioneel opdrachtgeverschap blijft daarom een belangrijke doelstelling.
Binnen de Regeling projectsubsidies Architectuur komen in hoofdlijnen twee categorieën voor. De ene omvat projecten die beogen de kennisontwikkeling binnen en tussen de ontwerpende disciplines te bevorderen. De andere omvat projecten die bij een breed publiek de belangstelling voor architectuur wekken. Hieronder vallen ook de activiteiten van de architectuurcentra.
De kennisontwikkeling zal steeds meer vanuit in de praktijk uitgevoerde projecten opgebouwd worden, aangezien generieke oplossingen steeds minder voldoen. Daar waar de opleidingen het algemene kader bieden, zal de praktijk de kennis en ervaring opleveren op basis waarvan de ontwerpende disciplines optimaal toegerust zullen zijn voor een eigen inbreng in de veranderlijke besluitvormingsprocessen betreffende de herinrichting van stad en land. Terugkoppeling van praktijkervaring naar het onderwijs en input vanuit de wetenschap in de praktijk verdienen ondersteuning. De Regeling projectsubsidies Architectuur zal haar categorieën en projectvormen hiervoor aanpassen. Het gaat daarbij om kennis betreffende ontwerpprocessen en onderzoek, maar tevens om verdieping van de uitvoeringspraktijk. Op basis van een in 2004 uitgevoerde evaluatie van de regeling zullen tevens wijzigingen doorgevoerd worden in de aanvraagformulieren, de begeleiding en de besluitvorming. Deze wijzigingen zijn gericht op het verhogen van de kwaliteit en de efficiency en het verminderen van de bureaucratie.
In een maatschappij waarin het belang van de collectieve sector constant onder druk staat is het aan de architecten, stedenbouwers en landschapsarchitecten om aan te geven in welk opzicht hun maatschappelijk functioneren een positie legitimeert, die zich onderscheidt van puur marktgerichte activiteiten. De vraag in hoeverre de inbreng van ontwerpers letterlijk dan wel figuurlijk een meerwaarde heeft voor de opdrachtgever en voor de samenleving is steeds vaker aan de orde.
Het uitbreiden en verder professionaliseren van de architectuur- en stedenbouwkritiek is in dit kader gewenst. Kennisontwikkeling vraagt immers om een kritische distantie van kundige professionals die de nieuwe inzichten helder kunnen verwoorden.
Vernieuwing binnen en van de ontwerpende disciplines is een voorwaarde om de bovengenoemde opgaven te kunnen adresseren. Het werken aan transformatieopgaven is binnen het ontwerponderwijs tot op heden sterk onderbelicht. Juist daarom is de accumulatie van ervaringskennis van belang. Zelfbewuste ontwerpende disciplines dienen hun eigen positie te verwerven binnen een kenniseconomie, die vernieuwing van de productie paart aan duurzaamheid. De (interieur)architectuur staat daarbij tegelijk voor de taak om de kwaliteit van de uitvoering op peil te houden zo niet te verhogen onder druk van de schaalvergroting die zich voordoet in de bouw en in de toeleveringsindustrie. Deze schaalvergroting en monopolisering staan haaks op de vraag om specifieke oplossingen te genereren op maat van de opgaven. Dit vraagt om onderzoek naar en kritische reflectie op alle aspecten van het architectonische instrumentarium en vocabulaire.
2.3 Toepassing open oproep.
Het Stimuleringsfonds voor Architectuur bestrijkt een breed werkterrein dat bovendien door wijzigingen in politieke, economische of sociale omstandigheden in de loop van een cultuurnotaperiode sterk kan veranderen. Aangezien het fonds ontwerpers, opdrachtgevers en onderzoekers wil stimuleren in hun praktijk oog te hebben voor deze veranderende werkelijkheid, stelt zij prijs op het open karakter van de Regeling projectsubsidies Architectuur. Een nadeel hiervan kan zijn dat bepaalde beleidsprioriteiten onvoldoende aandacht krijgen. Om dit te ondervangen hanteert het fonds het instrument van de open oproep. Daarmee kunnen specifieke doelgroepen aangemoedigd worden tot het indienen van een subsidieaanvraag gericht op de uitdieping van nader omschreven thema’s.
