Een probleemsignalerend
onderzoek naar de invloed van omroepen en fondsen op het productieproces van
de Nederlandse documentaire.
Een scriptie geschreven door:
Frank Suyker (0112747)
fsuyker@gmail.com
Geschreven aan de opleiding:
Master Film & Tv wetenschap,
Universiteit Utrecht
Begeleider: dr. Jim Hurley
Kromme Nieuwegracht 29, kamer 2.03,
3512 HD Utrecht,
tel. 030-2539373,
Jim.Hurley@let.uu.nl
Tweede begeleider: drs. S.A. Agterberg
Kromme Nieuwegracht 29, kamer 1.11,
3512 HD Utrecht,
tel. 030-2536247,
Bas.Agterberg@let.uu.nl
Geschreven in de periode:
7 maart – 16 december 2005
Waardering:
15 ECTS
‘Sometimes the truth is
stranger than fiction’
Een probleemsignalerend onderzoek naar
de invloed van omroepen en fondsen op het productieproces van de Nederlandse
documentaire. Onafhankelijke productiemaatschappijen zijn genoodzaakt om hun
documentaires te financieren met geld van omroepen en fondsen. In ruil voor de
subsidie stellen de omroepen en fondsen eisen aan de filmmakers. Dit onderzoek
bestudeert hoe de praktijk denkt over die eisen. Zijn ze niet te beperkend voor
de filmmaker? Creëert de overheid een goede omgeving? Wat brengt de toekomst?
Deze vragen (en meer) worden beantwoord in dit onderzoek.
Abstract
A problemsignaling research on the influence of broadcasting organisations and subsidizers on the prodcution process of Dutch documentaries. Independent filmcompanies need to finance their documentairies with the money of broadcasting companies and subsidizers. In return these subsidizers and broadcasting companies have a list of demands which the documentary needs to fit. This research analyses how the field thinks about those demands. Are the demands to restrictive for the filmmakers? Does the government create a good habitat? What does the future bring? These questions (and more) are answered in this thesis.
Voorwoord
Dit onderzoek vloeit voort uit mijn stage periode bij Memphis Film & Television, waar ik zes maanden lang in het productieproces van documentaires, films en bedrijfsvideo’s heb meegedraaid. Deze stage kan gezien worden als een vorm van participerende observatie, voorafgaand aan het onderzoek. Ik ben me ervan bewust dat door het volledig meedraaien in het productieproces, de bevindingen van de scriptie beïnvloed zou kunnen zijn. Door het stage verslag toe te voegen (bijlage 1) hoop ik duidelijk te maken door welke gekleurde bril ik gekeken heb.
Ik was verbaasd en werd gefascineerd door de manier waarop een documentaire tot stand komt. In dit opzicht wil ik Memphis Film in het speciaal bedanken. Door het volgen van de stage ben ik veel te weten gekomen over de praktijk van de Nederlandse film- en televisiecultuur. In die praktijk kom je informatie tegen die voor een buitenstaander moeilijk te verkrijgen is. Veel zaken bleven tot nu toe onbesproken. Met dit onderzoek moet daar een eind aankomen. Hopelijk wordt met het onderzoek een aanzet geleverd tot een debat tussen de verschillende betrokken partijen.
met dank aan:
| Jim Hurley | begeleider |
| Bas Agterberg | tweede begeleider |
| Sherman De Jesus | regisseur |
| Leendert Pot | filmmaker |
| Harry Suyker | raadgever |
| Mirjam Burghoorn | mentale steun |
Inhoud
Regisseur Allard Faas: "als echte
subsidietijgers zijn we natuurlijk wel gewend om naar de mond van commissies te
schrijven" (NFTVM). Dit citaat vormde de aanleiding voor het onderzoek en is
kenmerkend voor hoe sommige filmmakers denken over de huidige situatie. In die
situatie zijn (bijna) alle Nederlandse productiebedrijven voor de financiering
van hun documentaire producties afhankelijk van bijdragen van omroepen en
fondsen. Voor het verkrijgen van bijdragen moeten productiebedrijven aanvragen
indienen. Het aanbod van het aantal aanvragen overstijgt de vraag vele malen. Om
zeker te zijn van een subsidie kan het zo zijn dat filmmakers zich richten op
wat de omroepen en fondsen willen in plaats van hun eigen interessen. Dit is
slechts één wijze waarop fondsen en omroepen invloed kunnen hebben op de
totstandkoming van een documentaire. Dit gegeven heeft geleid tot de volgende
onderzoeksvraag:
‘In hoeverre wordt het productieproces van de
documentaire in Nederland in een keurslijf geperst door de huidige structuur van
omroepen en fondsen?’.
De huidige situatie is een gevolg van jarenlange ontwikkelingen in de politiek, technieken en filmgenres. Alleen al de geschiedenis van het genre documentaire gaat terug tot de jaren dertig van de vorige eeuw. Om de hele geschiedenis te behandelen zouden meerdere boeken geschreven moeten worden, daarom zal hier alleen ingegaan worden op de geschiedenis die relevant is voor de onderzoeksvraag.
Aan de geschiedenis valt niets meer te veranderen, aan de toekomst wel. Dit onderzoek tracht aan te geven tegen welke problemen filmmakers aan lopen bij het produceren van documentaires. Daarmee verbetert dit onderzoek het inzicht in de productieomstandigheden van de documentaire. Die omstandigheden worden deels bepaald door het Nederlandse omroepbestel, waarin de politiek een belangrijke drijfveer is achter constante veranderingen. Door aan te geven welke problemen er zijn, verhoogt dit onderzoek de kans dat er een onderzoek komt naar een mogelijke oplossing van die problemen. Mijn persoonlijke drijfveer is hiervan een afgeleide. Door meer inzicht te krijgen in de Nederlandse film en televisie cultuur, waar de omroepen en fondsen deel van uitmaken, hoop ik te weten komen hoe groot de artistieke vrijheid in Nederland is. Dit inzicht moet van pas komen op het moment dat ik na de studie zelf (documentaire) films ga produceren.
Om tot een antwoord op de onderzoeksvraag te komen is een tweedelig onderzoek uitgevoerd. Er is gekozen voor twee methodes omdat er dan triangulatie ontstaat, wat een objectiever onderzoek tot gevolg heeft. De eerste methode, een discoursanalyse, heeft meer informatie opgeleverd dan de tweede methode, een vragenlijst. Daardoor vormen de uitkomsten van de discoursanalyse de basis voor de beschrijving van de uitkomsten en zijn de antwoorden op de vragenlijst slechts aanvullend. De uitkomsten van beide methoden worden besproken als één geheel.
Bij de discoursanalyse zijn relevante boeken, vaktijdschriften, krantenartikels en websites bestudeerd. Daarbij is van belang wie welke uitspraak doet. Dit geeft aan hoe de persoon bij het onderwerp betrokken is en hoe deskundigheid de persoon is. Vandaar dat als een persoon voor het eerst genoemd wordt, zijn functie daarbij vermeld zal staan. Ook moet de kanttekening worden gemaakt dat bij het bestuderen van de websites gelet is op het feit dat websites qua inhoud niet altijd betrouwbaar zijn. Daarom is ervoor gekozen om alleen gebruik te maken van de websites van officiële instanties.
De vragenlijst is opgesteld aan de hand van vragen die ontstonden tijdens de discoursanalyse. Niet alle meningen worden in de media geuit, meestal uit angst voor de gevolgen. Door middel van een elektronische vragenlijst werd een deel van die meningen als nog achterhaald. Ik heb niet gekozen voor ‘face to face’ interviews omdat deze methode het meest onderhevig is aan bias. Dit wordt veroorzaakt door de (onbedoelde) invloed van de interviewer. Het grote voordeel van ‘face to face’ interviews, het doorvragen op antwoorden, kan met een elektronische vragenlijst ook. De kanttekening moet gemaakt worden dat ook een vragenlijst onderhevig is aan bias. De vragenlijst is opgebouwd na een opeenvolging van beslissingen die ik als onderzoeker heb genomen. Desondanks is de vragenlijst een van de weinige instrumenten die de mening van een persoon over een bepaald onderwerp kan onderzoeken.1 De vragenlijst is rondgestuurd naar een aantal filmmakers, omroepen en fondsen.2 Niet iedereen retourneerde de vragenlijst. Stan van Herpen (verslaggever Skrien) gaf al aan dat het moeilijk is bij een filmmaker een uitspraak te ontlokken over het FilmFonds.3 Vandaar dat de mogelijkheid werd geboden om anoniem te antwoorden. Echter de filmmakers maakten geen gebruik van deze mogelijkheid, maar omroepmedewerkers wel.
Uit de probleemstelling is af te leiden dat het om een praktijkprobleem gaat. Tijdens de stage heb ik me als onderzoeker kunnen verplaatsen in de leefwereld van de producenten. Met dit onderzoek is een systematische beschrijving van een deel die leefwereld totstandgekomen. Ondanks dat dit fenomeen nog niet eerder was onderzocht, werden er in de pers voortdurend meningen over geuit.
Die meningen geven aan dat er ergens een probleem is. Dit onderzoek probeert het probleem te signaleren. Dat houdt in dat er naar vragen gekeken wordt als ‘wat is het probleem?’, ‘waarom is het een probleem? en ‘wat zijn de oorzaken, achtergronden en samenhangen?’. Dit onderzoek heeft als doel bewustmaking. Door aan te geven wat het probleem is, waar de knelpunten liggen, wordt getracht een bijdrage te leveren aan een adequate oplossing van het probleem.
Omdat het fenomeen nog niet eerder onderzocht is, heb ik gekozen voor een onderzoek dat open en verkennend van aard is. Als gevolg daarvan kunnen bepaalde begrippen niet vooraf bepaald worden, maar moeten uit de praktijk afgeleid worden. Maar er zijn een aantal begrippen die wel vooraf uitlegt dienen te worden, om te voorkomen dat er verwarring ontstaat over wat er onder die begrippen verstaan wordt.
Waar de meeste verwarring over bestaat
is wat er onder een ‘documentaire’ verstaan wordt. Vele theoretici hebben zich
met dit vraagstuk door de jaren bezig gehouden. Met als gevolg dat er van het
begrip vele definities bestaan. Hieruit blijkt dat het niet eenvoudig is om het
begrip te omschrijven. De onduidelijkheid van welke definitie dan ook wordt
deels veroorzaakt doordat definities door de tijd heen veranderen en deels
doordat op een willekeurig moment geen enkele definitie alle films kan omvatten
die we beschouwen als een documentaire. We kunnen een beter begrip krijgen van
wat een documentaire inhoudt door het te benaderen vanuit vier verschillende
invalshoeken: instituties, makers, films en publiek.4 Gezien in dit
onderzoek het productieproces wordt bestudeerd, is het niet relevant op in te
gaan op hoe films en publiek de documentaire definiëren. Wel zullen de
instituties en filmmakers aangeven wat zij onder het begrip verstaan en wat
niet.
Hierboven werd aangehaald dat het maken van een documentaire een proces is. Hoewel het per documentaire verschilt, neemt dit proces maanden, soms jaren. Tijdens het proces doorloopt de filmmaker een aantal stappen. Bij elk deel van het proces zijn andere mensen betrokken die elk hun invloed hebben op het eindresultaat: de researcher, de regisseur, de producent, de ‘personages’, de filmcrew, etc. Zoals eerder aangegeven staat in dit onderzoek de invloed van omroepen en fondsen centraal. Hieronder volgt een beschrijving van de stappen die de filmmaker doorloopt met een indicatie van hoelang het doorlopen van de betreffende stap duurt. De basis voor een documentaire is een idee. Dat idee kan op elk willekeurig moment komen, van elke willekeurige bron.5 Dat idee zal zich ontwikkelen en er zal onderzoek gedaan worden (een maand). Hieruit zal een filmplan gevormd worden (twee weken). Een filmplan is een uiteenzetting in een beperkt aantal pagina’s over hoe de filmmaker welk onderwerp wil behandelen en in welke vorm dat zal gaan gebeuren.6 Met een filmplan in handen kan een maker subsidie aanvragen bij enkele fondsen. Ook kan de maker een omroep zoeken die de documentaire wil gaan uitzenden. De financiering rond krijgen kan lang duren (drie tot achttien maanden) en bestaat uit veel wachten. De fondsen en omroepen kunnen het filmplan om diverse redenen afwijzen. Op dat moment staat de filmmaker voor de keuze: of het filmplan herschrijven en opnieuw indienen of het terzijde leggen. Mocht het filmplan aangenomen worden, dan kan de productie beginnen. Gemiddeld neemt dat twee tot drie maanden in beslag. Na het filmen zal het geschoten materiaal gemonteerd en afgewerkt moeten worden. Dit element in het proces wordt postproductie genoemd en neemt ongeveer twee maanden in. Hierna is de film af en kan het vertoond gaan worden.
Die vertoning zal in alle gevallen geschieden bij een omroep. Maar wat is een omroep eigenlijk? In de Mediawet wordt omroep omschreven als “hetgeen betrekking heeft op de voorbereiding, samenstelling, uitvoering en het doen uitzenden van omroepprogramma’s” (2004). In die definiëring zit een belangrijk element. De omroep is betrokken bij de voorbereiding en samenstelling van een programma. In de praktijk heeft dit tot gevolg dat veel documentaire’s coproducties zijn, in plaats van onafhankelijke producties van externe productiemaatschappijen. Die productiemaatschappijen hebben (bijna) geen keuze, omdat ze van omroepen en fondsen afhankelijk zijn voor het rondkomen van de financiering. De samenhang tussen de omroepen en fondsen op het gebied van financiering zal in de loop van het onderzoek duidelijk worden.
Duidelijk is in ieder geval de samenhang tussen fondsen en financiering. De Van Dale definieert fonds als “voor een bijzonder doel vastgelegd kapitaal”. In het kader van dit onderzoek zijn dat overheidsinstanties die kapitaal hebben vastgelegd voor het subsidiëren van documentaires. In het hoofdstuk ‘Fondsen’ zal aanbod komen welke fondsen er zijn en welke eisen ze stellen aan het verstrekken van subsidies. Samen stellen de fondsen met de omroepen een pakket aan eisen waar de filmmaker niet aan kan ontkomen. Ze vormen daarmee een keurslijf. Een keurslijf is het “geheel van belemmerende bepalingen of maatregelen” (Van Dale).
In Filmbeeld is een grafiek verschenen over de periode 2000-2004, waarin de gemiddelde bijdrage in de financiering van uitgebrachte theaterdocumentaires wordt getoond (zie bijlage 2).7 In die grafiek is te zien dat de gemiddelde bijdrage van het Nederlands Fonds voor de Film (Filmfonds) 28 procent is, die van het Stimuleringsfonds Nederlandse Culturele Omroepproducties (Stifo) is 23 procent en de Stichting Coproductiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO) voor 23 procent. De omroepen zijn goed voor 13 procent van het budget en de producent voor 4. Overig is 12 procent. Vermoedelijk vallen daaronder de ondersteunende fondsen als het Thuiskopiefonds, het Prins Bernard Cultuur Fonds en het VSB fonds. Deze grafiek maakt duidelijk dat fondsen financieel het meest bijdragen aan documentaire producties. Filmmaker Leendert Pot kan dat beamen: de fondsen zijn goed voor 75 % van de totale financiering en de omroepen voor 25%.8 In dit hoofdstuk zal gekeken worden naar op welke wijze de filmmakers een tegenprestatie moeten leveren voor het geld dat ze van de fondsen ontvangen. De fondsen worden besproken in de volgorde van het aantal meningen dat er over ze geuit werd.
In 1988 werd ten gevolge van de Mediawet het Stifo opgericht. Ze ontvangen jaarlijks een bedrag van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) dat tenminste net zoveel is als een zestiende van de inkomsten van de STER van dat jaar. In 2004 was dat 13,4 miljoen euro. Van dat bedrag is slechts een klein gedeelte beschikbaar voor de ontwikkeling en productie van documentaires.
Om subsidie te krijgen van het Stifo kun je een aanvraag indienen. Deze aanvragen worden aan een adviescommissie voorgelegd. Deze commissie brengt advies uit aan het bestuur. Dat bestuur vergadert tien keer per jaar over de aanvragen. Zij bepalen uiteindelijk voor elke aanvraag of subsidie en zo ja hoeveel ze bijdragen en hoeveel de aanvragende omroep zelf moet bijdragen.9 Dat het Stifo bepaalt hoeveel een omroep zelf moet bijdragen geeft al iets weg van de samenhang die er is tussen de omroepen en fondsen. Het verklaart ook dat alle door het Stifo gefinancierde programma’s uitgezonden moeten worden door een landelijke of regionale omroep.10
Het Stifo geeft aan dat ze aanvragen behandelen voor het maken van “bijzondere culturele programma’s, die in overwegende mate van Nederlandse origine zijn, en die een hoogwaardig artistiek gehalte hebben…”. Ze verduidelijken wat ze hier onder verstaan.
“…‘hoogwaardig artistiek gehalte’. Over wat dat precies is worden we het nooit eens: de een spreekt van creatieve documentaires, de ander van kwaliteitsdocumentaires, cinematografisch fraaie of visueel mooie documentaires. Wel zijn we het er over eens dat we geen gewone televisiereportages bedoelen of snel gemaakte programma’s waarbij de samenhang tussen onderwerp en vorm minder belangrijk is dan de nieuwswaarde” (Stimuleringsfonds, Weg met het documentairescenario).
