voor in de woning van een van de twee. Rond zes uur ga je samen op weg naar
het adres waar je het eerste gerecht nuttigt. Daar ontmoet je vier nieuwe
disgenoten. Na anderhalf uur verplaats je je verder door de stad naar de
volgende gang, waar je opnieuw vier nieuwe gesprekspartners leert kennen.
Een van de drie gangen vindt in jouw huis plaats, waar je ook weer vier
mensen op bezoek krijgt. Aan het eind van de avond ken je dertien nieuwe
mensen en heb je een goed gevulde maag.
In Berlijn reisde ik van West Berlijn naar het oude Oosten. Tijdens de
verschillende gangen ontmoette ik zowaar echte authentieke Berlijners met
dito tongval als allerlei import uit oost en west. De vraag aan welke kant
van de muur iemand zich bijna twintig jaar geleden bevond, blijft hier de
gemoederen bezighouden. Veelal klinkt daar ook een behoorlijke dosis
DDR-nostalgie in door. De overzichtelijkheid van de samenleving, de eenvoud
en de overzichtelijke keuze aan producten en mogelijkheden maakten het leven
ook aangenaam.
Mijn kookpartner was veertien toen de muur viel. Als ik vraag wat zij zich
nog herinnert van de tijd voor de val van de muur, dan verhaalt ze met
weemoed over de smaak van Block-chocolade, het spelen in de warme zomers bij
een meertje, waar in de koude winters op geschaatst werd, de vreugde over
één barbiepop, waarvoor je moeder zelf kleertjes haakte en het feit dat in
het dorp van haar ouders iedereen elkaar kende. Opmerkelijk, want volgens
mij is dit geen DDR-nostalgie, maar een verlangen naar een tijd waarin de
wereld, ook in het westen, eenvoudiger was en er bovendien inderdaad nog
echte koude winters waren.
Doorvragend komen er ook andere verhalen boven tafel. Over het onderscheid
tussen mensen die wel en niet actief partijlid waren en de beperkte
studiemogelijkheden. In de tweede klas was al duidelijk welke twee briljante
leerlingen een studieplaats zouden krijgen: degenen wier ouders
partijconnecties hadden. Ook herinnert ze zich de druk die op haar werd
uitgeoefend om deel te nemen aan een soort padvindersclub, waar elke
DDR-jongere eens goed gehersenspoeld werd. Ze vertelt dat ze op school net
waren begonnen met het vak maatschappijleer, dat vol zat met wetten en
regels van de socialistische heilstaat die je diende te kennen. ‘Gelukkig
viel twee maanden later de muur', voegt ze daar opgelucht aan toe
Das 1979 eröffnete Hotel in
Berlin
wurde bis 1990 von
Interhotel DDR, bis 1992 von der Interhotel AG
betrieben. Heute wird an der Stelle gerade ein Neubau
errichtet, der wieder von Radisson SAS betrieben
werden soll.
aus dem Buch ?Berlin. Architektur von Pankow bis
Köpenick�, VEB Verlag für Bauwesen, Berlin, 1987:
Palasthotel, Karl-Liebknecht-Straße 5,
Ecke Spandauer Straße. 1976-79 unter der Gesamtleitung von
Erhardt Gißke nach Entwurf von Ferenc Kiss errichteter
Hotelkomplex an der Spree. Über einem teils vorgezogenen
zwei- bis dreigeschossigen Flachbau für öffentliche
Einrichtungen sowie einem technischen Zwischengeschoß erhebt
sich der stark gegliederte Bettentrakt (600 Zimmer, 1000
Betten) als Dreiflügelanlage um einen Innenhof mit dem
Hotelzugang (Walter Bauer, Jerzy Karon) über einer
2geschossigen Tiefgarage für 250 PKW. Neben internen
Einrichtungen wie Kongreßsaal mit 760 oder dem
Hallenschwimmbad sind 12 gastronomische Bereiche mit 2000
Plätzen zugänglich. Die Bauweise ist monolithischer
Stahlbeton mit Stahlkonstruktionen; die wabenartige Fassade
mit ausgeglichenem Kontrast von Thermoverglasung zu
sandsteinverkleideten Brüstungsfeldern. Die Betonung des
Cafés unterstützt die Dominanz von Dom und Palast. In dem
zur Spree abgesenkten Fußgängerbereich die Plastik für E. T.
A. Hoffmann von Carin Kreuzberg und der Brunnen von Wilfried
Fitzenreiter.