Door middel van de open oproep worden belangstellenden opgeroepen om beknopte projectvoorstellen in te dienen. Deze worden door een klein, deskundig team beoordeeld op hun relevantie, innovatie en potenties. De deskundigen verschillen per oproep, zodat optimaal ingespeeld kan worden op de specifieke thematiek die aan de orde gesteld wordt. Van dit team maken tevens de secretaris van de adviescommissie architectuur en de directie van het fonds deel uit. Dit team selecteert per oproep maximaal vijf veelbelovende voorstellen.
De geselecteerde aanvragers ontvangen € 5.000,- om een uitgewerkt projectplan te produceren, dat vervolgens in de vorm van een normale subsidieaanvraag de gebruikelijke procedure volgt. Deze aanmoedigingsgelden zijn afkomstig uit het budget dat in de begroting opgenomen is voor opdrachten en projecten.
De open oproep is:
- gericht op het betrekken van relevante, nieuwe doelgroepen
- brengt specifieke thema’s en nieuwe of veronachtzaamde opgaven onder de aandacht
- is laagdrempelig
- gericht op innovatie
Met de open oproep zullen ondermeer jonge ontwerpers aangemoedigd worden hun inzichten te verrijken en kenbaar te maken. Tengevolge van de economische omstandigheden krijgen jonge architecten weinig gelegenheid om hun opvattingen te toetsen en scherpen aan de praktijk. Om hun inzichten en talenten niet verloren te laten gaan, zal het fonds de open oproep onder andere benutten om projecten van deze groep te ondersteunen.
2.3.1. Culturele diversiteit.
De open oproep zal jaarlijks twee maal betrekking hebben op het uitvoeren van interculturele projecten. Voor het subsidiëren van deze projecten oormerkt het fonds jaarlijks minimaal 15% van de OCenW bijdrage.
Interculturele projecten zijn:
- projecten die de ruimtelijke opgaven, welke het gevolg zijn van een cultureel diverse samenleving, onderzoekt en presenteert op een wijze die relevant is voor ontwerpers en opdrachtgevers
- projecten die passen binnen het werkterrein van de Regeling projectsubsidies Architectuur en die uitgevoerd worden door teams, waarvan de leden hun verschillende culturele achtergrond benutten ter verrijking van de inhoud en het resultaat van het project
- projecten die bij professionals en/of een breed publiek begrip wekken voor verschillen in woon- en leefculturen en de gevolgen die deze hebben voor het gebruik van woonwijken, openbare ruimten, het landschap en collectieve voorzieningen.
Het fonds stelt de eerste twee jaar 0,5 fte beschikbaar om aanvragers voor deze categorie projecten actief te benaderen en te begeleiden. Deze medewerk(st)er zal tevens architectuurcentra wijzen op de mogelijkheid om culturele diversiteit als thema op te nemen in hun jaarprogramma’s. Deze programmaonderdelen komen in aanmerking voor extra financiële ondersteuning afkomstig uit de geoormerkte gelden.
Het fonds zal daarnaast in kaart brengen welke factoren van belang zijn voor het bevorderen dan wel beschermen van culturele diversiteit in de productie van gebouwen, publieke ruimtes en landschappen.
2.3.2 Architectuur van collectieve ruimten
Een belangrijk thema in het beleidsplan is het bevorderen van de kwaliteit van collectief gebruikte (binnen)ruimten. Het fonds heeft in 2004 een pilot uitgevoerd in samenwerking met de Stichting voor Vormgeving Premsela. Zowel de raad voor Cultuur als het ministerie van OCenW ondersteunt deze samenwerking. Indien deze echter niet vertaald wordt in extra budget zal het fonds deze thematiek via de Regeling projectsubsidies Architectuur onder de aandacht brengen. Ook hierbij zal de open oproep gehanteerd worden om bij ontwerpers, onderzoekers en opdrachtgevers de aandacht voor deze thematiek actief te stimuleren.