In de statuten van het Stifo wordt echter een andere invulling gegeven aan wat ze verstaan onder een programma met een hoogwaardig artistiek gehalte:
“Bij de beslissing of een programma dit gehalte heeft spelen onder andere de kwaliteit en de originaliteit van het ingediende plan een rol; (bij televisie) de visuele vormgeving en filmische vertaling daarvan; de reputatie van de voorgestelde programmamakers en medewerkers; de verwachtingen die aanvrager en bestuur hebben van jong, onervaren talent; de structuur en vormgeving, de behandeling van het onderwerp” (Stimuleringsfonds, Handleiding voor de aanvraag van ontwikkelingssubsidie voor televisiedocumentaires door een landelijke omroepinstelling).
Van alle elementen waaraan een programma moet voldoen is ‘kwaliteit van het filmplan’ het meest onduidelijk. Dat vond het Stifo ook en daarom hebben ze er een reader over samengesteld. In die reader komen verschillende mensen uit de praktijk aanbod die ingaan op de vraag of ze criteria kunnen geven voor wat kwaliteit is.
Van alle criteria die in de reader genoemd worden, zijn er een aantal terugkerend. De meest voorkomende is ‘kwaliteit is subjectief’. Dat zou betekenen dat elk plan beoordeeld wordt op andere kwaliteitscriteria. Raymond van den Boogaard (adviseur documentaire Nederlands Fonds voor de Film) ziet dat als een positief punt: “van een vaststelling en duidelijke omschrijving a priori ben ik geen voorstander – als je mij vraagt, leidt dat voornamelijk tot perfect op de vastgestelde criteria toegesneden aanvragen. Niet of althans noodzakelijkerwijze tot betere films” (Gerritsma, Kwaliteit, 10). Andere criteria die veel genoemd worden zijn ‘de noodzaak om de documentaire te maken’ en ‘het talent en vakmanschap’. Die criteria moeten allemaal in het filmplan verwerkt zijn. Het Stifo merkt op dat dit niet altijd even goed overkomt:
“de aanvrager van de subsidie wil vanzelfsprekend dat zijn aanvraag wordt toegekend en heeft de neiging zoveel mogelijk op papier te zetten. Daardoor kan het fonds door de bomen het bos niet meer zien; daardoor maakt de maker het zichzelf vaak onnodig moeilijk, en veel erger, daardoor komt de bedoeling van het filmplan nogal eens niet over” (Weg met het documentairescenario).
Mocht de aanvraag worden afgewezen dan is er een mogelijkheid om bezwaar aan te tekenen. Daarop wordt de aanvrager uitgenodigd het bezwaar toe te lichten voor een selectie van het bestuur. Vervolgens neemt het bestuur, eventueel na het inwinnen van een nieuw advies, opnieuw een beslissing.11 Zo staat het althans in de statuten omschreven. Van den Boogaard merkt op dat het in de praktijk anders gaat: “wie zijn filmplan door de commissie ziet afgeschoten, wil nog wel eens in torn ontsteken jegens de commissie en ons beoordelingsvermogen in twijfel trekken” (Gerritsma, Kwaliteit, 10). Daarbij vergeten de filmmakers dat het “uiteindelijke oordeel ja of nee is, maar daar gaat vaak een intense discussie aan vooraf. Aanvragers worden niet geconfronteerd met de interne verdeeldheid in de commissie” (Gerrtisma, Kwaliteit, 9). In dat opzicht heeft Peter Delpeut een goede opmerking: “discussier niet over criteria, maar over goede adviseurs. Zij zijn de criteria: hun bagage, eruditie, gevoel voor traditie en vernieuwing, gevoel voor authenciteit bepalen welke plannen goed genoeg zijn om gemaakt te worden” (Gerritsma, Kwaliteit, 14). Maar als het bestuur de uiteindelijke beslissing neemt, behoort een discussie over de bestuursleden dan niet tot de mogelijkheden?
Dat de goedkeuring van filmplannen afhangt van subjectieve criteria kan de oorzaak zijn dat men het eens is dat ondanks een filmplan aan alle criteria kan voldoen, dat geen garantie is dat de film een kwaliteitsdocumentaire zal worden. “Er bestaat geen feilloos systeem dat van tevoren meesterwerken en mislukkingen uit elkaar kan houden. Tenslotte lopen zelfs over voltooide films de meningen vaak nog fors uit een” (Gerritsma, Kwaliteit, 10). Met deze uitspraak heeft Van den Boogaard een goed punt, want het filmplan is slechts de fundering voor de film. Paul Cohen is zich ervan bewust dat het filmen zelf een belangrijke fase is, waarbij het filmplan niet te nauw genomen dient te worden: “het filmen moet niet uitdraaien op ‘boodschappen doen’. Alleen datgene filmen wat er op het lijstje staat” (Gerritsma, Kwaliteit, 11). In het discours is er verder niemand die uitlaat over de invloed van de fondsen op het filmen zelf. Pas in de postproductie bemoeit het Stifo zich weer met het project. Daarbij hebben ze slechts één specifieke eis: dat ze tijdens de aftiteling credit krijgen voor het subsidiëren van de ontwikkeling en / of productie van de film.12 Geen vreemde eis als je ziet welke bedragen er geïnvesteerd worden.
Vreemder is de expliciete eis met betrekking tot de uitzending van de productie: “televisieprogramma’s van landelijke omroepinstellingen die niet in de categorie kinderen/jeugd vallen dienen tussen 18.00 en 24.00 uur te worden geprogrammeerd en uitgezonden, met dien verstande dat programma’s waarvan de aanvang vóór 24.00 uur wordt geprogrammeerd ten minste voor de helft ook vóór 24.00 uur dienen te zijn uitgezonden” (Stimuleringsfonds, Uitzendtijdstip). Het Stifo hoort zich met de totstandkoming van de film bezig te houden, niet met programmering. De vraag is of geprogrammeerd worden voor fondsen eigenlijk van belang hoort te zijn. Ook rijst de vraag of kijkcijfers van eerdere producties genomen worden als graadmeter voor de beoordeling van de volgende aanvragen. Een vraag die helaas onbeantwoord blijft.
In 1993 is het Nederlands Fonds voor de Film (FilmFonds) ontstaan uit een fusie van het Productiefonds van de Nederlandse film en het Fonds voor de Nederlandse film. Het Filmfonds ontvangt op basis van de Kunstenplanbegroting subsidie van het OCW. In 2005 bedraagt hun budget voor de documentairefilm 2,2 miljoen euro. Van dat budget worden een aantal verschillende bijdragen worden gefinancierd. Daarbij is de lengte van de beoogde documentaire van belang voor de hoogte van de bijdrage. Ook van belang is dat voor alle realiseringsbijdragen geldt dat de bijdrage nooit hoger kan zijn dan 80% van de totale financiering. Als filmmaker zul je dus of zelf 20% moeten bijdragen of een derde partij moeten vinden. Die derde partij wordt meestal gevonden in een omroep of een ondersteunend fonds als het VSB Fonds. Overigens geldt voor realiseringsaanvragen dat als de regisseur al een eerder door het FilmFonds gesteunde film heeft vervaardigd, die eerst afgeleverd moet worden of ze moeten een goedgekeurde werkkopie hebben ontvangen, alvorens een nieuwe aanvraag in behandeling wordt genomen.13
Voor alle films geldt dat de keuze van het opnameformaat vrij is, maar de keuze voor opnameformaat moet onderbouwd zijn op inhoudelijke gronden en men dient het hoogste kwaliteitsniveau na te streven. Verder is het van belang dat de aanvraag ook daadwerkelijk een aanvraag is voor een documentaire. Het FilmFonds geeft duidelijk aan wat ze daaronder verstaan: “non-fictiefilms die een aspect van de werkelijkheid belichten, waarbij de eigen visie van de maker in een persoonlijke stijl wordt weergegeven met creatieve gebruikmaking van filmische middelen. De aanvragen voor deze creatieve documentaires moeten primair bedoeld zijn voor vertoning in het filmtheater en/of bioscoopcircuit…”. De aanvragen worden beoordeeld op “de kwaliteiten van het scenario, het talent van de makers en de vertoningsvooruitzichten van het project” (Nederlands Fonds voor de Film, Algemeen). Opvallend is dat hier nog gesproken wordt over een filmscenario, terwijl het Stifo spreekt van een filmplan.
Net als bij het Stifo worden aanvragen beoordeeld door een adviescollege. Zoals al eerder werd aangegeven is het van belang wie de adviseurs zijn.14 Het FilmFonds geeft in een opsomming aan wat zij van die adviseurs verwachten:
“Inhoudelijk deskundig zijn op het specifieke terrein waarop de commissie adviseert. Ervaren zijn in het op hun merites beoordelen van scenario’s. Geen belangen hebben bij projecten… Adviseurs dienen te beschikken over kritisch en analytisch vermogen om uit een breed scala van projectvoorstellen keuzes te maken en deze helder geformuleerd te onderbouwen. Kennis van de productie- en vertoningomstandigheden van filmprojecten wordt op prijs gesteld… Het Bestuur kan het Adviescollege vragen prioriteiten te stellen:in verband met het beschikbare budget van het Fonds; in verband met de gekozen prioriteiten binnen het beleid” (Nederlands Fonds voor de Film, E-nieuwsbrief 5).
Ook hier beslist het bestuur uiteindelijk over de aanvragen.15 Ze streven ernaar binnen zes weken na het inleveren van de aanvraag met een besluit te komen.16 Hierin is een tegenstelling waar te nemen. Het Stifo gaf aan dat een maker moet kunnen motiveren waarom de documentaire juist nu gemaakt zou moeten worden. Als het juist nu gemaakt dient te worden, is de filmmaker en het publiek dan niet gebaat bij een snelle afhandeling van de aanvraag? Sherman De Jesus zou graag zien “dat de beslissingsrondes korter zouden zijn, maar dat is een utopie in het systeem waarin we opereren” (Vragenlijst 1).
Bij de aanvragen zijn er een aantal beperkingen. Zo kan een scenarist/regisseur maximaal voor 2 scenario-ontwikkelingen tegelijk in aanmerking komen. Verder wordt debuterende regisseurs aangeraden om een aanvraag in te dienen in combinatie met een ervaren producent en omgekeerd. Daarnaast kan alleen de producent een aanvraag doen voor een bijdrage, waarmee individuele regisseurs en auteurs uitgesloten worden.17 Dit is in tegenstelling met een ontwikkeling die zich de laatste jaren voordoet. Die ontwikkeling is dat filmcrews steeds kleiner worden. Zo zijn er al crews die werken met één persoon op locatie en twee in de postproductie. Deze ontwikkeling is, zoals bijna alle veranderingen in het documentaire genre, aangedreven door een verandering in de techniek. Dit maal is het de komst van de kleine DV camera’s. Hoewel de camera’s kleinere crews mogelijk maakt en daarmee de kosten aanmerkelijk zijn gedaald (wat geldgebonden commissies erg tevreden stemt), is de vraag of de documentaires net zo goed zijn als de documentaires die met grotere crews zijn gemaakt.18 Alleen een receptie onderzoek zou dat kunnen uitwijzen.
Voordat de film aan het publiek getoond zal worden, moet een door het FilmFonds gefinancierde documentaire zowel in de ruwe montagefase als in de eindmontagefase getoond worden aan het hoofd documentaire, eventueel aangevuld met leden uit het adviescollege.19 En al wordt de film eenmaal vertoond, dan dient bij het maken van winst de financiële bijdrage van het fonds te worden terugbetaald. Dit zal de filmmaker niet motiveren om zijn film te verkopen. Dit zal verklaren waarom het bestuur van het FilmFonds
“aan het verlenen van een financiële bijdrage nadere voorwaarden kan verbinden inzake de uitvoering van het project of de activiteit, het financieel beheer, de presentatie van de resultaten, de verslaglegging en de afrekening van de bijdrage. Voorts kan het Bestuur een datum vaststellen waarop het project of de activiteit als voltooid geldt en het bewijs daarvan aan het Bestuur wordt overgelegd” (Nederlands Fonds voor de Film, Bijdragenreglement).
Pas sinds 2001 ondersteunt het FilmFonds documentaires met een lengte korter dan zestig minuten. Hoewel het positief is dat ze zoeken naar meer mogelijkheden, is het fonds niet helemaal tevreden: “Hoewel de 50 minuten documentaires in de bioscoop niet onpopulair blijken hebben we toch regelmatig problemen rond deze lengte: ze zijn cinematografisch vaak minder sterk en qua dramatische structuur volledig toegesneden naar televisieuitzending” (Beleid van de afdeling documentaire, 5).
Stan van Herpen schrijft in Skrien dat de macht van het FilmFonds toeneemt. Ze krijgen niet alleen meer geld, maar ze nemen ook meer taken op zich (onder meer distributie).20 “Het is in Nederland nog nauwelijks mogelijk een speelfilm van de grond te krijgen zonder financiering van het fonds. Niet alleen hebben zij de grootste zak met geld, toekenning van steun door het Filmfonds wil meestal zeggen dat andere geldschieters overstag gaan.” (Van Herpen, Wie is er bang voor het filmfonds?, 36).
Van Herpen: “Het filmfonds bemoeit zich zoveel met het productieproces dat ze wel moeten geloven dat een goede film maakbaar is. Als het eindproduct dan toch tegenvalt, is het maar de vraag of men mans genoeg is dat in te zien en de consequenties durft te nemen. Het risico is groot dat het een organisatie ontbreekt aan voldoende zelfreinigend vermogen en het fonds slechte films of documentaires toch de theaters in dirigeert...” Van Herpen geeft aan waarop hij dit baseert: “…te vaak zagen we een documentaire (medegefinancierd door de omroepen) die niet op het filmdoek thuishoort, maar op het televisiescherm.” (Wie is er bang voor het filmfonds?, 36) Pim Hermeling (mede-directeur A-film):
“het filmfonds is een subsidiegever, geen financier. Maar het filmfonds gedraagt zich wel zo. Ze bemoeien zich met het productieproces als een soort opperproducent. Als je ziet aan hoeveel regels een producent moet voldoen voor hij geld krijgt van het fonds. Denk bijvoorbeeld aan de marketingeisen die ze stellen. Marketing is een expertise die bij de producent en distributeur ligt, niet bij de fondsen. De groeiende bemoeienis van het fonds met het creatieve proces heeft de afgelopen jaren geen betere films opgeleverd, vindt Hermeling” (Van Herpen, Wie is er bang voor het filmfonds?, 34).
Toine Berbers (fonds-directeur) spreekt de uitspraak tegen dat ze een producent zouden zijn: “we nemen geen initiatieven tot filmprojecten” (Van Herpen, Wie is er bang voor het filmfonds?, 34). Rudolf van den Berg (voorzitter Dutch Directors Guild) relativeert die uitspraak:
“ze zijn vooral productioneel erg streng. Als ze die energie nou eens zouden steken in het beoordelen van filmprojecten op kwalitatieve criteria. Maar dan moet je wel mensen hebben die dat kunnen. Ik kom daar nooit mensen tegen met een gedreven visie op film. Er is daar niemand die zich afvraagt waarom de meeste Nederlandse films zo voorspelbaar zijn” (Van Herpen, Wie is er bang voor het filmfonds?, 34).
Berbers heeft zelf ook commentaar op de huidige situatie: “de toegang tot de omroepfondsen is geheel afhankelijk van het jawoord van één individuele omroep. Pas daarna kunnen filmmakers bij nog twee loketten (CoBO en Stimuleringsfonds) aankloppen voor verdere financiering. Blijft toezegging van die ene omroep uit, dan valt een gat in de financiering en kan de filmmaker, zelfs als hij wel steun krijgt van het filmfonds, zijn plannen vergeten.” (Omroepbeleid en film)
Niet vergeten mag worden is de competitie genaamd ‘Every picture tells a story’. In 2006 zal deze competitie voor de vierde maal plaatsvinden, warbij plaats is voor maximaal vier korte films. De korte films zullen vertoond worden als voorfilms. Het Filmfonds geeft duidelijk aan ze met dit initiatief onervaren regisseurs willen stimuleren om hun documentaires in de bioscopen te vertonen.21 Het Filmfonds geeft aan dat ze weinig beperkingen opleggen:
“Het onderwerp is vrij. De film speelt zich binnen de Nederlandse landsgrenzen af. De vorm is gericht op vertoning in het theater. Het filmplan mag poëtisch van karakter of observerend zijn; associatief of juist lineair in verhaalvertelling; muzikaal of juist atonaal. Prioriteit zal worden gegeven aan ideeën met een sterk visuele aanpak en zo weinig mogelijk verbale uitleg” (http://www.filmfund.nl).
In 1986 werd de Stichting Co-productiefonds Binnenlandse Omroep (CoBO-fonds) opgericht. Hun bron van inkomsten zijn voornamelijk de auteursrechtelijke omroepvergoedingen die door Belgische en Duitse kabelexploitanten worden betaald voor de gelijktijdige doorgifte van de drie Nederlandse publieke zenders in het ontvangstgebied.22
Het CoBO-fonds draagt financieel bij aan coproducties. Voor een volwaardige coproductie is sprake indien beide partners naast financiële inbreng ook de aard, inhoud of vormgeving van de productie meebepalen. Beiden moeten hun actieve rol kunnen aantonen, bijvoorbeeld door personele inbreng.23
Het belangrijkste van het CoBO is dat ze niet aan inhoudelijke toetsing doen. Een aanvraag kan alleen gedaan worden door een landelijke, publieke omroep.24 De selectie vindt dus niet plaats bij het fonds, maar bij de omroepen.