Al lange tijd is de Alexanderplatz het ontmoetingscentrum van
het oostelijk deel van Berlijn. Dat de stad na de oorlog in
tweeën werd gedeeld, met de bekende muur ertussen, heeft de stad
enige schade toegebracht. Nu d
at de muur alweer enige jaren is
verdwenen, is het oostelijk deel van de stad nog steeds bezig om
in een opwaartse spiraal te geraken.
Die Wohnungen in diesen
Hochhaeusern am ehemaligen
Leninplatz, direkt am Volkspark
Friedrichshain gehoerten zu den
exklusivsten Adressen in Ost-Berlin
Hauptstadt der DDR.
marx
The Marx-Engels Memorial, Marx
-Engels-Forum, Berlin Mitte
Das Marx-Engels Denkmal auf dem
Marx -Engels-Forum in Berlin-Mitte
palast der republik
The deconstruction of the Palast
der Republik, house of parliment
of the GDR in Berlin goes on.
Der Rueckbau des Palastes der
Republik schreitet voran.
Algemeen
De bijnaam van dit plein is Alex, en de volledige naam is te
danken aan het bezoek van de Russische Tsaar Alexander I. In
1805 bracht deze een bezoek aan Berlijn. Het was ooit de
thuisbasis voor veemarkten en militaire oefenterreinen.
Het plein ligt aan de voormalige Stalinallee, de Karl Marx
Allee. Deze in het communistische tijdperk aangelegde straat is
90 meter breed en 2,5 km lang.
Geschiedenis
In 1882 werd een vestiging van het spoorwegennetwerk van de
S-Bahn geopend. De centrale markthal kwam in 1886. Het warenhuis
Tietz opende tussen 1904 en 1911 zijn deuren. De ondergrondse is
van 1913. Dit alles bij elkaar maakte van de Alexanderplatz het
meest belangrijke winkel- en verkeersgebied van Oost Berlijn.
In 1928 werden voorstellen gelanceerd voor een herontwerp van de
Alexanderplatz, de rotonde werd vrij snel aangelegd, maar nieuwe
gebouwen kwamen alleen in het westelijk deel van de stad. Wel
werd tussen 1930-1931 het voormalig administratiegebouw van
Karstadt AG gebouwd (na de oorlog vestigde het hoofdkwartier van
de politie zich hier).Na de Tweede Wereldoorlog was het plein
bijna helemaal verwoest.
In 1960 begon de opbouw van het huidige plein, waarbij een
kunstmatig hart werd gecreëerd in het Oostelijk deel van de
stad. Tot op de dag van vandaag, terwijl er geen Oost Berlijn
meer bestaat, is de fontein nog steeds het ontmoetingspunt van
jongeren. In de jaren ’60 van de vorige eeuw was het plein een
centrum waar massa demonstraties werden gehouden tegen het DDR
bewind. Het hart van het plein is alleen toegankelijk voor
voetgangers, verkeer wordt via vier wegen langs het plein
geleid.
Tussen 1960 en 1964 werden het lerarengebouw (ontworpen door
Walter Womacka) neer gezet, alsmede de koepel van de congreshal
(van Hermann Henselmann).
De DDR (het voormalig Oost Duitsland) herbouwde het plein met
typische communistische gebouwen, zoals het “Hotel Stadt Berlin”
(het tegenwoordige Forum, gebouwd tussen 1967 en 1971) en het
grote warenhuis “Kaufhof” (ontworpen door Josef Kaiser en
gebouwd tussen 1967 en 1970). Het werd een groot, maar saai
plein.
Tegenwoordig is het plein, in het oostelijk deel van de stad,
het stadsdeel Mitte. Iedere dag bezoeken meer van 300.000 mensen
het plein.
Bezienswaardigheden
Fernsehturm
Niet op de Alexanderplatz, maar er vlak bij staat de
televisietoren van 365 meter hoog, het wordt ook wel Telespargel
(tele asperge) genoemd. Het betreft hier het hoogst bouwwerk van
de stad. De lift zoeft met een snelheid van 5 meter per seconde
naar de het uitzichtplatform in de zilveren bol, op iets meer
dan 200 meter hoogte. Er is een restaurant dat een half uur
nodig heeft om helemaal rond te draaien. Wanneer het weer heel
helder is, is een uitzicht van ongeveer 40 km mogelijk.
Marienkirche
Aan de voet van de televisietoren staat de St. Marienkirche
Berlin. Het is de op één na oudste kerk van de stad. De oudste
is de Nicolaikerk. Al in 1294 wordt er schriftelijk melding
gemaakt van de Marienkirche. De kerk brandde af in 1380 en werd
heropgebouwd, wanneer de wijding in 1405 plaatsvond. De toren
die door Carl Gotthard Lamghans werd ontworpen is van 1789.