2.3.3. eCultuur
Ter bevordering van het gebruik van nieuwe media in de cultuur neemt het Stimuleringsfonds voor Architectuur deel aan een Interregeling waarin ook de Mondriaan Stichting, het Filmfonds en het Fonds voor de Podiumkunsten participeren. OCenW stelt in een matching constructie in totaal € 350.000,- beschikbaar voor de periode 2005-2008 op basis van een gezamenlijk door de fondsen in te dienen voorstel.
2. 3.4. Eigen initiatieven beperken.
De mogelijkheden voor de fondsen om zelf initiatieven te nemen en projecten te initiëren staan constant ter discussie. Het fonds heeft daarom de Regeling projectsubsidies Architectuur zodanig herzien, dat deze meer mogelijkheden biedt om de doelstellingen in het beleidsplan en de door OCenW aangedragen prioriteiten door derden te laten realiseren. Het instrument van de open oproep is daarbij essentieel, omdat deze een actiever stimuleringsbeleid mogelijk maakt, zonder de gebruikelijke controle via de Adviescommissie en het bestuur buiten werking te stellen. Daarnaast is een experimentele categorie toegevoegd om aanvragers uit te dagen tot innovatieve projecten, met name uit te voeren door jonge, dan wel multidisciplinair samengestelde teams.
De Regeling projectsubsidies Belvedere biedt een goed kader om te experimenteren met planvorming van onderop. Uitgangspunt van deze regeling is immers het in kaart brengen van de specifieke eigenschappen, geschiedenis en dynamiek van een gebied ter verrijking van het referentiekader van ontwerpers. Daarbij is een van de voorwaarden dat de juiste kennisgebieden betrokken zijn. Deze multidisciplinaire benadering vormt het zwaartepunt in een proces dat verder in een zo vroeg mogelijk stadium draagvlak dient te verkrijgen bij alle betrokken partijen. Dit vergt veelal een benadering waarbij per opgave ook het proces zelf als het ware het resultaat is van een gebiedsgericht ontwerp. Vragen naar het opdrachtgeverschap, de financieringsvorm, de doelstellingen, de randvoorwaarden en de organisatie van de betrokken partijen dienen vooraf helder beantwoord te zijn.
Ontwerpers vervullen belangrijke taken in dergelijke processen. Ze kunnen de juiste vragen stellen om de randvoorwaarden waarbinnen opgaven zich afspelen af te bakenen, meehelpen om de programma’s te overdenken en te verfijnen en ze kunnen door middel van ontwerpen, scenario’s en gebiedsvisies inzicht geven in de gevolgen van een te eenzijdige benadering. Hiermee kan het draagvlak onderzocht worden bij bewoners, gebruikers en opdrachtgevende partijen. Speciale aandacht verdient daarbij de afstemming van private en publieke belangen. Ontwerpers kunnen ook synergie en tegenstellingen tussen economische en ecologische opvattingen en belangen aan het licht brengen en ze kunnen de samenhang tussen sociale en fysieke structuren verhelderen aan de hand van voorbeelden. Dit alles vereist van ontwerpers wel een brede visie op en betrokkenheid bij maatschappelijke opgaven.
De praktijkgerichte aanpak van Belvedere en de voorwaarde van voldoende draagvlak impliceren een grote betrokkenheid van verschillende partners en doelgroepen. Tegelijkertijd draagt het Belvederebeleid de potentie in zich om nieuwe groepen opdrachtgevers te interesseren voor de kwaliteit van architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur. In verschillende situaties genereert dit beleid haar eigen opdrachtgever, gevormd uit een samenwerkingsverband van in het gebied werkzame partijen.