Wel stelt het CoBO aan de omroepen de eis dat de coproducties voordat ze op tv vertoond worden, eerst in de bioscopen te zien zijn. Hieruit blijkt al de samenwerking tussen het CoBO en het Filmfonds. Samen hebben ze een overeenkomst waarin staat dat als het Filmfonds ook bijdraagt aan een productie beide fondsen evenveel zullen bijdragen. Bovendien maakt het een extra bijdrage mogelijk, mits het budget van de documentaire hoger is dan 226.890 euro. En ook hier geld dat gegenereerde inkomsten zullen terug vloeien naar het fonds.25
Tijdens een presentatie in het Ketelhuis legde het FilmFonds uit wat er zal gaan veranderen. Die veranderingen zullen plaats vinden vanuit een algemeen geformuleerde doelstelling: “meer onafhankelijkheid voor de sector, stimulering van jong en oud talent, stimulering van de documentaire vertoning voor nieuw publiek en een wijd scala aan onderwerpen en stijlen…”. Het FilmFonds geeft aan hoe ze die doelstelling concreet willen maken:”…Voor de lange creatieve documentaires worden de bijdragen verhoogd, de promotiemogelijkheden verbeterd en scriptontwikkeling gestimuleerd. Er worden meer mogelijkheden gecreëerd om kleine documentaires, met beperkte middelen gemaakt, af te werken en uit te brengen, waarvan met name jong talent profiteert” (Beleid van de afdeling documentaire).
Uit het oogpunt van ‘meer onafhankelijkheid voor de sector’ zijn er drie belangrijke ontwikkelingen. Ten eerste gaf het FilmFonds aan dat ze sinds juni 2005 meer formaten ondersteunen, maar daar zit wel een voorwaarde aanvast: “zolang de technische kwaliteiten van ieder formaat optimaal gebruikt worden. Wel wordt verwacht dat de keuze voor een formaat gemaakt wordt om esthetische redenen en niet om financiële. De voorkeur voor de keuze zal goed onderbouwd moeten worden” (Beleid van de afdeling documentaire).
Ten tweede zal het FilmFonds accepteren dat de maximale bijdrage van 170.000 niet slechts 45% van de totale financiering is, maar 80%. Hierdoor kunnen producties de financiering van het fonds als goede basis gebruiken en worden ze minder afhankelijk van de omroepen. Ook moedigen ze producenten aan meer over de grenzen te kijken en ze willen de uitwisseling tussen buitenlandse producenten en Nederlandse producenten vereenvoudigen.26
Ten derde ziet het Filmfonds het liefst één loket, zonder inbreng van omroepen, om films te financieren. Ze geven daarbij wel aan dat ze de omroepbijdrage waarderen en dat uitzending op tv een van de belangrijkste vertoningsmogelijkheden is.27 Berbers: “het moet mogelijk worden om verrassender Nederlandse films te laten scheppen zonder dat makers vele loketten afmoeten en gaandeweg de scherpe kanten en vondsten in hun plan zien weggeslepen worden door de bemoeienis van teveel instanties.” (Omroepbeleid en film) Hans Heijnen onderschrijft dit: “het gevaar van vele eindredacteuren, fondsen en omroepen is natuurlijk dat de smaak van de grootste gemene deler wordt geofferd zodat je uiteindelijk een ‘vakkundige’ documentaire krijgt die net als de doorsnee Amerikaanse speelfilm over de hele wereld goed verkocht kan worden, maar artistiek totaal oninteressant zijn” (Gerritsma, Kwaliteit, 3). “Staatssecretaris Medy van der Laan gaf al eerder aan de versnipperde ondersteuningsstructuur te gaan herstructureren… alles zou in één sectorinstituut moeten worden gevestigd…”. Maar de vraag is of alles samen te voegen tot één instituut wel de oplossing is. “…Her en der wordt al geroepen dat zo’n instituut onherroepelijk leidt tot een soort staatsinstituut naar communistisch model, als centrale hoeder van goede smaak, met een eenvormige filmproductie als eindresultaat.” (Van Herpen, Wie is er bang voor het filmfonds?, 36). Berbers vindt “dat wel erg simplistisch denken. Zelfs in een relatief kleine organisatie als het fonds heb je grote verschillen tussen afdelingen. Bij een groter instituut heb je dat waarschijnlijk nog meer: als je meer geld hebt, kun je meer doen”. Rudolf van den Berg is daar niet zo zeker van. Hij is bang dat een sectorinstituut alleen maar tot meer bureaucratie leidt. “En dat is de aartsvijand van culturele expressie. Een bureaucratisch orgaan is vooral bezig zichzelf in stand te houden. Dan ben je niet gebaat bij het creëren van vernieuwende cinema. Zo’n log orgaan is een muur tegen visie en inventiviteit en leidt tot inhoudelijke stagnatie en voorspelbaarheid” (Van Herpen, Wie is er bang voor het filmfonds?, 36).
De visie van het FilmFonds reikt verder dan de discussie of er één sectorinstituut moet komen. Ze zien ook mogelijkheden voor experimenten: zowel artistiek als technisch (digitaal) wil het fonds nieuwe vormen en methodes stimuleren. Dat het fonds geïnteresseerd is in digitale technieken, wordt (mede) veroorzaakt doordat de omroepen steeds minder interesse tonen in de bioscoopdocumentaire. De verminderde interesse kan samenhangen met het gebrek aan kwaliteit, vindt Henk Camping (directeur filmtheater ’t Hoogt): Van alle documentaires die er per jaar in Nederland worden gemaakt, zijn er misschien maar twee geschikt voor het witte doek” (Broadcast Magazine, 25).
Joris Ivens maakte zijn laatste film A Tale of the Wind (1989) op 91 –jarige leeftijd. Hij zei niet lang voordat hij stierf: “I used to jump from war trench to war trench. Now I run the corridors of the world’s television stations looking for funds. It’s infinitely more exhausting” (Willis, Breaking the boundries, 101). Dit citaat is een goede introductie in de huidige situatie. In dit hoofdstuk zal gekeken worden tegen welke voorwaarden filmmakers geld kunnen krijgen van de omroepen voor de totstandkoming van hun producties. Eerst zal een kort historisch overzicht van het Nederlandse omroepbestel, dat bekend staat als de meest complexe ter wereld, worden aangereikt. Op deze wijze moet de huidige situatie inzichtelijker worden.
Het omroepbestel krijgt voor het eerst vorm in de periode 1919 – 1928. In deze periode begint elke groep met een bepaalde levensovertuiging (een zuil) zijn eigen radio omroep. Met de omroep proberen alle zuilen om hun achterban te bereiken. Rond 1930 bemoeit de regering zich met dit bestel. De minister van Waterstaat, onder wie radio als verkeersmiddel valt, vaardigt het eerste Zendtijdenbesluit uit. In dat besluit staat dat de zendtijd wordt verdeeld en dat geen reclame gemaakt mag worden op de radio, om te voorkomen dat de uitzendingen afhankelijk worden van commerciële belangen. Hiermee is de fundering gelegd voor het huidige televisie omroepbestel.28
Op dinsdag 2 oktober 1951 vindt de eerste officiële Nederlandse televisie-uitzending plaats. Ten tijde van die uitzending waren er vierhonderd toestellen en in de periode erna groeide de verkoop niet hard. Geen wonder, want er waren nog nauwelijks uitzendingen. Pas in de tweede helft van de jaren vijftig neemt het aantal toestellen explosief toe. In 1956 waren er al honderdduizend toestellen en in 1959 waren het er vijf honderdduizend.29 Door het toegenomen bereik zien de radio-omroepverenigingen ook in dit medium kansen om hun achterban te bereiken.30 Een oorzaak voor de toename in het aantal toestellen is dat er onder andere steeds meer films op televisie werden vertoond, ondanks dat er aanvankelijk weinig osmose was tussen film en tv. Met de opkomst van tv, verdwijnen bepaalde genres uit de bioscoop, omdat ze op tv beter tot hun recht komen.31
In 1960 is er voor het eerst commerciële invloed op radio-uitzendingen door de komst van Veronica. Ze vallen buiten de Nederlandse wet, want ze zenden uit vanaf internationale wateren. Hun uitzendingen zijn op Amerikaanse leest geschoeid: ze brengen reclameboodschappen, kunnen ongestoord uitzenden en is er een horizontale programmering (iedere dag op hetzelfde uur hetzelfde programma). 32 Eenzelfde programmering probeert men nu te bewerkstelligen voor de documentaire, door op steeds dezelfde tijdstippen uit te zenden. Een goed voorbeeld daarvan is ‘de donderdag documentaire’.
De programmering wordt vanaf 1965 bepaald door status. De status bepaalt de hoeveelheid zendtijd: hoe meer leden een omroepvereniging heeft, hoe meer zendtijd ze krijgen. Daarmee krijgen ze ook meer geld om programma’s te maken. In 1967 zwicht de publieke omroep voor de commercie: er komen reclameblokken voor en na het nieuws. Het is tot op de dag van vandaag dat programma’s niet onderbroken mogen worden voor reclameboodschappen. Om inmenging van adverteerders te voorkomen werd de STER opgericht. Zij innen het geld van de adverteerders, maar hebben geen zeggenschap over de vorm of inhoud van de programma’s.33 De inkomsten van de STER zijn in 2005 ongeveer een derde van de totale inkomsten.34
In april van 1988 wordt de derde zender gelanceerd. Wat eerder al op de radio gebeurde (Veronica) gebeurd in oktober 1989 op televisie. Vanuit Luxemburg zendt RTL Véronique (later omgedoopt tot RTL-4) haar programma’s uit (op de kabel). De zender veroverd binnen een jaar een marktaandeel van 25 procent. Het marktaandeel van de publieke omroep loopt terug van 83 procent naar 60 procent (een terugloop die bij alle publieke omroepen in Europa is waar te nemen, wanneer ze ineens moeten concurreren met de commerciële).35
In 1992 wordt het mogelijk om in Nederland een commerciële omroep te beginnen. Al snel neemt het aantal zenders toe: RTL 5, SBS6, Net 5 en Fox. Ook het aantal buitenlandse zenders neemt toe: TMF en MTV. Zie bijlage 6 voor een toename in het aantal zenders dat via de kabel wordt doorgegeven. Als gevolg van de toegenomen concurrentie ziet de STER zijn inkomsten sterk teruglopen.36
In 1998 wordt de Raad van Toezicht gevormd, ze is onderdeel van de stichting Publieke Omroep (PO). Hierin zijn momenteel de voorzitters van de omroepverenigingen vertegenwoordigd. De Raad van Toezicht houdt toezicht op de algemene gang van zaken binnen de organisatie, de kwaliteit van de besturing door de Raad van Bestuur, het (financiële) beleid en de samenwerking en coördinatie binnen de PO. De Raad van Toezicht draagt leden voor de Raad van Bestuur en fungeert als klankbord voor de Raad van Bestuur. Dit jaar zal de politiek voor het eerst de volledige Raad van Toezicht benoemen.
De dagelijkse leiding over de PO is in handen van de drie personen die de Raad van Bestuur vormen. De publieke omroep bestaat momenteel uit drie zenders: Nederland 1, 2 en 3. Elke zender heeft zijn eigen profiel. Die profielen zijn als volgt:
“Nederland 1 is vertrouwd, stelt de mens centraal en brengt verdieping aan in levensbeschouwelijke en maatschappelijke ontwikkelingen... Nederland 2 is de toegankelijke, familiale zender. De nadruk ligt op breaking news, evenementen, informatie in de breedste zin, drama, sport en evenementen... Nederland 3 is progressief cultureel, verdiepend en grensverleggend. Nederland 3 is er voor de kijker met grote maatschappelijke, politieke en culturele interesse” (Publieke Omroep Corporate, Zenders, netten en omroepen).
Deze profielen zijn van belang als een filmmaker een filmplan wil indienen bij een omroep. De maker moet namelijk rekening houden met het profiel van het thuisnet van de omroep.
Bij de commerciële omroepen zijn er twee series waarbinnen documentaires worden uitgezonden. Dit zijn NET 5 DOC en Shock DOC, beide eigendom van SBS Broadcasting BV. Hun afdeling publieksvoorlichting maakte duidelijk dat alle documentaires die ze uitzenden binnen het programma in het buitenland gemaakt zijn.37 Voor de Nederlandse documentaire is dit geen goede situatie. En die situatie verergert omdat steeds meer mensen naar programma’s van de commerciële omroepen kijken. Meer kijkers voor de commerciële omroepen leidt er toe dat er minder mensen naar de publieke omroepen kijken, met als gevolg dat de STER inkomsten teruglopen. Minder inkomsten voor de STER betekent minder geld voor de publieke omroep om programma’s te maken. Dat er minder geld beschikbaar is leidt niet alleen tot minder programma’s, maar meestal ook tot een afname in kwaliteit. Die lagere kwaliteit en kwantiteit kan zorgen voor een marginalisering van de omroep. Bij de bespreking van de plannen van staatssecretaris Van der Laan zal hier verder op worden ingegaan.
NCRV Dokument heeft rond de vijftig uitzendingen per jaar. Voor nieuwe producties, kijken ze echter jaren vooruit. Een vreemd gegeven, want daarmee gaan ze tegen de eis van actualiteit in. Jelle Peter de Ruiter (eindredacteur NCRV Dokument) laat weten dat alleen het registreren van maatschappelijke problemen niet onder zijn definitie van documentaire valt. Hij geeft ook aan waarom: “zolang je als filmmaker alleen maar registreert, blijf je onderdeel van het probleem” (De kunst van het documentaire maken). Tijdens het lezen van het filmplan wil De Ruiter de motivatie van de maker te weten komen. De maker moet duidelijk maken dat het onderwerp van belang is, belangrijker dan dat de filmmaker de film maakt.
De wekelijkse documentaireserie Close Up bestaat al veertien jaar. De documentaires die door Close Up worden uitgezonden zijn coproducties van de AVRO in samenwerking met externe producenten en / of buitenlandse omroepen bedenkt, financiert en uitvoert.38 AVRO’s Close Up wordt elke zondagavond uitgezonden om 19.00 op Nederland 1 en zend documentaires uit die gericht zijn op visuele kunst en cultuur.39 Ze krijgen elk jaar 1500 filmplannen toegezonden, waaruit ze een selectie moeten maken. Wolter Braamhorst (samensteller Close Up) geeft aan dat ook zij vooruitkijken: “om documentaires te maken, moet je een lange adem hebben. Het duurt gemiddeld meer dan anderhalf jaar voordat een idee uitgegroeid is tot een ‘uitzendklaar’ programma” (Close Up). Bij de beoordeling van de filmplannen wordt naar drie zaken gekeken. Ten eerste of het programma voldoet aan de officiële eisen (de definitie van de documentaire en de criteria), vervolgens naar het soort documentaire en daarna of het voldoet aan de AVRO steekwoorden.40 De eerste stap is de vraag of de documentaire voldoet aan de definitie van documentaire die de AVRO erop na houdt. Die definitie is als volgt:
“Een documentaire is een (persoonlijk) beeldverhaal met diepgang, waarbij werkelijke gebeurtenissen langs een dramatische lijn – mét een verhaalontwikkeling en / of ontwikkeling van de karakters – verkregen door gedegen research, zódanig worden gerangschikt, dat een nieuwe kijk op de bestaande werkelijkheid ontstaat. In sommige gevallen komt deze dramatische lijn bovendien tot uitdrukking in een bijzondere vormgeving c.q. visualisering (dan is er sprake van een ‘kunstzinnige’ documentaire). Een documentaire is per definitie een non-fictie programma” (Rawie, Documentaires bij de AVRO, 1).
Ook kent de AVRO een aantal criteria om de documentaire te onderscheiden van andere soorten programma’s zoals de reportage.
“1. Een documentaire moet een zelfstandig programma zijn, dus geen onderdeel in een ander programma. Documentaires kunnen wel in serievorm worden uitgezonden.
2. Hoewel een documentaire in principe elke lengte kan hebben, duurt deze in het algemeen – ook om recht te doen aan de inspanning die ermee gemoeid is – tenminste 20 minuten.
3. Een documentaire vergt de nodige inspanning, tot uiting komend in een degelijke voorbereiding (productieplan, gedegen research), meerdere opname- en montagedagen (veelal uitgespreid over een langere tijdsperiode), en / of een bovengemiddeld budget (ruim boven het uurbedrag). Deze gedegenheid moet in het eindresultaat zichtbaar zijn.
4. Een documentaire verraadt de visie van de makers. Dat houdt in: distantie ten opzicht van de directe actualiteit en een onafhankelijke opstelling; de idee van de makers en niet de zich voordoende gebeurtenissen sturen het verhaal. Niet de registratie van de werkelijkheid – zoals bij de reportage - staat centraal, maar de interpretatie ervan. Onder de noemer ‘visie’ vallen ook typeringen als ‘persoonlijk statement’, ‘journalistiek essay’ en ‘persoonlijke signatuur’. In bepaalde gevallen is sprake van een zeer uitgesproken visie in de zin van ‘auteurschap’.
5. Een documentaire vertoont een dramatische ontwikkeling (van verhaal en / of ontwikkeling en daarmee een zekere gelaagdheid en complexiteit. In een aantal gevallen komt deze bovendien tot uitdrukking in een bijzondere vormgeving (niveau van cameravoering, geluid en montage).