Andreas Schlüter maakte in 170 de barokke albasten preekstoel.
Versierd met reliëfs van Johannes de Doper. Ook staan er
personificaties van de deugden op. De vestibule heeft een fresco
de “Totentanz” en dateert uit 1490. Deze fresco werd
overschilderd en is rond 1860 tijdens restauratie teruggevonden.
Ook zijn er interessante 16e en 18e eeuwse grafmonumenten en
stenen te bewonderen.
Dat Rote Rathaus
Tegenwoordig is het de zetel van de burgemeester. Tot aan de
scheiding van de stad in 1869 was het Rote Rathaus het
regeringscentrum van Berlijn.
In 1879 zijn er historische figuren bij het gebouw geplaatst,
maar tijdens de Tweede Wereldoorlog werd ook dit gebouw zo zwaar
beschadigd dat het door de DDR in de jaren ’50 volledig is
herbouwd. Na 1999 werd dit het officiële gemeentehuis van
Berlijn.
Alexanderplatz in de film
Model voor de tv-serie “Berlin Alexanderplatz”, stond het
gelijknamige boek van Alfred Döblin. Geschreven in 1929,
verfilmd in 1980 door Rainer Werner Fassbinder. Het betrof een
13 delige serie met een epiloog, een werk van 15,5 uur. Het
verhaal gaat over de crisisjaren van voor de Tweede Wereldoorlog
(ten tijde van de Weimar republiek), waarbij hoop op een beter
bestaan van de hoofdrolspeler (Günter Lamprecht als Franz
Biberkopf) steeds weer de bodem wordt ingeslagen.
Phil Jutzi maakte al in 1931 een verfilming van het boek, het
resultaat was een 1,5 uur durende film. Het boek mocht na de
machtsovername van Hitler in het begin van de jaren ’30 veertien
jaar lang niet worden herdrukt. Niet in Duitsland en niet in het
buitenland.
Markus Wolf: Man
zonder gezicht.
De legendarische
Oost-Duitse
spionagechef.
Balans, vertaald
uit het Engels
door Jaap van
der Wijk, 436
blz. ƒ 39,50
Voor Helmut Kohl
in 1989-'90 aan zijn
tweede leven als
kanselier begon en
van een aangeslagen
en bespotte
provinciale
politieke brekebeen
op slag veranderde
in een in en buiten
Duitsland bejubelde
'eenheidskanselier'
die Adenauer en
Bismarck naar de
kroon stak, is hij
vaak bekritiseerd
omdat hij, jaargang
1930, openlijk zei
dat zijn biografie
begunstigd was door
de 'genade van de
late geboorte'. Ook
de Nederlandse
politieke elite en
de media hadden
Kohl, kanselier
sinds 1982, toen nog
niet collectief
ontdekt als 'een
Europese staatsman'.
De minister van
onderwijs bezon zich
nog niet op de opzet
en de plaats van het
Duits in het
vakkenpakket van het
voortgezet onderwijs.
De koningin had nog
niet, per
kersttoespraak,
onthuld dat niet
alle landgenoten in
de oorlog een rol
speelden in het
verzet.
Een storm van
protest klonk
destijds op na Kohls
verzuchting. Had hij
niet eigenlijk óók
gezegd dat de keuze
tussen goed en kwaad
in de lange,
pikzwarte Duitse
nacht van 1933 tot
1945 voor velen
vooral afhing van
hun geboortejaar?
Iets als: wie vroeg
genoeg geboren was
heeft pech gehad? Ja,
had hij daarmee de
keuzemogelijkheid
tussen goed en kwaad
niet zó
gerelativeerd dat
hij zijn landgenoten
en zichzelf als het
ware een soort
algemeen
passepartout
verstrekt had? Het
gegrom uit het
buitenland, maar ook
van 'goede' Duitsers,
zoals van president
Richard von
Weizsäcker, was
aanzienlijk. Kohl,
namens de 'gewone'
Duitsers, Weizsäcker
namens de 'betere'?
Het was en is
moeilijk, zowel daar
als hier.
Niettemin. Het
maakt voor een
oudere Duitser
inderdaad aardig wat
uit waar en wanneer
hij in deze eeuw
geboren is. Zoals
het wat uitmaakte
wat zijn ouders
deden of dachten in
zijn jeugd of jonge
jaren, en wanneer ze
dat duidelijk
zichtbaar deden en
hoorbaar dachten.