In potentie kunnen projecten uit de Belvedereregeling het denken over de ruimtelijke inrichting van stad en land aanzienlijk verrijken, vanwege de volgende kenmerken:
- het respecteren van verschil en het versterken van differentiatie op basis van culturele motieven
- het voortbouwen op de specifieke dynamiek in een gebied door deze te vertalen in programma’s die in sociaal, cultureel, economisch en ecologisch opzicht wenselijk en haalbaar zijn
- het samenwerken in nieuwe verbanden met een breed scala aan opdrachtgevers, zoals overheden, waterschappen, corporaties, natuurbeschermingsinstanties, landbouworganisaties en zorginstellingen
- het samenwerken vanuit verschillende departementen en rijksdiensten in concrete projecten; integraal beleid in de praktijk
- het vertrekken vanuit een eigentijdse aanpak, gekenmerkt door een multidisciplinaire aanpak en gebaseerd op de voorwaarde van een breed draagvlak
- het benadrukken van kennisontwikkeling op basis van concrete projecten
Om de potenties van het in 1999 ingezette Belvederebeleid optimaal te kunnen benutten, is het noodzakelijk om de uitwerking ervan te verdiepen en te verbreden. Allereerst betreft dit het toegankelijk maken van de kennisgebieden die betrokken zijn bij het in kaart brengen van de cultuurhistorie en de verschillende benaderingswijzen daarbinnen. Cultuurhistorie is immers geen vastomlijnd kennisgebied dat slechts op een wijze doorkruist kan worden. De geschiedenis kent vele deelgebieden en specialismen; ze is gelaagd, maar kent tegelijk lacunes. Er zijn verhalen van archeologen, van architectuur- en stedenbouwhistorici, van andere historische disciplines en landschapsdeskundigen, maar ook van bewoners en gebruikers. Tegelijk vormen al dan niet gave objecten, relicten, landschappen, stadsdelen en gebouwen zowel de neerslag van als de aanleiding tot deze geschiedenissen.
Het instandhouden en herontwikkelen van elementen uit de geschiedenis veronderstelt het maken van gemotiveerde keuzes. Dat is zelden een harmonieus proces, temeer daar hierin ook de hedendaagse programma’s een plek opeisen. Het inzetten van kennis betreffende de geschiedenis vereist dan ook reflectie op de wijze waarop dit zo effectief mogelijk kan gebeuren. Historische kennis benutten in complexe transformatieprocessen vraagt om een bewerking en selectie van bestaande kennis, zodat deze bruikbare inzichten oplevert voor ontwerpende disciplines en opdrachtgevers.
3.3 Afstemmen Architectuur en Belvedere.
De Raad voor Cultuur heeft in haar advies van 19 juli 2004 geadviseerd om de scherpe scheiding tussen Architectuur- en Belvedereregeling te versoepelen en om in de periode 2005-2008 de integratie van beide regelingen te verkennen. Evaluatie van de resultaten moet uitwijzen of uiteindelijk een samenvoeging wenselijk is. Dit advies is door staatssecretaris Van der Laan onderschreven in de beschikking van 21 september 2004. Het fonds zal over de uitwerking hiervan overleg voeren met de Directie Kunsten en de Directie Erfgoed van het ministerie van OCenW.
Het beleid ten aanzien van de ruimtelijke inrichting van Nederland overstijgt zelden de schaal van de natie. Mogelijk hangt dit samen met een probleemgerichte oriëntatie. Er is sprake van sleutelprojecten, stedelijke regio’s, stroomgebieden, ecologische structuren en te herstructureren zandgebieden. Maar hoe deze caleidoscoop van gebieden binnen het kleine territorium zich verhoudt tot Europa, laat staan tot de rest van de wereld, is nauwelijks onderwerp van beleid. Toch is Nederland in allerlei opzichten afhankelijk van deze globale context. De aanleg van nieuwe Europese infrastructurele verbindingen, de waterhuishouding, de herstructurering van de agrarische gebieden, de internationale migratiestromen, toerisme, economie en werkgelegenheid zijn geen nationale aangelegenheden meer.