6. Programma’s die naar het oordeel van externe deskundige instanties (fondsen) of erkende festivals als documentaires zijn aangemerkt vallen automatisch binnen de definitie” (Rawie, Documentaires bij de AVRO, 2).
De tweede stap is de indeling naar het soort documentaire. De AVRO onderscheidt drie categorieën: A, B of C. Waarbij A staat voor de grote, dure, internationale tijdloze documentaire. B voor de kleinere, verhalende toegankelijk gemaakte documentaire en C voor de kunstzinnige, strikt individuele documentaire. Voor coproducties zijn voor de AVRO in het bijzonder de B documentaires interessant. Omdat de voorkeur van de AVRO hiernaar uit gaat, zal op deze categorie iets dieper worden ingegaan. De AVRO dicht de B documentaire een aantal kenmerken toe.
“Het zijn kleinere, vaak nationale, verhalende documentaires, de maker(s) hebben een min of meer persoonlijke band met het onderwerp. Hoewel toegankelijkheid geen losstaand doel is, wil de maker zijn / haar fascinatie met het onderwerp met het publiek delen, en zal dus veel moeite getroosten zo helder en meeslepend mogelijk het verhaal te vertellen. Deze documentaires hebben vaak een nieuwe invalshoek, een ‘actuele’ opvatting; het onderwerp zelf speelt een belangrijke rol: het ‘gaat’ ergens over; de research is een heel belangrijke factor. Ze zijn meer tijdsgebonden dan de A documentaires” (Rawie, Documentaires bij de AVRO, 4).
De laatste stap is dat het programma moet voldoen aan de AVRO steekwoorden. Die steekwoorden zijn: “vakmanschap, betrouwbaarheid, beschaving / respect voor het onderwerp, zeggingskracht, enthousiasme, stellingname, eigentijds en onderhoudend toegankelijk” (Rawie, Documentaires bij de AVRO, 5).
Voldoet het programma aan deze lijst met wensen, dan wordt het programma geproduceerd. Wolter Braamhorst heeft voor de makers een lijst met wensen waarin die gericht zijn op de productie en postproductie. Het is een lang citaat, maar in zijn volledigheid geplaatst vanwege zijn duidelijkheid.
“…de inhoud staat centraal en de inhoud bepaalt de vorm; vormexperimenten louter en alleen vanwege het experiment worden bij Close Up niet gewaardeerd. De documentaires worden gemaakt volgens de regels van het moderne drama: dat wil zeggen een goede spanningsboog, afwisselende beelden en locaties, diverse verhaallijnen en geen langstaande stills. De cameravoering en montage is creatief en van hoge technische kwaliteit maar niet ‘arty’… elke documentaire heeft een zogeheten ‘hook’, iets waardoor het algemene publiek direct geïnteresseerd raakt in het onderwerp. De eerste paar minuten van de documentaire staan als een huis met de centrale vragen: Wat gaan we de komende 52 minuten zien en waarom moeten/willen we dit weten? De koptitel van de documentaire zit in de eerste minuut van het verhaal, dus geen zogenaamde ‘teaser’ van drie minuten of langer.
Als er buitenbeeld commentaar nodig is (als dat niet hoeft, liever niet!), dan geeft het commentaar échte informatie en geen opinies of stemmingen weer.
De maker is in de documentaire niet te horen of te zien. De documentaire gaat immers niet over hem/haar, maar over z’n passie voor het onderwerp en dus moet de maker bereid zijn dat enthousiasme te delen met een zo groot mogelijk algemeen publiek. De maker is dus dienstbaar aan het verhaal en is bereid te luisteren naar adviezen en ziet de documentaire niet als persoonlijk kunstwerk op zich.
Als er interviews in het verhaal voorkomen, dan moeten die goed gekadreerd zijn en gezet zijn in een omgeving die gerelateerd is aan het onderwerp (geen ‘boekenkasten shots’ of andere lelijke nietszeggende achtergronden voor het interview). Vragen, opmerkingen en tussenvoegsels zijn uit het interview gemonteerd…
Omdat Close Up een documentaire televisierubriek is, is een aantal voorwaarden gerelateerd aan het medium televisie. Zo moet er ruimte in beeld zijn voor vertalingen en ondertitels en moeten de naamtitels van de mensen die aan het woord komen in de AVRO huisstijl worden gemaakt. In de kadrering van het documentaire beeld moet de maker rekening houden met de gewoonten van tv-zenders om in de linker- of rechterbovenhoek een voortdurende stationcall te plaatsen.
De aftiteling gaat in overleg met de Close Up redactie en mag niet langer zijn dan 30 seconden. Deze aftiteling moet gemaakt worden over bewegend beeld” (Gerritsma, Kwaliteit, 145, 146).
Een aspect wat in het discours terugkomt is de vorm van de documentaires. Regisseur Sherman De Jesus is dan ook “niet gauw geneigd om vormexperimenten te doen als ik voor een omroep werk” (Bijlage Vragenlijst 1). Filmmaker Leendert Pot geeft daarvoor een verklaring: “je biedt iets dat toch geen zin heeft, niet bij een omroep aan. Dus als je iets wil maken met een afwijkende lengte of vorm die absoluut niet binnen de formats past, begin je er al niet aan en ga je alternatieven zoeken. Eenmaal aangenomen door een omroep, ben je al op grote lijnen met elkaar eens en loopt het bij mij tot nu toe altijd goed” (Bijlage Vragenlijst) .
Zembla is een documentaire serie waarbinnen actuele documentaire’s worden uitgezonden. De producties zijn gericht op maatschappelijke ontwikkelingen of bijzondere gebeurtenissen in Nederland.41 Zembla geeft echter aan dat ze “in principe geen onderwerpen van derden aannemen” en dat “de uitzendingen worden door een eigen redactie gerealiseerd” (Bijlage : Vragenlijst Zembla).
Dokwerk is een documentaire serie van de VPRO en de NPS. De serie heeft een traditie van auteursdocumentaires. Ze geven ook aan wat ze onder dat begrip verstaan. Ze zien als belangrijkste kenmerk van die documentairevorm de persoonlijke benadering van de maker, waarbij zijn of haar interpretatie van de werkelijkheid centraal staat. Deze documentaires zijn niet per se gericht op de actualiteit, dit in tegenstelling tot de (lange) reportage, maar er is wel altijd een verband met de wereld waarin we leven in relatie tot het verleden en als het kan ook de toekomst. De auteursdocumentaire behoort meer te zijn dan alleen het weergeven van de feiten en moet de kijker aanzetten tot nadenken en het leggen van verbanden, om zo inzicht te krijgen in een aspect van onze tijd.42
Door de recente politieke ontwikkelingen heeft Dokwerk besloten geen documentaires uit te zenden van externe producenten. De serie zal overgaan op aankoop en interne documentaires.43
De Donderdag Documentaire ging op 1 september 2003 van start. Deze documentaire serie wordt verzorgd door de IKON en de Humanistische Omroep. Beide omroepen hebben in het verleden veel Nederlandse documentaires uitgezonden (onder meer de films van Heddy Honigmann, Jos de Putter, Pieter Verhoeff en Irene van Ditshuyzen). De uitzendingen vinden plaats elke donderdagavond op Nederland 1. Er is dus sprake van een vorm van horizontale programmering. In de serie worden zowel binnenlandse als buitenlandse producties getoond. Dat zijn niet alleen producties van ervaren, gerenommeerde filmmakers, maar ook van jonge, talentvolle mensen. Centraal staat de betrokkenheid van de maker bij de dilemma’s waarvoor de hoofdpersonen van hun films komen te staan. De Donderdag Documentaire biedt documentaires die vanuit verrassende invalshoeken een andere kijk geven op de werkelijkheid. Over leven tegen de stroom in. En over de talloze manieren waarop mensen de stroom naar hun hand willen zetten. 44
Uit de door de IKON geretourneerde vragenlijst kwam het belang van de eindredacteur naar voren. De eindredacteur wordt bij het proces betrokken in de postproductiefase en levert inhoudelijk commentaar. De aanwezigheid van een eindredacteur wordt ervaren als “zeer positief. Makers vragen er om en zouden liefst willen dat de eindredacteur vaker langskwam” (Vragenlijst 5). Regisseur Sherman De Jesus kan dat beamen: “ik moedig ze aan om invloed te hebben op het werk, want ik verwacht dat daarmee het werk beter wordt. Als je niet beïnvloed wil worden door anderen moet je maar op een onbewoond eiland gaan wonen” (Vragenlijst 1).
Met de komst van internet komen de omroepen
van hun eiland af. Ze richten zich niet langer uitsluitend op televisie, maar
zetten hun producties ook op het internet. Het bereik van internet is momenteel
nog wel lager dan het bereik van de kabel. Zo kan van alle Nederlandse
huishoudens 71 procent het internet op, waarvan ongeveer eenderde een
breedbandverbinding heeft. Volgens een onderzoek van Forrester zal het
aantal breedbandverbindingen toenemen tot zo’n 54 procent in 2010.45
Een breedbandverbinding is noodzakelijk om online video te kunnen kijken. Een
korte blik op de verschillende snelheden toont dat aan. Met een snelheid van
1Mbps heeft de kijker bijna VHS kwaliteit. Die kwaliteit wordt pas behaald bij
1,2 Mbps. Bij 4Mbps wordt DVD kwaliteit benaderd en bij 8Mbps wordt die
kwaliteit daadwerkelijk behaald. Bij 10Mbps kan men zelf meerdere kanalen
tegelijk kijken.46 Momenteel wordt er al online naar video gekeken.
Van de gebruikers met breedband internet kijkt 37 procent naar streaming
video’s.47 In die optiek is het goed dat de publieke omroep
marktleider is bij het vertonen van online producties.48 Dit is te
danken aan een doordachte webstrategie van de omroepen.49 Op het
internet heeft de publieke omroep een aantal thema kanalen. Eén daarvan,
Holland Doc, zend documentaires uit. Dit zijn geen nieuwe producties, maar
herhalingen van producties die eerder op tv zijn uitgezonden. Dit kanaal kent
een horizontale programmering. Een hele dag lang wordt een productie elk uur of
om elk uur uitgezonden. Er is hier nog geen sprake van video-on-demand.
Regisseur Sherman De Jesus geeft aan dat hij al producties maakt ze op internet
te vertonen, maar denkt niet dat het zinvol is om producties alleen voor het
internet te maken.50
Een andere digitale markt is het vertonen van producties op mobiele telefoons. Op de website van Vodafone is een overzicht te vinden van wat er aan zenders beschikbaar is.51 Duidelijk is dat er nog geen documentaire zender is. Sherman De Jesus is enthousiast over deze nieuwe vertoningsvorm, maar denkt dat “het scherm groter moet. Misschien kan er een miniprojector worden ingebouwd” (Vragenlijst 1).
Hoewel toekomstplannen meestal berusten op speculatie, zijn sommige veranderingen die zullen plaats vinden al wettelijk vastgelegd. Voor de overige zaken is slechts het discours weer te geven dat zich nu afspeelt.
Met het oog op morgen
Voordat Staatssecretaris Van der Laan met haar plannen kwam, was een rapport verschenen van de visitatie commissie Rinnooy Kan. Die commissie had een aantal aanbevelingen, waarvan de belangrijkst is dat de omroepvoorzitters uit de Raad van Toezicht worden verwijderd en ze een louter adviserende functie te geven. De omroepvoorzitters zijn nu nog in staat om via de Raad van Toezicht besluiten van de Raad van Bestuur tegen te houden. Zij kunnen op die manier opkomen voor het belang van hun eigen omroepvereniging, terwijl de Raad van Toezicht juist het belang van de hele omroep moet overzien. De commissie wil de omroepvoorzitters in de raad van toezicht vervangen door onafhankelijke deskundigen.52 Die deskundigen zullen worden benoemd door de politiek. Willem Pekel vreest voor een ‘verpolitisering’ van de omroep.53
Van der Laan heeft dat rapport extensief gebruikt voor haar plannen voor de hervorming van de publieke omroepen, die in 2008 van kracht moet zijn. Die hervorming is vastgelegd in het plan 'Met het oog op morgen'. In dat plan staan een aantal veranderingen vastgelegd. Die veranderingen zijn gebaseerd op ontevredenheid van de politiek over de huidige situatie. Een belangrijk uitgangspunt is dat de macht van de omroepen verminderd moet worden en de macht van de publieke omroep als geheel moet groeien. Van der Laan vindt dat de omroepen niet goed aansluiten bij hun achterban en eist dat ze weer programma’s gaan uitzenden vanuit hun eigen identiteit.54 In het veld is er de consensus dat de omroepverenigingen zullen herzuilen, als gevolg van de eis dat omroepen hun identiteit meer moeten uitdragen. Als gevolg daarvan staan alle samenwerkingsverbanden onder druk.
Voor de documentaire is het meest van belang het verdwijnen van de NPS. Van der Laan heeft besloten deze omroep stop te zetten, omdat ze geen achterban hebben.55 Ondanks het verdwijnen van de NPS zullen de programma’s worden voortgezet tot 2011. Welke invulling Van der Laan hieraan wil geven heeft ze nog niet laten blijken. Ze kan het aan de Raad van Bestuur overlaten of van de vorming van het nieuwe bestel (of de volgende staatssecretaris).56 Regisseurs Sherman De Jesus en Leendert Pot zien met het verdwijnen van de NPS ook de mogelijkheden voor de documentaire verdwijnen.57
Vanaf 2008 mag er ook geen amusement meer worden uitgezonden. Dit houdt in dat er programma’s zullen verdwijnen, waardoor men aanvankelijk dacht dat er zendtijd en geld zou vrijkomen dat gebruikt zou kunnen worden voor de productie van documentaires. Helaas wordt er ook bezuinigd op de budgetten van de omroepen (in drie jaar van 34 naar 17 miljoen), waardoor er noch geld, noch zendtijd zal zijn voor meer documentaires. In het discours is dit echter een misvatting. Hoewel het budget van de omroepen terugloopt, zal het budget van de Raad van Bestuur toenemen. Om in aanmerking te komen voor de programma’s die van dat budget gemaakt zullen worden kunnen niet alleen omroepen zich inschrijven, maar ook externe productiemaatschappijen.
Ton Steinz geeft in het NRC zijn visie op wat er zal gebeuren. Hij verwacht dat de omroepverenigingen omgevormd zullen worden tot productiehuizen. Arie Kasper (CNV media) ziet ook de gevolgen daarvan: “faire concurrentie met andere omroepen op basis van programma-aanbod moet plaats maken voor concurrentie met externe producenten” (CNV Media bezorgd over werkgelegenheid publieke omroepen). Gevolg hiervan is dat de macht van de individuele omroepen verminderd, wat meer mogelijkheden creëert voor productiebedrijven.
Ad van Liempt (eindredacteur Andere Tijden, NPS/VPRO) ziet een bureaucratie ontstaan “rond de beoordeling van programmavoorstellen. En wat zal het moeilijk worden voor jonge, onervaren maar creatieve programmamakers om in deze jungle hun weg te vinden…”. Maar hij baart ook zorgen over de groeiende macht van de Raad van Bestuur, “die belast wordt met de centrale sturing, moet wel een enorm ambtelijk apparaat opbouwen om alle taken uit te voeren” (Het gevaar van spookrijder Van der Laan).
In 2006 zullen de STER inkomsten dramatisch dalen (naar verwacht 51 miljoen euro minder dan verwacht). Deze inkomstendaling wordt naar alle waarschijnlijkheid niet of hooguit deels door OCW gecompenseerd. Harms Bruins Slot (voorzitter van de Publieke Omroep) vermoed dat er als gevolg een televisienet ‘op zwart’ gaat.58 Ook PvdA kamerlid Martijn van Dam vreest dat door teruglopende reclame-inkomsten er uiteindelijk maar twee kanalen over zullen blijven. In de politiek pleit de VVD zelfs voor twee zenders. Ze krijgen tegenstand van het CDA, de BOS en de Ster die handhaving eisen van drie televisienetten, omdat afschaffen van een zender zal leiden tot een marginalisering van de publieke omroep.59
Op zich is die ontwikkeling al gaande. Voor dit jaar verlegde Van der Laan de bereiksdoelstelling al naar 40%, en voor 2006 gaat ze uit van 33%.60 Van der Laan laat zich overigens niet uit over het aantal zenders in het nieuwe bestel, dat laat ze afhangen van de Raad van Bestuur. Die mag komen met een voorstel, dat door het kabinet goedgekeurd moet worden. Dat voorstel zal samenhangen met de ontwikkelingen rondom digitale tv, die ervoor kunnen zorgen dat het derde net overbodig wordt.61
De discussie of er een televisienet moet verdwijnen heerst al langer. In 1998 verscheen het rapport van Mckinsey genaamd ‘De publieke omroep na 2000’. Daarin werden al de gevolgen voorzien van een teruggang naar twee zenders: minder werk voor onafhankelijke producenten en minder inkomsten.62
De omroepgelden groeien niet meer, maar het aantal zenders neemt nog steeds toe. Bert van Dijk ziet dat de Nederlandse markt een overcapaciteit heeft.63 In het discours schijnt men te ‘vergeten’ dat de advertentie-inkomsten op het internet enorm groeien. Zoals al eerder bleek heeft de publieke omroep ruim vijf miljoen online bezoekers, oftewel een grote, onbenutte advertentiemarkt.
Verder is het niet ondenkelijk dat de advertentiemarkt voor tv en internet samenvloeien. Hoe de mensen omgaan met de media zal daarmee veranderen: de macht komt bij de kijker.64 Deze verandering begint nu al duidelijk te worden, door de opkomst van Windows Media Center, Mediaportal en soortgelijke programma’s, waarbij de kijker beslist wat hij kijkt en wanneer hij dat kijkt.