Ook de kennisontwikkeling binnen de verschillende ontwerpende disciplines is internationaal van karakter. Het onderwijs is met de introductie van de bachelors/masterstructuur ingericht voor een verdere internationalisering van de kennisontwikkeling. Voor de Nederlandse ontwerpers is het werken buiten de eigen landsgrenzen al lang geen uitzondering meer. Nederlandse architectuur is een gewild exportproduct. De internationale reputatie van de Nederlandse architectuur trekt veel jonge architecten aan, die de Nederlandse ontwerpcultuur verrijken. Daarnaast worden steeds vaker buitenlandse ontwerpers en wetenschappers naar Nederland gehaald ter verdieping van de eigen kennis. De internationale uitwisseling vindt in de praktijk verder plaats op het niveau van het concrete project.
Binnen de context van het architectuurbeleid is internationalisering meer dan de export van Nederlandse architectuur in de vorm van tentoonstellingen en lezingen. Deze was in de afgelopen jaren bijzonder succesvol, wellicht juist omdat Nederlandse ontwerpers getraind waren in het maken van niet plekgebonden ontwerpen. Internationalisering omvat echter ook de import van kennis uit andere steden en landen. Bovendien omvat ze de ontwikkeling van kennis door middel van samenwerking tussen ontwerppraktijken, universiteiten en onderzoeksinstellingen. Tevens maakt de uitwisseling van praktijkervaring opgedaan door ontwerpers en opdrachtgevers bij verschillende projecten er deel van uit. Met een uitdijend Europa zal deze internationalisering naar verwachting toenemen. De uitwisseling is echter niet beperkt tot de Europese context. Zowel op het niveau van onderzoek en onderwijs als in de praktijk is er bijvoorbeeld ook veel contact met de VS, Brazilië, Japan en China.
Internationalisering is een vast onderdeel van onderwijs en beroepspraktijk en verdient daarom een volwaardige plaats in het architectuurbeleid. Dit uit zich binnen de werkzaamheden van het fonds ondermeer in de introductie van een speciale categorie voor internationale projecten. Deze continueert de in 2003 geïntroduceerde mogelijkheid om binnen het kader van de door de ministeries van Buitenlandse Zaken en OCenW beschikbaar gestelde HGIS-gelden, subsidie aan te vragen voor internationale projecten. Dit doet recht aan de sterke behoefte aan internationale uitwisseling in de vakgebieden (interieur)architectuur, stedenbouw en landschapsarchitectuur. Het fonds zal zich inzetten voor het versterken van netwerken, instellingen en initiatieven, die een zinvolle bijdrage leveren aan de internationale uitwisseling betreffende deze vakgebieden en stemt haar werkzaamheden op dit terrein tevens af op de activiteiten van het NAi.
Een typisch Nederlands fenomeen is de sterke groei van het aantal architectuurcentra. Deze vervullen een belangrijke doelstelling uit het architectuurbeleid, namelijk het toegankelijk maken van architectuur voor een breed publiek, tegen lage kosten. De financiële ondersteuning van de centra heeft een enorm vliegwieleffect. Met een subsidie van ruim € 850.000 is in 2002 bij voorbeeld voor een totaal bedrag van ruim vier miljoen euro aan activiteiten gegenereerd. De centra hebben met elkaar gemeen dat het lokale initiatieven zijn van personen die een groot publiek willen interesseren voor de bestaande en toekomstige kwaliteit van hun woon- en werkomgeving. Daarnaast verschillen de centra in vele opzichten van elkaar. De kleinste zijn afhankelijk van de werkzaamheden die vrijwilligers in de avonduren verrichten; de grootste beschikken over een vast personeelsbestand en een eigen op maat ontworpen huisvesting. Er zijn centra met een mobiele huisvesting en centra die steeds wisselen van locatie en daarmee ook steeds weer een nieuw publiek beogen aan te spreken. Sommige centra werken nauw samen met de gemeentelijke diensten stedenbouw en ruimtelijke ordening, andere haken aan bij culturele instellingen en/of ontwerpopleidingen. Voorlopig lijken de centra nauwelijks aan vitaliteit in te boeten. Nog steeds komen er nieuwe bij. Dat is niet zo verwonderlijk. Nu de rijksoverheid verantwoordelijkheden ten aanzien van de ruimtelijke inrichting bij lagere overheden neerlegt, ontstaat er op die niveaus behoefte aan podia voor informatie-uitwisseling en meningsvorming.