Momenteel wordt de Publieke Omroep grotendeels gefinancierd door een rijksbijdrage, die aangevuld wordt met de STER inkomsten. Deze wijze van financiering staat onder druk. Er zijn twee discoursen gaande. De eerste is de vraag of de Publieke Omroep wel met reclamegelden gefinancierd moet worden en de tweede is of kijk- en luistergeld opnieuw ingevoerd moet worden. Beide discoursen hebben tot doel de Publieke Omroep onafhankelijker te maken.
Recent is er een nieuw discours ontstaan omtrent een plan van de Raad van Bestuur. Dat plan houdt in om omroepen niet langer te koppelen aan één net, maar hun programma’s thematisch koppelen. Dit plan moet meer STER inkomsten opleveren, omdat men meer kijkers verwacht (langer doorkijken op hetzelfde net). In dat plan staan ook een aantal bezuinigingen opgenomen om het financieringstekort wat in 2007 en 2008 zal ontstaan op te vangen. Het belangrijkste gevolg van dit plan (voor dit onderzoek) is dat er minder nieuwe documentaires gemaakt zullen worden en dat er meer herhaald zal worden. Ook van belang is dat ze de zomerprogrammering met vier weken willen verlengen.65 Dat houdt eigenlijk in dat er voor vier weken minder documentaires gemaakt zullen worden. Opvallend is overigens dat er bij de publieke omroepen veel bezuinigd zal worden op de programma’s, terwijl het bestuur van de Publieke Omroep een salaris ontvangt van 78,6 miljoen euro.66
Of het plan van de Raad van Bestuur zal helpen is nog maar de vraag. Uit een onderzoek van Reuters blijkt een tendens dat internet een steeds groter aandeel krijgt in advertentie-inkomsten. Dit is te danken aan het feit dat men de advertenties kan toesnijden op individuele consumenten en dat hun reactie kunnen traceren. David Verklin (van het online media opkopende bedrijf Carat Americas) denkt dat tv juist meer adverteerders zal krijgen, mits internet en tv samensmelten. Zijn visie is dat omroepen in plaats van reclames aanklikbare websites uitzenden.67
Duidelijk is dat veel mensen zich zorgen maken om de manier waarop de omroep gefinancierd wordt en welke gevolgen dat heeft voor de programma’s die daaruit voortvloeien. Dat geeft al aan hoe groot de rol van de omroepen is bij het totstandkomen van programma’s. Het Stifo heeft al eerder de wens geuit dat “films gefinancierd kunnen worden zonder omroepdeelname en via één loket. Zij zien in de huidige “make or break positie” van de omroep een weeffout omdat dit de filmcultuur vleugellam dreigt te maken” (OCW, Samenvatting reacties veld over toekomst publieke omroep, 4). Die situatie verergerd door een ontwikkeling die het Filmfonds waarneemt: ‘een verminderde interesse in film’. Het fonds had van verscheidene omroepdirecteuren te horen gekregen dat film moeilijk past bij een bepaalde identiteit of profiel. Het FilmFonds wijst erop dat omroepen het aan hun stand verplicht zijn om filmproducties van eigen bodem uit te zenden.68
De versplintering van het aantal zenders zal in de toekomst verder toenemen, ook op digitaal gebied. Zo liggen er momenteel bij de Raad van Bestuur achttien voorstellen voor nieuwe themakanalen.69 Daar zullen de themakanalen van commerciële omroepen nog bij komen. Een vergaande versplintering wordt niet alleen veroorzaakt door een toename in het aantal zenders, maar door de komst van internet zullen kijkers veel minder gebonden zijn aan de uitzendschema’s van de omroepen. Internet maakt het mogelijk dat op een door de kijker gekozen moment naar een programma gekeken zal worden.70 Dit wordt bevestigd door Van Dijck (hoogleraar Televisie, Media en Cultuur aan de Universiteit van Amsterdam): "De kijker heeft veel macht gekregen. Vroeger keken we met z'n allen naar hetzelfde programma, maar dankzij internet bepalen we zelf wanneer we kijken” (Digitale tv). Michiel Buitelaar ziet meer voordelen(directeur consumenten van KPN):
“We gaan pareltjes ontdekken van programmamakers die geen voet aan de grond krijgen, maar overlopen van talent en nieuwe ideeën. Kijk maar, het is nu al een fluitje van een cent om materiaal aan de wereld te tonen. Met behulp van technieken als ‘vodcasten’ of ‘vbloggen’ zet je namelijk zo je eigen materiaal online. Dan zie je dingen die verassen, ontzetten, verbazen, inspireren en onze kijk op zaken zullen veranderen” (Iedereen zijn eigen zender).
Buitelaar staat niet alleen in deze visie.
Edwin van Lun voorziet de opkomst van de ‘personal media agent’. Deze agent
(computersoftware) zal bijhouden wat je interesses zijn, wat je vrienden kijken,
je attenderen op programma’s. Hierbij worden we alle reclames weggelaten. Van
Lun verwacht een verandering dat de kijkers niet meer naar omroepen kijken, maar
naar programma’s. En voor die programma’s zal betaald moeten worden.71
Maar de rol van de omroep is niet uitgespeeld, denkt Van Dijck: "er zal altijd
behoefte blijven aan professionaliteit. Daar hebben we zelfs geld voor over" (Digitale
tv). Ook Buitelaar verwacht dat de omroepen zullen blijven bestaan, wegens
de vraag naar kwaliteitsprogramma’s. Maar die programma’s zijn duur en dus
hebben ze een groot bereik nodig om het geld terug te verdienen. De oplossing
die Buitelaar ziet is dat “de programma’s van de omroepen zullen door de
versnippering van het kijkersgedrag nog internationaler gericht moeten worden of
echt crossmediaal van opzet” (Iedereen zijn eigen zender).
In dit onderzoek werd onderzocht ‘in hoeverre het productieproces van de documentaire in Nederland in een keurslijf wordt geperst door de huidige structuur van omroepen en fondsen?’. In andere woorden zou je kunnen zeggen dat onderzocht werd of de vrijheid van de filmmaker door de instituties wordt beperkt. Fellini zei ooit dat teveel vrijheid voor filmmakers niet goed is; geef ze teveel vrijheid en ze zouden hun bed niet eens meer uitkomen. In dat opzicht is het goed dat makers onder druk horen te staan. Maar is de druk van de omroepen en de fondsen niet te hoog?
Het aantal ingediende aanvragen voor de ontwikkeling en productie van documentaires overtreft de vraag vele malen. Dat plaatst de omroepen en fondsen in een positie waarin ze eisen kunnen stellen aan de aanvragen en de producties die daaruit voortvloeien. De discoursanalyse heeft een aantal problemen aan het licht gebracht.
De fondsen spelen een zeer belangrijke rol in de financiering. Zonder hun bijdragen krijgen makers de financiering niet rond. Een nadeel daarbij is dat zowel het Stifo als het CoBO pas bijdragen als een omroep achter het filmplan staat. Dat maakt het selectieproces van filmplannen tot een sleutelmoment. En juist op dat moment worden plannen beoordeeld op niet meetbare criteria. Dat heeft tot gevolg dat voor de maker onduidelijkheid (en frustratie) ontstaat over de reden dat een filmplan wordt geselecteerd. Bij de omroepen krijgen ze meestal een standaardbrief waarin staat dat het filmplan afgewezen is.72 De fondsen willen wel toelichting geven en bieden de makers de mogelijkheid om hun plan toe te lichten. Impliciet zijn er echter wel een aantal criteria die voor zowel de omroepen als de fondsen schijnen te gelden. Het is van belang dat de maker gelooft in het onderwerp, gemotiveerd is om de documentaire te maken en er moet een goede crew worden samengesteld.
Na het selectieproces volgt de productie. Hierin is de maker vrij, maar hij moet wel rekening houden met het medium waarop de documentaire vertoond zal worden. Pas in de postproductie hebben de instituties weer invloed, in de persoon van de eindredacteur. Zijn inbreng wordt als positief ervaren.
Verder is gebleken dat omroepen veel intern doen. Ze hebben een eigen fonds voor documentaire producties en twee series waarbinnen of aankopen of producties van de eigen redacties worden uitgezonden. Met de plannen van Medy van der Laan lijkt daar een eind aan te komen. Zowel omroepen als productiebedrijven kunnen zich vanaf 2008 inschrijven voor programma’s. De vraag is echter hoe de Raad van Bestuur de programma’s zal gaan selecteren. Er wordt gepleit voor afschaffing van het bureaucratische labyrint. Er zou één instelling moeten komen voor het aanvragen van subsidie voor ontwikkeling en productie van documentaires. Er zit echter ook een groot gevaar in het hebben van één centrale instelling: censuur. Een oplossing zou kunnen zitten in het vinden van alternatieve vormen van financiering.
Een negatief gevolg van de plannen van de staatssecretaris is het verdwijnen van de NPS. Deze omroep besteedt veel aandacht aan documentaires en het is de vraag of andere omroepen de rol van de NPS als broedkamer over kan nemen. In het discours omtrent de toekomst van de andere omroepen blijkt dat veel mensen zich zorgen maken over de teruglopende STER inkomsten. Het meest belangrijk gevolg is dat er minder documentaire producties gemaakt kunnen worden en dat daarmee de selectieprocedures ongetwijfeld nog zwaarder zullen worden. Van minder belang is dat door de terugloop in inkomsten er twijfel ontstaat of de publieke omroepen met reclamegelden gefinancierd moeten worden en of de derde zender behouden kan worden. Dat behoud kan wel eens afhangen van de vorderingen op digitaal gebied.
Het veld kijkt uit naar de veranderingen die op stapel staan. Zo is er onder meer de verwachting dat internet de documentaires zal bevrijden van de tijdsloten van de omroepen. De vraag is echter wanneer het tijdperk zal aanbreken dat documentaires gemaakt worden met de lengte die geschikt is voor juist die documentaire? En eigenlijk zelfs meer: wanneer zullen documentaires gemaakt worden naar de vorm en inhoud die de makers voor ogen staat. Maar dat is voorlopig nog toekomst muziek.
Momenteel bevindt de publieke omroep zich in
de fase waarin op het internet alleen herhalingen te zien zijn van producties
die eerder al op tv te zien waren. In de komende jaren zal de volgende fase van
start gaan, waarbij de vorm van de productie bepaalt op welk platform het te
zien zal zijn.
Nu de problemen zijn gesignaleerd kan een volgend onderzoek mogelijkheden bestuderen om de situatie te verbeteren. Tevens zou een voortzetting van dit onderzoek een vergelijking met andere landen kunnen zijn. In het bijzonder lijkt de Verenigde Staten zeer interessant. Het land is veel commerciëler ingesteld. Hoe krijgen filmmakers daar hun documentaires van de grond? Welke beperkingen stelt het werken binnen een commerciële structuur?
Dit onderzoek richtte zich op het
productieproces van een documentaire en sluit zo deels aan bij het onderzoek van
Suzanne de Groot, waarin zij zich richtte op de distributiezijde. Voor een
volgend onderzoek zou men zich kunnen richten op de receptie van de documentaire
(door de pers en kijkers). Zo gaat men er in het discours vanuit dat de omroepen
de tijdsloten opleggen bij de filmmakers. Maar misschien is het publiek dat er
behoefte aan heeft, bijvoorbeeld omdat het een programma herkenbaar maakt.
ANP, NPS blijft overeind op
http://omroep.blogspot.com,
laatst bezocht 12-12-05.
AVRO, Jaarverslag 2003. Hilversum, mei
2004.
Bakker, J., Nederland neemt voorsprong
breedband op
http://www.computable.nl/artikels/archief5/d22hb5fu.htm,
geplaatst op 03-06-05.
Berbers, Omroepbeleid en film.
Amsterdam, 1 maart 2005.
Broadcast Magazine, nr 218. April 2005.
Buitelaar, M., Iedereen zijn
eigen zender.
Callsheet, Werkgroep waakt over
onafhankelijke tv-productie. April 2005.
Close Up (http://www.avrokunsttribune.nl/closeup/,
laatst bezocht op 10-12-05).
CoBO online (http://sites.omroep.nl/cobofonds/fonds/werking.html,
laatst bezocht op 14-12-05.
Gerritsma, A.M., Kwaliteit. Wat is dat?
Amsterdam, Stimuleringsfonds, maart 2005.
Filmbeeld nr3. Amsterdam, Nederlands Fonds voor
de Film, mei 2005.
Filmbeeld nr4. Amsterdam, Nederlands Fonds voor
de Film, oktober 2005.
Filmfonds, The Full
Monty. Beleid van de afdeling documentaire. Presentatie Ketelhuis, 27-04-05.
Henderson, P., Internet ad growth pressures
TV to change op
http://ww.reuters.com,
bericht geplaatst op 05-12-05.
Hermes, J. en Reesink, M., Inleiding
televisiestudies. Amsterdam: Boom, 2003.
Hogenkamp, B., De documentaire film
1945-1960. De bloei van een filmgenre in Nederland. Uitgeverij 010:
Rotterdam, 2003.
Kasper, A., CNV Media bezorgd over
werkgelegenheid publieke omroepen op
www.radio.nl,
bericht geplaatst op 12-10-05.
Mediawet (http://www.minocw.nl/cultuur/mediawet.html,
laatst bezocht 27-11-05).
Moll, W., Enquete vragen (http://www.euronet.nl/users/warnar/demostatistiek/meth/enquetes.htm,
laatst bezocht op 12-12-05)
Multiscope, Omroepen scoren op internet op
http://www.multiscope.nl,
bericht geplaatst op 15-09-05.
Nederlanders willen reclamevrije publieke
omroep op
http://www.radio.nl,
bericht geplaatst op 25-11-05.
Nederlands Fonds voor de Film, Algemeen
op
http://www.filmfund.nl/,
laatst bezocht op 15-12-05.
Nederlands Fonds voor de Film,
Bijdragenreglement op
http://www.filmfund.nl/,
laatst bezocht op 15-12-05.
Nederlands Fonds voor de Film, Documentaire
in Aanvragen per categorie op
http://www.filmfund.nl/,
laatst bezocht op 15-12-05.
Nederlands Fonds voor de Film, E-nieuwsbrief
5, september 2005 op
http://www.filmfund.nl,
laatst bezocht op 15-12-05.
Nichols, B., Introduction to documentary.
Bloomington & Indianapolis: Indiana University Press, 2001.
NOS, Publiek in de toekomst. Nota van de
Raad van Bestuur van de NOS over de publieke omroep na 2000. Hilversum, mei
1998.
NOS, Meerjarenbegroting 2003-2007 op
http://www.cvdm.nl,
laatst bezocht 03-12-05
NVFTM (http://nftvm.nl/index.php?prikbord=4)
Omroep (http://omroep.blogspot.com,
laatst bezocht op 13-06-05)
Omroep.nl (http://www.omroep.nl,
laatst bezocht 13-06-05)
Rawie, M., Documentaires bij de AVRO.
Januari, 1999.
RvB van de PO wil programmeringsmodel op
http://www.radio.nl,
bericht geplaatst op 02-12-05.
Reclame op publieke netten weg in 2008
op
http://www.radio.nl,
bericht geplaatst op 21-11-05.
Pekel, ‘Verpolitiseert’ Publieke Omroep nog
verder? In Broadcast Magazine 216, 4 maart 05, jaargang 16.
Publieke Omroep Corporate, Geschiedenis
op
http://portal.omroep.nl,
laatst bezocht 10-12-05.
Publieke Omroep Corporate, Zenders, netten
en omroepen op
http://portal.omroep.nl,
laatst bezocht 10-12-05.
Radio.nl, Omroepen moeten strijden voor
zendtijd' op
http://www.radio.nl,
laatst bezocht 13-12-05.
Radio.nl, Publieke Omroep mag lager
marktaandeel hebben op
http://www.radio.nl,
laatst bezocht 13-12-05.
Radio.nl, PO moet snijden in tv- en
radiozenders op
http://www.radio.nl,
laatst bezocht 13-12-05.
Radio.nl, RvB van de PO wil
programmeringsmodel op
http://www.radio.nl,
laatst bezocht 13-12-05.
Rinnooy Kan, Rapport visitatiecommissie
landelijke publieke omroep. Omzien naar de omroep. April 2004.
Stimuleringsfonds, Algemene voorwaarden
in Handleiding voor de aanvraag van ontwikkelingssubsidie voor
televisiedocumentaires door een landelijke omroepinstelling op
http://www.stimuleringsfonds.nl,
laatst bezocht 15-12-05.
Stimuleringsfonds, Begroting en
financieringsplan in Handleiding voor de aanvraag van
ontwikkelingssubsidie voor televisiedocumentaires door een landelijke
omroepinstelling op
http://www.stimuleringsfonds.nl,
laatst bezocht 15-12-05.
Stimuleringsfonds, Bezwaarprocedure in
Handleiding voor de aanvraag van ontwikkelingssubsidie voor
televisiedocumentaires door een landelijke omroepinstelling op
http://www.stimuleringsfonds.nl,
laatst bezocht 15-12-05.
Stimuleringsfonds, Handleiding voor de
aanvraag van ontwikkelingssubsidie voor televisiedocumentaires door een
landelijke omroepinstelling op
http://www.stimuleringsfonds.nl,
laatst bezocht 15-12-05.
Stimuleringsfonds, Statuten op
http://www.stimuleringsfonds.nl,
laatst bezocht 15-12-05.
Stimuleringsfonds, Weg met het
documentairescenario. Leve het filmplan. Juni, 2003.
Stimuleringsfonds, Uitzendtijdstip in
Handleiding voor de aanvraag van productiesubsidie voor televisiedocumentaires
voor volwassenen door een landelijke omroepinstelling op
http://www.stimuleringsfonds.nl,
laatst bezocht 15-12-05.
Stimuleringsfonds, De documentaire en de
beoordeling van documentairescenario’s. Amsterdam, juni 2003.
Thie, M., Beperken zendtijd kan pas vanaf
2010 in NRC, 03-04-05.
Tirard, Moviemaker’s masterclass. New
York en Londen: Faber and Faber, 2002.
Van der Laan, M., Met het oog op morgen. De
publieke omroep na 2008. Kabinetsvisie op de toekomst van de publieke omroep.
Den Haag, 24 juni 2005.
Van der Laan, M., Soepelere mediaregelgeving
op
http://www.planet.nl/planet/show/id=62967/contentid=624530/sc=3e6f89,
bericht geplaatst op 28-09-05.
Van Dijk, B., Start van Talpa. Nieuwe fase
in omroepland. In Financieel Dagblad, 15-08-05.
Van Herpen, S., Wie is er bang voor het
filmfonds? in
Skrien, februari 2005.
Van Liempt, A., Het gevaar van spookrijder
Van der Laan. Vijf zwakke punten in de voorgestelde hervorming van de publieke
omroep in NRC, 29-06-05.
Van Lun, E., Personal brands scheppen orde
in TVM nummer 5, jaargang 17, oktober 2005.
Van Sterkenburg, P.G.J., Van Dale groot woordenboek hedendaags Nederlands. Utrecht & Antwerpen: Van Dale Lexicografie bv, 3e druk, 2002.
Stagiair: Frank Suyker (0112747)
Bonaventurastraat 70B,
3081 HG Rotterdam,
tel: 06-22208254,
fsuyker@gmail.com
Stageinstelling: Memphis Film & Television (Memphis)
Maliebaan 83,
3581 CG Utrecht,
tel. 030 - 233 20 23,
info@memphisfilm.net
Stagebegeleider: Fons Grasveld
Kromme Nieuwegracht 29, kamer 1.25,
tel. 030-2536333,
Fons.Grasveld@let.uu.nl
Stageperiode:
7 maart – 7 september 2005
Stagewaardering
15 ECTS
Films are more harmonious than life,
Alphonse, there are no bottlenecks in films, no dead-time, films keeps
rolling forward, like trains, you understand, like trains in the night.
People like you and me, you know, are only happy in our work, our work
in the cinema.
- Francois Truffaut in La Nuit
Américaine (1973).
Algemene informatie over de stage-instelling
Memphis is gespecialiseerd in het ontwikkelen en het produceren van documentaires, televisieprogramma’s, speelfilms, bedrijfsfilms en voorlichtingsfilms van hoge kwaliteit voor zowel Nederland als de internationale markt. Recent ligt de nadruk op het ontwikkelen van documentaires. De documentaires omvatten verscheidene onderwerpen, waaronder kunst, literatuur, human interest, sociaal maatschappelijk, historie, muziek en ontwikkelingsproblematiek.
Memphis is in 1992 is opgericht dat door
Sherman De Jesus (regisseur en producent) en Cécile van Eijk (producent). Zij
werken samen met freelancers zoals onderzoekers, schrijvers, regisseurs,
cameramensen en editors die projectmatig bij het bedrijf betrokken zijn. Tijdens
de studie heb ik kennis genomen van het Hollywood studio systeem. De Nederlandse
variant ervan is het productiehuis. Memphis wijkt daarvan af, omdat ze
mensen van buiten af inhuren. Dat maakt Memphis een van de vele kleine
filmproductiebedrijven die er zijn in Nederland. (De productiebedrijven zijn
echter wel geconcentreerd in de steden Hilversum, Amsterdam, Utrecht en
Rotterdam) In verscheidene artikelen staat dat in Nederland de kleine
productiebedrijven zich zouden moeten verenigen in productiehuizen, om zo
continuïteit in de producties te verkrijgen. Memphis toont door zijn
lange bestaan aan dat dit geen noodzaak is.
Het hoofddoel van de stage was bekend worden met de dagelijkse praktijk van een producent. Vanuit dat hoofddoel waren een aantal leerdoelen afgeleid:
Deze leerdoelen zijn bereikt, door de diverse werkzaamheden die zijn uitgevoerd:
Tevens werd er tijdens de stage een antwoord gezocht op de vraag: ‘Wordt de Nederlandse documentaire in een keurslijf geperst door de huidige structuur van fondsen en omroepen?’
In de eerste twee, drie weken draaide het
veel om het lezen en zien van de materialen die Memphis heeft liggen.
Hierdoor raakte ik bekend met het materiaal en de bijbehorende namen van
regisseurs, auteurs, crew, acteurs, etc. Het kennen van de namen en bij welk
project ze horen, komt van pas als er telefonisch contact is (over een bepaald
project).
Zoals het in Hollywood hoort ben ik ook begonnen in de “mailroom”. Het is natuurlijk niet een klusje waarvan je veel van leert (hooguit het opbergsysteem dat ze hebben voor de binnen gekomen post), maar gelukkig mocht ik in deze weken ook interessanter werk doen. Zo werd mij gevraag schriftelijk mijn mening te geven over twee projecten (zie bijlage 1 voor mijn mening over het voorstel Ho!). Rechtdoor zee stond er dat ik geen toekomst zag in de projecten, beiden waren niet origineel en spraken weinig tot de verbeelding. Omdat het mijn mening was kon dit op deze wijze geformuleerd worden. Als het een dramaturgisch rapport zou zijn geweest was dit niet mogelijk geweest, omdat het daarbij de bedoeling is de schrijver verder te helpen.
Memphis is een kleine organisatie is met veel verschillende projecten die tegelijkertijd lopen. Dat maakte het voor mij mogelijk om op een breed vlak kennis te maken met het hele proces van films maken. Tijdens de stage werd ik voor de dagelijkse taken voornamelijk aangestuurd door Cécile en Eline. Hieronder een bespreking van enkele alledaagse zaken.
Wat me opviel is dat er veel tijd gaat zitten
in kleine organisatorische zaken: postzegels kopen, DVD’s op de post doen,
kleine boodschappen doen voor de lunch, kopiëren van papieren, mensen bellen,
etc. Een voordeel kent dit ook, je neemt even afstand van een project. Het zet
vaak je gedachten op wat anders zodat als je op een later moment je veel
productiever er aan kan werken, omdat je er met een frisse blik tegenaan kijkt.
Naast de telefoon ligt een blok met “Things to
do today”. Hoewel ik vooral in het begin dacht het niet nodig te hebben, heeft
het zijn nut al meerdere malen bewezen. Als me gevraagd wordt bepaalde dingen te
doen, schrijf ik ze altijd op. Je denkt het niet te vergeten, maar dat doe je
toch. Bovendien is het een handig middel om aan het eind van de week te zien
waar je al je tijd aan hebt besteed. Over het eind van de week gesproken, ik heb
het als zeer prettig ervaren om vier dagen per week te werken, in plaats van de
gebruikelijke vijf. Als filmmaker draait het om verhalen te vertellen. Die
verzin je (meestal) niet alleen door de hele dag achter een computer te zitten,
veertig uur per week. Je moet erop uit trekken, dingen meemaken, levenservaring
opdoen. In dit oogpunt wil ik graag de documentaire over Jan Schoonhoven
aanhalen. Door deze documentaire ben ik anders gaan kijken naar de dingen om me
heen. Schoonhoven is iemand die lette op details en maakte daar een
uitvergroting van. Hij kon inspiratie opdoen uit hoe twee daken elkaar raken,
hoe een tegel in een stoep ligt, hoe een raamkozijn eruitziet. En maakte dat tot
kunst. Het is een invalshoek die zeer interessant is. Het letten op details in
de samenleving heeft bij Memphis ook geleid tot een bijzonder filmplan
over paaltjes, later daarover meer.
Om regenachtige dagen, waar er genoeg van
waren, is het leuk om kantoorwerk te doen. De kachel staat aan, kopje thee
erbij, dan ben je lekker bezig met het werk. Op zonnige dagen merk ik dat ik het
jammer vind dat ik binnen zit. Als filmmaker zou je toch graag naar buiten
willen gaan met een camera en ergens gaan filmen.
Er waren weinig vergaderingen voor research & development (R&D). Die had er twee wekelijks moeten zijn. R&D mag niet onderschat worden. Hoewel je op een bepaald moment erg druk bezig kan zijn met een project, zal je altijd nieuwe projecten moeten ontwikkelen, om zo in de toekomst niet in een gat terecht te komen. Wel is er bijna elke week een productie vergadering gehouden. Uit die vergaderingen kwamen voor mij vaak nieuwe dingen die ik kon doen. Zo kwam uit een van de eerste vergaderingen dat ik de archiefkasten mocht doorspitten.
Memphis heeft ten alle tijden
meerdere projecten in ontwikkeling. Die projecten worden bewaard in de
archiefkasten. In de eerste maand heb ik de archiefkasten van Memphis
doorgespit en een overzicht gemaakt van wat er zich in deze kasten bevindt. Ik
kwam er van alles tegen, van losse krantenartikelen tot uitgewerkte scripts.
Sommige van die projecten konden naar het permanente archief, daar zal niet meer
aan worden gewerkt. Verder waren er projecten die in de wacht staan (“on hold”),
de overige projecten zijn in ontwikkeling of in productie. Naast dit papieren
archief is er ook een digitaal archief. Bij dat archief kan heel overzichtelijk
worden bijgehouden hoe ver een project is. Is bijvoorbeeld al een cameraman op
het oog of zijn er al acteurs benaderd. Al dat soort feitjes kunnen in de
database verwerkt worden. Het lijkt me een erg prettige en goed georganiseerde
manier om aan projecten te werken.
Tijdens het doorspitten van de archiefkasten heb ik me afgevraagd in hoeverre omroepen en fondsen een rol spelen in het archief. Als je geen fondsen krijgt die je productie willen financieren of geen omroep vindt die jou productie wil uitzenden, dan kan de productie in de wacht worden gezet of worden gearchiveerd. Vandaar dat Memphis steeds meerdere projecten in ontwikkeling heeft, om niet afhankelijk te zijn van één productie.
Van de eerste tot de laatste dag van de
stage ben ik bezig geweest met de verwikkelingen omtrent de filmfestivals. Het
is erg belangrijk om de afgeronde producties bij zoveel mogelijk festivals in te
schrijven. Uitgangspunt voor de festivalinschrijvingen was het handboek van
Holland Film. Hierin staan alle grote filmfestivals vermeld. Omdat zelfs dat
nog teveel festivals zijn, had ik de focus gelegd op de festivals waarvan
Holland Film het transport zou vergoeden. Van daaruit had ik een overzicht
gemaakt met alle festivals die hun deadline kennen in de periode dat ik stage
liep bij Memphis. Je kan een film niet zomaar inschrijven voor elk
festival. Er zijn vaak beperkende voorwaarden aan een festival gebonden. Zo kan
het zijn dat je film mede gefinancierd moet worden door een Amerikaanse
productiemaatschappij of dat het de debuut film van een regisseur moet zijn, of
dat de regisseur een vrouw is. Voldeed een van de producties van Memphis
aan de voorwaarden dan schreef ik de film in, waarbij ik altijd een perskit
meestuurde, ook al vroegen ze daar niet naar. Voor het eigen archief maakte ik
een kopie van de inschrijvingen deed die in de festivalmap. Echter in het
verloop van de stage was te merken dat steeds meer festivals alleen maar werkten
met digitale aanmeldingen. Hoewel de aanmeldingen daardoor sneller verlopen, is
het even iets nazoeken in je eigen archief een stuk moeilijker. Van elke film is
een overzicht bijgehouden van alle inschrijvingen die voor die film gedaan zijn.
Werd een film eenmaal geselecteerd voor
vertoning, nam ik contact op met Holland Film (Andre Naus). Met hun werd
gekeken naar de handigste route die een film kon afleggen langs alle festivals
(het zogenaamde festival hoppen). Vervolgens stelde ik de regisseur op de
hoogte. Die werd soms uitgenodigd om zijn film toe te lichten op het festival.
Na afloop van een festival nam ik contact op over eventuele prijzen. Bij Memphis
een drietal prijzen meegemaakt: één voor Boy Ecury, Best Foreign Film
in het Eilat International Film Festival, twee voor Zielen van Napels,
Best Long Documentary op het Kiev’s “Contact” International
Documentary Film Festival en Best Documentary in the humanities
(Magnolia Award) op het Shanghai Tv Festival (waar de film op DVD aan de
jury vertoond werd). Hoewel ik niet aan de producties zelf heb meegewerkt en
regisseurs Vincent Monnikendam en Frans Weisz natuurlijk ook een groot deel van
de eer verdienen, voelde ik me toch trots dat ze de prijzen wonnen (Hetzelfde
gold voor als een voorstel geld kreeg van een fonds). Aan de awards zit zowel
een beeldje als een geldprijs verbonden. De vraag is nu wie wat krijgt. De
verdeling van de geldprijs is opgenomen in een contract dat voor de aanvang van
het maken van de film getekend is. Over eventuele beeldjes wordt niets gezegd.
Er is over het Chinese beeldje enige struggeling ontstaan tussen Memphis
(de producenten) en Vincent Monnikendam (de regisseur). Dit slechts even
terzijde. De film Zielen van Napels doet het international goed en is momenteel
te zien in de bioscopen. Dit alles is waarschijnlijk te danken aan de vertoning
op het Tribeca Film Festival, waar er een ‘buzz’ is ontstaan rondom de film. Nu
een paar statistieken.
- Zielen van Napels (2005), 30
inschrijvingen, 5x geselecteerd, 2 awards (Magnolia Award bij het Shanghai TV
festival en Best Long Documentary bij het Kontakt Internatioanl Documentary Film
Festival in Kiev) .
- Joymeal (2001), 2 inschrijvingen.
Ondanks dat de film al wat ouder is, is het nog steeds in te schrijven bij
gespecialiseerde festivals, zoals onlangs het gastronomische film festival in
Barcelona.
- Schat (2004), 11 inschrijvingen, 2x
geselecteerd. Ondanks dat Schat de Nederlandse inzending was voor de korte film
bij de Oscars slaat de film niet aan in het buitenland. Het lijkt erop dat men
alleen in Zuid-Europa waardeert (de film is geselecteerd in Portugal en Italië).
Onlangs zijn twee documentaires (Omstreden
Vrijheid en Jan Schoonhoven) afgemaakt en die worden sinds afgelopen
week ook ingeschreven voor de festivals. Beide zijn kennen twee inschrijvingen.
De 'core-business' van Memphis is het produceren van films. Dat houdt in dat ze niet zelf de distributie regelen voor een productie. Dat is een specialisatie apart. Waarschijnlijk zou je vooral in het buitenland te weinig kennis van zaken hebben om dingen goed te regelen. Voor de meeste producties laat Memphis zich in het buitenland vertegenwoordigen door een sales agent. Die sales agents bieden zichzelf aan als je film het goed doet op de filmfestivals. Met de festivals is het leuk om een volle zaal te trekken. Leuker is het nog als de film een prijs wint. Maar waar het echter omdraait is gezien te worden. Valt de film op, dan is de kans groter dat een sales agent of een vertegenwoordiger van een omroep (zijn veel minder vertegenwoordigd) jouw film opmerken. Verkopen aan een omroep brengt geld op. Valt de film eenmaal op, dan volgt de interesse van buitenlandse sales agents vanzelf. Echter als Nederlandse productiemaatschappij weet je niet goed welke agents te vertrouwen zijn en of ze goed zijn in hun werk. Via Holland Film (stichting ter promotie van de Nederlandse film) kom je soms wel meer te weten. Ook kun je kijken naar de sales agents van andere Nederlandse productiemaatschappijen en kijken wat dat heeft opgeleverd. Je wilt natuurlijk dat de film op zoveel mogelijk plaatsen wordt vertoond en dat je er geld aan verdient en niet dat de film bij een derderangs distributeur op de plank terecht komt.
Momenteel wordt er bij Memphis
gewerkt aan twee documentaires waarin geloof een grote rol speelt. Van huis uit
ben ik katholiek opgevoed, maar sinds halverwege de middelbare school ben ik
steeds atheïstischer geworden. Desondanks vind ik de grote geloofsvragen erg
interessant. Voor een professionele researcher maakt het onderwerp niet uit, het
gaat om het proces van informatie vinden. Dat geeft zeker voldoening. Vooral
mijn internetresearch wordt steeds beter, het wordt bijna een specialisme. Maar
buiten het internet is nog veel informatie te vinden: bibliotheken, instituut
voor Beeld & Geluid, mensen. Daar komt bij dat over sommige onderwerpen
op internet weinig te vinden is, een andere aanpak is dan gewenst.