Bij het fonds kunnen de centra subsidie aanvragen voor het realiseren van hun jaarprogramma’s. In 2002 is ongeveer 25% van het totaal in dat jaar te vergeven projectsubsidies naar de centra gegaan. Niettemin heeft het fonds de centra moeten korten op hun subsidie. De groei van het aantal centra maakt het binnen de huidige budgettaire grenzen onmogelijk om de subsidiëring op hetzelfde niveau te continueren. Om meer inzicht te krijgen in het functioneren van de centra heeft het fonds in 2003 een uitgebreide evaluatie verricht.
Conclusies zijn:
- de centra groeien de komende tijd naar verwachting nog in aantal en in omvang
- ondanks de grote inzet van vrijwilligers tekent zich over de hele linie een toenemende professionalisering af
- naarmate centra langer bestaan slagen ze beter in het organiseren van cofinanciering
- in veel gevallen is er (nog) geen stabiele financiële relatie met de lokale en de provinciale overheid; ze hebben (nog) geen vaste positie in het veld van culturele instellingen
- de centra blijven voorlopig voor het uitvoeren van hun jaarprogramma’s in sterke mate afhankelijk van de subsidie van het fonds
De centra kenmerken zich door een lage overhead. Keerzijde van deze medaille is dat er weinig dan wel geen tijd is voor scholing, samenwerkingsverbanden en professionalisering. Initiatieven ter versterking van de centra zijn alleen zinvol, wanneer ze inspelen op de specifieke situatie van de verschillende centra. Onderlinge uitwisseling van informatie en kennis over elkaars initiatieven en strategieën is daarom bevorderlijk.
De centra ontvangen subsidie op basis van consistente jaarprogramma’s. Het fonds zal de centra aanmoedigen tot verdere initiatieven ten aanzien van cofinanciering. Dit kan door verbreding van het werkterrein en door samenwerking met andere cultuurinstellingen dan wel met opdrachtgevende en uitvoerende partijen. OCenW en VROM hebben op jaarbasis 200.000 euro toegevoegd aan de regeling projectsubsidies Architectuur ter ondersteuning van de architectuurcentra.
Ontwerpers bouwen in de loop van hun praktijk veel kennis en ervaring op. Meerdere bureaus hebben eigen onderzoeksafdelingen, die ontwerpvoorbereidend of ontwerpondersteunend onderzoek doen. De afgelopen tijd zijn veel publicaties verschenen op het gebied van architectuur, stedenbouw en landschap. Deze hebben vooral betrekking op het presenteren van de producten van de ontwerpende disciplines. Zelden komt het echter tot verslaglegging en evaluatie van concrete projecten. Veel kennis gaat daardoor verloren. Deze heeft dan betrekking op:
- de organisatie van het ontwerp- en besluitvormingsproces
- consequenties verdeling en verlies van verantwoordelijkheid in de uitvoering
- consequenties van nieuwe randvoorwaarden (bouwkundig, sociaal, economisch, programmatisch) en van nieuwe regelgeving
- mogelijkheden van verrijking van programma’s op basis van culturele differentiatie
- ontwikkeling nieuwe gebouwtypologieën
- de beleving en het functioneren van collectieve ruimten/voorzieningen
- het aanwenden van technologische innovatie uit andere sectoren in de bouwpraktijk, vooral in verband met een efficiënter gebruik van middelen en energie
- beleving en functioneren stedelijke gebieden
Veel van deze kennis behoort tot het persoonlijke kennisdomein van ontwerpers en hun naaste medewerkers. Kennis is macht, ook bij het verkrijgen van opdrachten. Daarom is het van belang de archipelvorming te doorbreken en de uitwisseling van kennis en ervaring te bevorderen. Het fonds zal daarom het analyseren en evalueren van gerealiseerde bouwprojecten in al z’n aspecten stimuleren, evenals het publiceren van de resultaten van onderzoeksactiviteiten. Hiervoor zal ook ruimte gemaakt worden op de vernieuwde website van het fonds.