Voor Sherman heb ik research gedaan voor de
Mattheus Passion, een toneelstuk gespeeld door de toneelgroep van Baal
in 1976/77. Regisseur Herbert Curiël wil er een fictie film van maken. Via het
internet heb ik allerlei kranten benaderd of ze artikelen/recensies hadden over
het toneelstuk van toen. Een voor een vielen er antwoorden in de brievenbus, met
kopieën van de krantenstukken. Een groot deel van die artikelen zit bijgevoegd
bij de aanvraag die verstuurd is naar het
filmfonds. Waar ik echter
trotser op ben is dat ook mijn dramaturgisch verslag daar onderdeel van
uitmaakt. Zowel Sherman als Herbert Curiël vonden het verslag geniaal. Mijn ego
was gestreeld.
Op een dag kwam Sherman naar me toe met het idee om over paaltjes een documentaire te maken. Opzich lijkt het idee absurd. Wie zou er geïnteresseerd zijn in zo’n klein detail in de samenleving? Echter als je verder kijkt dan de paaltjes zelf, zie je dat het onderwerp veel meer behelst. Het is iets dat vele mensen bezig houdt en iedereen die je erover aanspreekt heeft er wel een mening over. In de loop van stage ontwikkelde het zich van idee tot filmplan. Je schrijft zoiets niet in één dag en ook niet van achter de computer. Dat laatste is iets wat me, dankzij Sherman, duidelijk is geworden. Je moet het veld ingaan, mensen erover aanspreken. Je wilt weten hoe mensen er mee omgaan. Het is een merkwaardige, andere wereld. Een wereld, die als het bezinkt, je steeds meer aan gaat staan. Het onderwerp gaat vanaf dat moment vanzelf groeien. Uiteindelijk is er een filmplan uitgerold (zie bijlage 4) waar ik zeer trots op ben en waarvan ik hoop dat Sherman hem ooit mag verfilmen.
De bewonersdocumentaire Leidsche Rijn is
een apart geval. Ten eerste is het een creatief gegeven wat gebaseerd lijkt op
VideoNation van de BBC: amateurs filmen het leven. Hun materiaal
wordt door een professionele editor verwerkt tot een film die kijkbaar is. Voor
Leidsche rijn zijn een aantal bewoners van de wijk op pad gegaan met hun eigen
of een door mij aangeschafte camera (Hoewel het een opdrachtfilm is, zitten er
duidelijk sterke documentaire trekjes in). Daarnaast hebben we ook zelf twee
dagen gefilmd. Van al dat materiaal (een uur of zeven in totaal) is een clip
gemaakt voor RTV Utrecht van 20 seconden en een documentaire van 20
minuten. Voorafgaand aan de montage heb ik spotlist gemaakt van het
bewonersmateriaal en van de eerste filmdag van Memphis. Na het spotten
ben ik twee weken op vakantie geweest. Op de eerste dag na mijn vakantie
begonnen we met het monteren. Noch voordat we ook maar een seconde gemonteerd
hadden, waren er al problemen. De draagbare harddisk van Pim Verdonk, de editor,
liet zich niet aansluiten op de montage computer. Hiermee ging een aantal uren
verloren. Hieruit blijkt maar weer dat een gedegen voorbereiding gewenst is. Ik
mocht erbij zitten, mijn mening geven, hielp de muziek en shots uit te zoeken.
Sherman vond mijn spotlist erg goed. Hij gaf me nog de tip: “met een goed
geheugen erbij word ik een uitstekende filmmaker”. Pim wou iets proberen met
bewegende kaders en beeld over beeld. De hele dag is hij bezig om de technische
constructie te maken. Aanvankelijk had ik mijn twijfels over de gekozen vorm.
Echter omdat je steeds met frames bezig bent, hooguit seconden, overzie je het
geheel niet. Pas in het verloop van de middag, toen we de clip voor het eerst in
zijn geheel afspeelden, zag ik dat de constructie goed werkte en kreeg ik
vertrouwen in het eindresultaat. Sherman had zich, op de selectie van de te
gebruiken shots na, afwezig gehouden. Hij was zeer content met het eindresultaat
en gaf Pim een lofbetuiging. In mijn ogen heeft het resultaat wat weg van een
ansichtkaart van Leidsche Rijn, iets wat de opdrachtgevers ook voor ogen hadden
(alleen het niet zo verwoorde).
Door wat Pim deed steeds aandachtig te bestuderen zijn mijn montage en Final Cut Pro vaardigeheden gegroeid. Pim is een meester in het vak (zit er 33 jaar in) en laat zien dat hij de techniek goed beheerst. Hij blonk uit in ‘cross-cutting’, ‘cut on action’ en het verbeteren van het geluid. Tijdens het monteren plak je alles op een bepaalde manier aan elkaar, dat het eigenlijk niet strookt met de werkelijkheid. Sherman zei daarover: “filmen is liegen met 24 beelden per seconden”. Dit was een beroemde quote van Truffaut, echter ik was daarvan niet op de hoogte. Het deed me twijfelen aan de kwaliteit van onze opleiding en of ik de afgelopen vier jaar er zelf wel genoeg energie heb ingestoken. Duidelijk is dat mijn filmkennis nog vele malen beter kan.
Ook kleine productiebedrijven als Memphis hebben te maken met het illegaal kopiëren van DVD’s. Iedere week gaan er zo’n vijf tot tien DVD’s de deur uit naar filmfestivals. Die DVD’s bevatten geen kopieerbeveiliging (zodat we zelf onbeperkt kopieën kunnen maken). Overigens officiële DVD’s die wel een soort beveiliging kennen, zijn makkelijk van die beveiliging te ontdoen. Derving van inkomsten als iedereen in een bepaald land een film al gezien heeft voordat je de film aan een tv station hebt kunnen verkopen.
Het regelen van een première van Zielen van Napels in Napels zelf, bleek erg lastig. Via het internet kom je wel bij de websites van allerlei culturele instellingen in Napels, maar die sites zijn bijna allemaal volledig in het Italiaans en die taal beheers ik niet. Gelukkig deed er zich spontaan een oplossing voor. Een film festival in Napels toonde interesse in het vertonen van Zielen van Napels. Dit heeft geleid tot een soort première. Doordat er geen budget was, is er niet groots uitgepakt. De lokale crew die aan de opnames had meegewerkt werden wel uitgenodigd.
Als een film een prijs won op een
festival, moesten zoveel mensen dit te weten komen. Voor de gelegenheid werd dan
een persbericht geschreven. Zie bijlage 2 voor een voorbeeld. Het schrijven van
een persbericht is niet zo eenvoudig als het lijkt. Je verslijt vele versies
voordat je de uiteindelijke versie via de mail verstuurt. Het is vooral een
strijd om zoveel mogelijk informatie zo netjes mogelijk te versturen.
Ook heb ik posters van Zielen van Napels
ophangen in de binnenstad van Utrecht. Elk bedrijf of instelling dat ook maar
enigszins een Italiaanse uitstraling had heb ik gevraagd of ik er poster mocht
ophangen. Het is niet alleen leuk als het lukt om ergens een poster op te
hangen, ook de reacties van de mensen waren erg leuk. Het ophangen van de
psoters was bedoeld als een soort extra promotie voor de film. De distributeur
regelt alle echte promotie voor de film, of behoort dat te doen.
Op een van de laatste dagen van de stage heb ik nog het affiche voor Omstreden Vrijheid ontworpen. Uit het maken van een affiche blijkt toch hoe moeilijk het kan zijn om een film in een enkel beeld te representeren. En om het nog iets lastiger te maken, moet het ook een filmische uitstraling hebben, het moet mensen pakken, ze moeten naar de film willen gaan aan de hand van dat affiche.
Al in het eerste gesprek voorafgaand aan de stage bleek dat mijn kennis op het gebied van het creëren en onderhouden van websites een toegevoegde waarde is. Voor het onderhouden en ontwerpen van de website heeft Memphis een webdesigner ingehuurd, genaamd Paul van Zoggel. Paul is iemand die zich in Oost-Europa heeft bezig gehouden met het Korsakoff systeem. Met dit systeem is het mogelijk een interactieve documentaire te maken, dat wil zeggen de gebruiker (niet langer toeschouwer) kiest zijn eigen weg door de documentaire. Als maker zet je slechts een rode draad uit. De synergie tussen ‘nieuwe media’ en film intrigeren me en zoals ik het zie beweegt de industrie zich ook die kant op (kijk bijvoorbeeld naar de recente opkomst van media centers in de huiskamers van huishoudens). De website van Memphis speelt ook in op de synergie: zo wordt het mogelijk om online trailers te bekijken, kunnen bezoekers dvd’s aanschaffen, etc. Doordat de nieuwe website pas online zal gaan na het Nederlands Film Festival kan ik hier niet het resultaat van mijn adviezen verwerken. Ik hoop dat mijn kennis op het gebied van webdesign en webcultuur heeft bijgedragen aan een betere site.
Het was een langdurige klus om alle dialoog van de documentaires Omstreden Vrijheid & Jan Schoonhoven - Beambte 18997 uit te schrijven. Ondanks dat het monotoom werk lijkt, beleef je er wel degelijk plezier aan. Je zit zo dicht op de film, dat je veel meer details ziet, dan als je een film normaal zou bekijken.
In de stage werd een antwoord gezocht op
de vraag: ‘Wordt de Nederlandse documentaire in een keurslijf geperst door de
huidige structuur van fondsen en omroepen?’ Echter deze vraag vond ik zo
interessant dat ik hem heb overgenomen in mijn scriptie. Dat heeft wel enkele
gevolgen gehad voor de beantwoording van de vraag tijdens de stage. Zo heb ik
nog geen interviews gehouden, omdat ik aan Memphis dezelfde interview
vragen wil stellen als aan de overige producenten die ik wil benaderen. Dat was
tijdens de stage periode niet mogelijk, omdat de lijst met interviewvragen nog
in ontwikkeling is.
Met deze vraag in mijn achterhoofd heb ik
vaktijdschriften gelezen als Filmbeeld, Skrien,
DutchDirectosGuild, Broadcast magazine, Call Sheet,
etc. Door de in deze bladen gevonden informatie te combineren met datgene
waarmee ik bij Memphis bijna dagelijks te maken had is mijn inzicht in
het onderwerp vergroot. Voor dieper in tegaan op de onderzoeksvraag, zal eerst
nog de structuur waarin Memphis werkt verduidelijkt worden. Memphis
gaat uit van het Hollywood model, waarbij de producent een hoofdrol speelt. De
mensen erom heen zijn inwisselbaar. Per project wordt er gewerkt met andere
schrijvers (hoewel er met sommigen vaker gewerkt wordt, als het goed bevallen
is) en met een andere crew. Sherman is als regisseur de enige in-house crew,
maar hij wordt niet als regisseur aangesteld voor elk project. Voor de projecten
waar Sherman wel als regisseur is aangesteld is de wisselwerking tussen
producent (Cécile) en regie goed zichtbaar. Uit het autobiografische boek van
Mike Medavoy (producent van onder andere The Thin Red Line) blijkt dat
Amerikaanse producers vaak erg strak op hun budget letten. Cécile is wat milder
en laat vanuit het oogpunt van de uiteindelijke kwaliteit van de film extra
opname – en montagedagen toe. Bij het Productiebureau Video leerde ik al
dat je niet te toegeeflijk moet zij met extra dagen, anders gaan groepjes er op
voorhand al vanuit dat ze een dag extra zouden kunnen krijgen. Echter je maakt
natuurlijk uitzonderingen, want je wilt dat ze een film hebben die af is. Er is
hier een koppeling te maken naar de onderzoeksvraag. In de onderzoeksvraag wordt
uitgegaan van de rol die fondsen en omroepen spelen voor de film. Dit zijn
slecht enkele elementen die invloed hebben op de film. Vanzelfsprekend heeft de
crew ook zijn invloed, hun rol mag niet onderschat worden. Echter door de
gestelde vraag, zal niet naar hun gekeken worden.
Op het moment dat er een idee is voor een film,
zal er gekeken moeten worden naar wat er al gemaakt is over hetzelfde onderwerp.
Enerzijds ter inspiratie, anderzijds om te voorkomen dat je een productie maakt
over een onderwerp dat al gecoverd is. Aan de hand van het idee ga je research
doen en vervolgens ga je een filmplan schrijven. Het schema voor filmplan van
Memphis is dezelfde die door de BBC gebruikt wordt. Tegenwoordig
wordt er geen gebruik meer gemaakt van scenario's bij de documentaire. Je weet
namelijk nooit precies wat je tegen zal komen met het filmen. Het filmen is een
ontdekkingsproces. Echter voordat de camera maar ook één take gedraaid heeft,
moet je al zeer goed kunnen beschrijven wat en hoe je het gaat filmen.
Improvisatie is er niet bij. Dat is enigszins jammer, want de kans op
spontaniteit neemt er wel mee af.
Er zijn drie mogelijkheden om je film te financieren: 1. je financiert het zelf. 2. omroepen/fondsen 3. een sponsor. Bij 1. neem je zelf een groot financieel risico, de vraag is of dat verantwoord is, je kan je bedrijf schade aanrichten. Ook optie 3. is niet alles. Denk bijvoorbeeld aan de invloed van de sponsor op de inhoud (censuur). In deze context maakte
Jolanda de Blij de kanttekening dat je geen
mensen op je aftiteling noemen die met hun bedrijf de film hebben gesponsord
(voor de publieke omroep althans). Ook als maker kun je je afvragen of dit een
goede optie is. Je wilt zo vrij mogelijk blijven met het maken van de film en je
niet laten beïnvloeden door bedrijven. Misschien is 1. een optie als je niet
hoeft te leven van kunst (een goed voorbeeld is Jan Schoonhoven die ambtenaar
was overdag en in de avonduren kunst maakte), maar je kan ook niet gaan
schnabbelen, want dat wordt gezien als vernederend. Hoewel het tegenwoordig veel
meer geaccepteerd dat bekende filmmakers ook reclamespots maken.
Om een film aan financiers (omroepen en fondsen) te verkopen moeten er wervende teksten geschreven worden. Dit is vooral een kwestie van het lezen van enkele teksten, de film zien en constant herschrijven. De tekst even laten rusten om er op een later moment naar terug te keren of compleet om te gooien. Bij het schrijven van wervende teksten is behalve een goed taalgevoel, de bijvoeglijke naamwoorden belangrijk. Het in metaforen denken, allitererend schrijven helpt allemaal mee. Eigenlijk ben je meer bezig met marketing dan met de inhoudelijke kant, hoewel het constant herschrijven je filmplan wel duidelijker maakt.
Soms kun je voorstellen na een afwijzing
opnieuw indienen. Dat houdt in dat een omroep of fonds wel geïnteresseerd is
maar het filmplan nog niet naar hun wens is. Hier schuilt het gevaar dat je de
het filmplan voor de documentaire aanpast aan de wensen van een fonds of omroep.
Iets wat in mijn ogen eigenlijk een vreemd idee is. Als omroep of fonds zouden
ze vertrouwen moeten stellen in de makers en van hun verwachten dat ze met een
goede documentaire komen.
Tijdens op de opnames zelf zijn er geen momenten geweest waaruit bleek dat de omroepen en fondsen daarop invloed hadden. Het eerste moment dat er weer sprake is van invloed is de viewing van de film als die zich nog in de postproductie fase bevindt. Een eindredacteur van de omroep komt dan commentaar leveren op de film. Er wordt gekeken of er geen zap momenten zijn Hoe houd je de aandacht van de kijker vast. (De aandachtsspanne van de jongere kijkers is al vele malen korter dan die van de oudere generaties. Oorzaken: computerspelletjes, internet, MTV. Hierover zijn al meerdere wetenschappelijke artikelen over verschenen.) Echter Cécile heeft het proces van het maken van een documentaire al verscheidene malen meegemaakt en kijkt zelf zoals ze vermoed dat een redacteur ernaar zal kijken.
De stage werd beëindigd met een
afscheidsreceptie. Naast Sherman, Cécile en Eline waren ook editor Pim Verdonk
en de net afgestudeerde Arlo Laibowitz aanwezig. Van Sherman kreeg ik niet het
traditionele afscheidscadeau (het boek Alternative Scriptwriting), maar
het boek Moviemakers’ masterclass: private lessons from the worlds’ foremost
directors. Dit geweldige boek is een verzameling van interviews met
regisseurs als Woody Allen, Joel en Ethan Coen, David Cronenburg, Jean Luc
Godard, David Lynch, Martin Scorsese, Oliver Stone, Lars von Trier, John Woo, en
nog enkele andere meesters. In de interviews gaan ze in op de keuzes die ze
maken tijdens het proces van het maken van een film.
We are all faced throughout our lives
with agonizing decisions, moral choices. Some are on a grand scale; most of
our choices are on lesser points, but we define ourselves by the choices we
have made. We are, in fact, the sum total of our choices.
- Cliif (Woody Allen) in Crimes
and Misdemeanors (1989).
De keuze voor de stage bij Memphis is een goede keuze geweest. In de stage periode heb ik veel geleerd over het maken van films. In mijn ogen ben ik in de zes maanden tijd een betere filmmaker geworden. Spijtig dat ik niet langer kan blijven. Maar ook dat is een keuze.
Bron: Filmbeeld, oktober 2005, 16.
De adviescommissie documentaire van het
FilmFonds bestaat
uit de volgende personen:
Erik Disselhoff
John Appel
Jahaga Bosscha
Rudolf van den Berg
Mirjam Boelsums
Jelle van Doornik
Willemiek kluijfhout
Stefan Majakowski
Krijn Meerburg
Tamara Miranda
Kaisa Kriek
Saskia Vredeveld
Bron: Nederlands Fonds voor de Film (http://www.filmfund.nl/).
Hieronder een lijst van de personen die
het bestuur vormen van het
FilmFonds.
Hans Dijkstal, voorzitter.