Deze nadruk op de overdracht van in de praktijk opgebouwde kennis betekent voor het fonds een verschuiving in het takenpakket. Enerzijds zullen de stafmedewerkers hun werk bij het begeleiden van aanvragers continueren. Het opstellen van professionele projectplannen staat immers aan de basis voor een consistent en uitvoerbaar project. Anderzijds zal door terugkoppeling en analyse van de resultaten kennis opgebouwd worden, die voor derden toegankelijk moet zijn.
Om haar ambities waar te kunnen maken dient het fonds faciliterend te zijn bij het creëren van vrijplaatsen voor onderzoek en experiment, van laboratoria waar ontwerp en onderzoek bij elkaar komen. Speciale aandacht verdient hierbij de situatie van jonge architecten die door de teruggang in de bouw moeilijk opdrachten kunnen verkrijgen. De inbreng van elke nieuwe generatie ontwerpers kan immers de vakontwikkeling als geheel stimuleren. Dit geldt ook voor ontwerpers afkomstig uit andere landen en culturen die zich al dan niet tijdelijk in Nederland gevestigd hebben. In het ondersteunen van initiatieven van jonge architecten is de uitwisseling tussen culturen en disciplines essentieel voor het verkrijgen van meer inzicht in de stedelijke vraagstukken.
De eigen beleidsruimte zal het fonds vooral benutten om kennisontwikkeling en kennisoverdracht te stimuleren. Het fonds zal daarbij fungeren als vliegwiel door de eigen kennis, op te bouwen op basis van gesubsidieerde projecten, in te zetten voor het opzetten van nieuwe projecten door derden.
Verder is het terugdringen van de bureaucratie betreffende het aanvragen van subsidies binnen de juridisch toegestane ruimte een hoge prioriteit. Het fonds zal tevens de eigen organisatie en haar verhouding tot het bestuur in het kader van de doelstellingen voor cultural governance verder professionaliseren.
Bij het aantrekken van nieuwe bestuurs- en adviescommissieleden past het fonds open sollicitatieprocedures toe. Doel is om kennis en inzicht ten aanzien van datgene wat er in alle geledingen van de maatschappij leeft, te waarborgen.
Het fonds bouwt inhoudelijk voort op de voorgaande beleidsperiode. De thematiek van de transformatie van stedelijke en agrarische gebieden is immers nog steeds actueel. Meer dan voorheen zal het fonds zich in samenwerking met de andere architectuurinstellingen richten op praktijkgerelateerde projecten. Engagement met de maatschappelijke opgaven impliceert tevens dat het fonds de samenwerking zal zoeken met partijen uit het veld. Enerzijds in verband met het genereren van draagvlak en cofinanciering van projecten, anderzijds ook om de kwaliteit te verhogen door de inzet van meerdere kennisvelden. De praktijkgerichte aanpak impliceert verder een grote aandacht voor vernieuwing binnen en ook van de ontwerpende disciplines. Juist om in de dagelijkse praktijk een factor van betekenis te kunnen zijn, dienen ontwerpers hun vakkennis en vakbeoefening voortdurend op peil te houden en op bruikbaarheid te toetsen. De positie die de ontwerpende disciplines in de maatschappij innemen is het resultaat van engagement met de belangrijkste maatschappelijke opgaven en voldoende autonomie om bij de oplossing hiervan de eigen kennisterreinen met overtuigingskracht te kunnen inzetten.