(Oud vice-premier, Minister van Binnenlandse zaken en fractievoorzitter van de
VVD, vice-voorzitter van de stichting Aanmoedigingsfonds voor de Kunsten,
bestuurslid toneelgroep de Appel en Jazz recensent voor Het Financieel
Dagblad.)
Arend Jan Heerma van Voss, vice-voorzitter.
(Hoofdredacteur radio VPRO.)
Frans Peijster, penningmeester.
(Directeur domestic private banking bij Bank Insinger de Beaufort NV.)
Linda van Dyck, secretaris.
(Actrice.)
Overige bestuursleden:
Ruud Visschedijk.
(directeur Nederlands Fotomuseum.)
Haig Balian.
(lange staat van dienst als filmproducent,
distributeur en bioscoopexploitant.)
Het
FilmFonds heeft ook
enkele stafleden voor de documentaire. Dat zijn:
Kees Ryninks, hoofd documentaire (begeleiding van aanvragen).
Monica Wissing, projectmedewerker documentaire.
Frederike Schötz, projectmedewerker
documentaire.
Bron: Nederlands Fonds voor de Film (http://www.filmfund.nl/).
Subject: RE: enkele vragen
Date: Fri, 9 Dec 2005 15:48:55 +0100
From: "Jeanine Hage" <Jeanine.Hage@omroep.nl>
To: "Frank Suyker" <fsuyker@filmvision.nl>
Beste Frank,
Ik moet je teleurstellen. Het CoBO kent geen
inhoudelijke toetsing. Alleen een publieke, landelijke omroep kan hier een
aanvraag doen, zij kiezen de producties uit. Het aantal aanvragen dat afgewezen
wordt is derhalve bijzonder gering. Het geld (overigens afkomstig uit het
buitenland) dat hier beheerd wordt stimuleert bepaalde soorten co-producties. De
criteria zijn van juridische en financiële aard. Bij verder vragen stel ik voor
dat het makkelijker is even te bellen.
Groet Jeanine Hage
Gemiddeld aantal zenders in het standaard
pakket bij distributie via de kabel
Jaartal Aantal zenders
1990 04
1995 24
2000 30
2001 32
2002 32
Bron data: NOS-KLO
From: SBS Broadcasting B.V <info@net5.nl>
To: Frank suyker <fsuyker@gmail.com>
Date: Jul 25, 2005 11:20 AM
Subject: Re: Net 5 Doc / Shock Doc
Beste Frank,
De documentaires die wij uitzenden zijn
inderdaad allemaal in het buitenland (Veelal ook BBC) gemaakt. Vooralsnog zenden
wij in deze reeks geen Nederlandse documentaires uit.
Met vriendelijke groet,
Publieksvoorlichting
Afdeling Communicatie
SBS Broadcasting B.V.
Quintet Office Park
Rietlandpark 333
1019 DW Amsterdam
Omroep Bereik Unieke bezoekers Stijging t.o.v. 2004 Publieke Omroep 49% 5.510.000 +33% RTL Nederland 46% 5.180.000 +96% Talpa 27% 3.050.000 SBS Broadcasting 14% 1.550.000 +61%
Bron: Multiscope, Omroepen scoren op internet.
[Logo Omroep]
Aan
[adres filmmaker]
Datum
Ons kenmerk
Betreft [titel filmplan]
Geachte heer/mevrouw,
Dank voor uw inzending van het voorstel
‘[titel]’.
Met belangstelling hebben wij u filmplan
gelezen. Helaas moet ik u mededelen dat wij binnen ons uitzendschema geen
mogelijkheden hebben.
[Omroep] heeft slechts een beperkt aantal uren
tv televisiezendtijd per jaar en een groot aanbod van programmavoorstellen.
Wij wensen u veel succes met het project.
Met vriendelijke groet,
[naam omroepmedewerker]
[functie omroepmedewerker]
Informatief
Naam: Sherman De Jesus
Functie: Filmmaker
Aantal jaar ervaring: 30
Antwoord u op persoonlijke titel of vanuit uw bedrijf?: Persoonlijke titel.
Wenst u anoniem te blijven?: Neen.
Algemene vragen
Neen
1b. Is uw antwoord op vraag 1 nee, ga
verder naar vraag 2. Zo ja, waarin verschilt het proces van het ontwikkelen
en produceren van een documentaire voor een landelijke omroep met het proces
van het ontwikkelen en produceren van een documentaire voor een regionale of
lokale omroep? (zo specifiek mogelijk antwoorden)
Verschilt per keer kan soms maanden, soms
jaren duren. Normaal is een jaar, misschien twee.
Research: 1 maand
Schrijven flimplan 2 weken
Productie: 2 a 3 maanden
Postproductie 2 maanden
Dit hangt allemaal zeer af van het soort
film, de lengte ervan etc. etc.
Inhoudelijke vragen
Kwaad worden en het project bijwerken en
opnieuw indienen.
Fondsen doen dat wel, maar de omroepen zeggen
alleen dat ze geen mogelijkheden zien binnen hun slots.
Ja, dat doen we zo nu en dan en dat gaan we
in de toekomst veel vaker doen.
Ik zien eindredacteuren als coproducent en
moedig ze aan om invloed te hebben op het werk, Ik verwacht dat daarmee het
werk beter wordt. Als je niet beïnvloed wil worden door anderen moet je maar
op een onbewoond eiland gaan wonen.
Ik maak het liefst documentaires die
zichzelf maken doordat ze actueel zijn en snel gemaakt kunnen worden. Ik zou
willen dat de beslissingsrondes korter zouden zijn. Dat is Utopie in het
systeem waarin we opereren.
Formele vragen
Daar heb ik nooit echt iets van gemerkt,
maar ik ben niet gauw geneigd om vormexperimenten te doen als ik voor een
omroep werk.
De omroepen werken met Digibeta als drager als het gaat om het eindproduct. Dar is een gelukkige keuze omdat daarmee het eindproduct een lang leven heeft.
In mijn praktijk bepalen regisseur en
cameraman in overleg met de producent, dat kan uiteraard ook de coproducent
zijn (in dit geval de omroep) welke drager er voor de opnamen en montage
gebruikt wordt.
11.Neemt u op in 4:3, 16:9 of een andere beeldratio? Motiveer uw keuze.
Liefst 16:9 omdat dit mooier is voor televisie, maar ook 4:3 heeft z’n charmes.
11.b Voelt u zich belemmerd door de omroepen bij de keuze voor een bepaalde beeldratio?
Nog nooit iets van gemerkt. Ik werk altijd met 16:9.
Nee, dit soort keuzes doe je in overleg met de cameraman.
Het is moeilijk om iets te bedenken.
Iedereen wil altijd dat alles zoveel mogelijk op alles lijkt. Fondsen
juichen meestal vernieuwing toe. Maar ook daar moet je niet met teveel
vernieuwing aankomen. Omroepen veel minder. Ze zijn retroactief. Als ze de
stijlmiddelen niet goedachten, zullen de netcoördinatoren het programma of
niet uitzend of pas laat in de nacht wanneer niemand kijkt.
Vragen met betrekking tot de toekomst
Ik verwacht niet dat zaken die werkelijk van waarde zijn zullen overleven. Er zullen meer van die flauwe praatprogramma’s komen omdat ze goedkoop te maken zijn en o zo gezellig zijn. Makkelijke formules.
Die verdwijnen mee met de NPS.
15. Met de komst van internet is er een vertoningplatform bijgekomen. Maakt u al producties met de intentie ze op internet te vertonen?
Ja, natuurlijk!
16b. Zijn er wezenlijke veranderingen (of verwacht u die) in het productieproces als de film tot doel heeft op het internet vertoont te worden?
Neen, ik denk niet dat het zinvol is om enkel voor internet een film te produceren.
Dat lijkt me geweldig, maar het scherm moet wel groter. Misschien kan er een mini projector ingebouwd worden. Voorlopig gaat het vooral om de kassa te spekken en de BMW van de providers te betalen.
Extra vragen gesteld aan regisseur Sherman De
Jesus.
1. Waarom maak je geen documentaires voor lokale omroepen?
Lokale omroepen hebben vaak geen middelen om
kwaliteitsdocumentaires te maken. Maar dat verandert nu ze geld kunnen genereren
uit het Stifo. Ik zou dolgraag voor regionale zenders willen werken en dat zal
wel een keer gebeuren ook.
2. Als je een filmplan herschrijft blijf je dan trouw aan het originele idee of
schrijf je het toe naar de wensen van de omroepen en fondsen?
De wensen van commissies beïnvloeden je wel.
Soms hebben ze gelijk ook . Toch is het belangrijk dat je je eerste eigen
inspiratie volgt. Omroepen zie ik als coproducent, ik vind hun inbreng
belangrijk en zal daar ook rekening mee houden. Schrijven naar de wensen van de
fondsen is wat ingewikkelder. Maar ook dat is een partij die iets positiefs aan
je film kan bijdragen. Belangrijk is dat dat ikzelf niet vaak meemaak dat
omroepen of Fondsen al te veel "wensen" hebben. Wel is het één keer voorgekomen
dat een commissioning editor zo pissig was dat we niet al zijn aanwijzingen
opvolgden (wij dat zijn de editor, ik als regisseur en de producent, dat hij
dreigde zijn naam weghalen uit de titels. Dat is tot nu toe niet goedgekomen.
Maar zoals ik al zei is dat een uitzonderlijke situatie. Televisie/filmmaken is
natuurlijke een kostbare zaak. Daarom bemoeit iedereen zich ermee. Het is niet
dat je op een zolderkamer op eigen kosten iets maakt zonder verder met wie dan
ook rekening te houden.
Informatief
Naam: Leendert Pot
Functie: filmmaker
Aantal jaar ervaring: 19
Antwoord u op persoonlijke titel of vanuit uw bedrijf?: dat is hetzelfde
Wenst u anoniem te blijven?: nee
Algemene vragen
1b. Is uw antwoord op vraag 1 nee, ga
verder naar vraag 2. Zo ja, waarin verschilt het proces van het ontwikkelen
en produceren van een documentaire voor een landelijke omroep met het proces
van het ontwikkelen en produceren van een documentaire voor een regionale of
lokale omroep? (zo specifiek mogelijk antwoorden)
Inhoudelijke vragen
Formele vragen
11b. Voelt u zich belemmerd door de omroepen bij de keuze voor een bepaalde beeldratio? Nee.
Vragen met betrekking tot de toekomst
16b. Zijn er wezenlijke veranderingen (of verwacht u die) in het productieproces als de film tot doel heeft op het internet vertoont te worden? Nee.
Overig
Zijn er vragen die u gemist heeft? Ook als u nog aanmerkingen heeft kunt u ze hier maken. Er zijn geen vragen mbt de veranderende productie wijze door digitale camera's. En een essentiële vraag zat er niet bij, want je biedt iets dat toch geen zin heeft, niet bij een omroep aan. Dus als je iets wil maken met een afwijkende lengte of vorm die absoluut niet binnen de formats past, begin je er al niet aan en ga je alternatieven zoeken. Eenmaal aangenomen door een omroep, ben je al op grote lijnen met elkaar eens en loopt het bij mij tot nu toe altijd goed.
Leendert Pot heeft ook de vragenlijst
beantwoord voor producenten.
Tot 50.000€.
2b. Hoe is het budget ongeveer verdeeld? (eigen bijdrage / bijdrage fonds / bijdrage omroep)
Eigen bijdrage wil zeggen wel werken, niet
betaald krijgen. 75% fondsen en 25% omroep.
Ja absoluut.
Informatief
Naam: *****
Functie: producent
Aantal jaar ervaring: **
Antwoord u op persoonlijke titel of vanuit uw omroep?: beiden
Wenst u anoniem te blijven?: ja
Inhoudelijke vragen
Zembla is een actuele documentaire. Het lijkt
op een lange reportage waarin dieper op een onderwerp wordt ingegaan en er alle
research naar gedaan is waar mogelijk. Zembla is actueel omdat het aansluit bij
actuele gebeurtenissen of kwesties in Nederland. Er wordt veel tijd besteed aan
onze documentaires zodat we de kijker zo goed mogelijk kunnen voorzien van een
onderwerp
Zembla neemt in principe geen onderwerpen van
derden aan, de uitzendingen worden door een eigen redactie gerealiseerd. Een
onderwerp wordt pas geresearcht als de redactie + eindredactie vindt dat er een
uitzending over moet worden gemaakt. Dat kunnen verschillende kriteria zijn: Is
het actueel? Hebben we iets nieuws? Speelt er iets in de samenleving etc…
De eindredacteur is diegene die uiteindelijk
bepaald of een onderwerp mag doorgaan en of er dus begonnen kan worden met
filmen voor het onderwerp. Wanneer de eindredacteur denkt dat er te weinig is om
een onderwerp een uitzending te laten worden, dan gaan de researcher en
verlaggever aan een nieuw onderwerp werken.
Uiteraard. Er is altijd behoefte aan een uitleg. Het komt ook voor dat de researcher en verslaggever een onderwerp zelf niet meer zien zitten, dan wordt ook in overleg met de eindredacteur overgestapt naar een ander onderwerp.
Mocht er een onderwerp-idee van een derde komen
dan zal de eindredacteur in een gemotiveerde brief uitleggen waarom het
onderwerp niet geschikt is voor Zembla.
Ik als producer wordt productioneel op de hoogte gehouden. Dat is nodig om te weten wat voor facilitaire beslissingen er genomen moeten worden.
De eindredacteur wordt uiteraard ook op de
hoogte gehouden hoe het proces verloopt.
Al vanaf het moment dat een onderwerp wordt
voorgesteld. Als de researcher en verslaggever ermee aan de slag gaan, zullen ze
hem op de hoogte houden van de vorderingen.
De eindredacteur is er om diverse redenen:
beslissingen nemen, ideeen inbrengen, proces bewaken, personele zaken, contact
met de leiding van het bedrijf etc.
Ik kan niet voor andere programma’s spreken
maar bij Zembla is er wel degelijk invloed van de eindredacteur op het
programma. De inhoud wordt hem gepresenteerd door de researcher en maker, hij
mag er vanuit gaan dat zij hun werk goed hebben gedaan. Maar hij zal altijd
vragen stellen en onduidelijkheden aanstippen.
Formele vragen
Er zijn veel veranderingen gaande. Zembla draait op verschillende dragers. De toekomst zal zijn dat we op XDCam gaan draaien. Dat zijn schijven waar het materiaal op komt. Tot die tijd heeft de Digibeta een voorkeur omdat het materiaal gemakkelijk te repareren is en het kwalitatief prima is.
De opgegeven lengte voor Zembla is exact 38 minuten. Hier MOET aan gehouden worden. Overschrijding van het aantal minuten mag in hoge uitzondering. De regel is dat elke Zembla-uitzending te maken is in 38 minuten.
10b. Vindt u dat met het werken met tijdsloten een film maker beperkt in het maken van de documentaire?
Nee zoals hierboven staat, het moet kunnen in 38 minuten. Elk onderwerp leent zich daarvoor en het is aan de verslaggever om dat te realiseren.
Er zijn altijd een aantal basis dingen die niet in een documentaire voor moeten komen. Maar ook hier gelden uitzonderingen. Een uitzending kan juist beter worden door bepaalde stijlmiddelen omdat het als een aparte stijl wordt gekozen.
Vragen met betrekking tot de toekomst
Onduidelijk. We werken niet met externe producenten maar intern zullen we in het tijdperk van de DDV gaan draaien op XDCam. Materiaal van derden (bijv fragmenten van het Journaal) zullen we digitaal aangeleverd krijgen via de DDV.
Zembla zendt vanaf dit seizoen uit op 16:9. Het biedt een kijker meer mogelijkheden en het beeld is rustiger. Documentaires verschuiven steeds vaker naar 16:9, het zou dus kunnen.
In principe worden alle uitzendingen van Zembla op www.zembla.tv gezet. En zijn dus beschikbaar om te bekijken. Zembla wordt vaak bekeken.
14b. Zijn er wezenlijke veranderingen (of verwacht u die) in het productieproces als de film tot doel heeft op het internet vertoont te worden?
Er zijn geen uitzendingen die alleen op internet verschijnen en dus niet op TV. Zembla is een televisie programma, dus het programma richt zich in eerste instantie op TV. Wel komen we de kijker tegemoet die een uitzending heeft gemist, door ze op de site te zetten.
Voorlopig geen. Omdat Zembla 38 minuten duurt zal het kostbaar zijn om het op je mobiele telefoon te bekijken. Ik denk ook dat mensen de mobiele telefoon alleen voor snelle informatievoorziening willen gebruiken (zoals het journaal).
Zijn er vragen die u gemist heeft? Ook
als u nog aanmerkingen heeft kunt u ze hier maken.
Zijn er boeken, artikelen of websites die u me zou aanraden om te lezen?
Naam: *****
Functie: producer
Aantal jaar ervaring: **
Antwoord u op persoonlijke titel of vanuit uw omroep?: omroep
Wenst u anoniem te blijven?: ja
10b. Vindt u dat met het werken met
tijdsloten een film maker beperkt in het maken van de documentaire?
Neen, de meeste films worden beter van een kortere lengte. Lange
documentaires van 70 / 90 minuten zijn bij uitzondering goed.
11b. Zijn er wezenlijke veranderingen (of
verwacht u die) in het productieproces als de film tot doel heeft op het
internet vertoont te worden?
Het productieproces van een film verandert niet door het platform waarop het
wordt uitgezonden!