Herkenbaar links
bijvoorbeeld.
Bovenal maakte het
gruwelijk veel uit
of men zich,
ongeacht welk
geboortejaar ook,
ariër kon noemen of
niet.
Bloedhekel
Zulke gedachten
moeten wel door het
hoofd gaan bij de
terugblik die Markus
Wolf, de langjarige
en roemruchte chef
(1952-1986) van de
Oost-Duitse
buitenlandse
inlichtingendienst,
in zijn jongste boek
geeft van het proces
tegen hem voor de
rechtbank van
Düsseldorf in 1993.
Daar zitten ze
tegenover elkaar:
Wolf als
aangeklaagde en
Klaus Kinkel, vice-kanselier
en minister van
Buitenlandse Zaken
van het verenigde
Duitsland als
getuige. Ze zijn
allebei geboren in
het Zuid-Duitse
stadje Hechingen,
alletwee als zoon
van een arts, Wolf
in 1923 en Kinkel in
1936. In een 'later
leven' zijn ze een
paar jaar collega en
concurrent geweest.
De FDP'er Kinkel was
van 1979 tot 1982
als chef van de
middelmatig
succesvolle
Bundesnachrichtendienst
(BND) in het Beierse
Pullach de West-Duitse
tegenvoeter van
Wolfs uitzonderlijk
succesvolle
Hauptverwaltung
Aufklärung (HVA) in
Oost-Berlijn. Kinkel
heeft een bloedhekel
aan me en 'de
gerespecteerde
staatsman' vermijdt
dan ook me
rechtstreeks aan te
kijken, noteert de
dan 70-jarige Wolf
in Düsseldorf met
zekere tevredenheid.
Hun levenslijnen
zijn zó verschillend
als levenslijnen in
Duitsland deze eeuw
maar kunnen zijn.
Kinkel is kind van
gewone, burgerlijke,
Duitse ouders. Hij
is negen jaar in
1945 en dus als het
ware hors concours.
Bij Wolf is dat
anders. Zijn
uitzonderlijk
begaafde joodse
vader Friedrich
heeft als arts-vrijwilliger
in de Eerste
Wereldoorlog gediend,
zoals meer joodse
intellectuelen
vrijwillig dienst
namen, mede om
uitdrukkelijk hun
hechte band met het
vaderland te
demonstreren.
Hij is zwaar
gewond geraakt,
overleeft en komt
gedesillusioneerd
terug als
humanistisch
communist. Hij is
een onconventionele
man, die vader, in
een land waar
burgerlijke rancune
tegen 'anders zijn'
norm zal worden. Hij
raakt aanhanger van
de natuurgeneeskunst,
wordt vegetariër,
toneelschrijver en
zal bij vier vrouwen
vijf kinderen hebben
al blijft hij zijn
leven lang gelukkig
getrouwd met de
moeder van Markus en
diens jongere broer
Konrad. In 1933,
wanneer Hitler de
macht heeft
overgenomen, komt de
keus tussen goed en
kwaad voor het jonge
gezin Wolf praktisch
overeen met de keus:
uit Duitsland
vertrekken of niet.
De Sovjet-Unie is
dan, ideologisch
gezien, de logische
vluchthaven. Dat
geldt voor meer
joodse of linkse
Duitsers, en zeker
voor joodse én
linkse Duitsers.
De in dit
levensverhaal
bepaald niet erg
onzichtbare hand van
de geschiedenis
zorgt ervoor dat de
Sovjet-Unie voor
Markus Wolf zijn
tweede, vaak zelfs
zijn eerste,
vaderland wordt. Hij
heeft het in eerdere
boeken beschreven.
Hoe hij gelovig
communist werd, hoe
weinig hij destijds
nog echt begreep van
de woeste
stalinistische
terreur in dat
beloofde land, ook
onder angstige
Duitse linkse
immigranten. Hoe hij
als 'man van Moskou'
na de oorlog in de
Sovjet-zone, even
later de 'antifascistische'
DDR, een
bliksemcarrière
maakte en al op zijn
29ste chef van de
buitenlandse
inlichtingendienst
wordt. Als 'man
zonder gezicht',
want het zal nog tot
1979 duren tot hij
in het Westen 'toevallig'
door een Oost-Duitse
overloper wordt
geïdentificeerd op
een foto die eerder
dat jaar in
Stockholm is gemaakt.
Daarna zou hij de
'Paul Newman' van de
inlichtingenwereld
gaan heten. Zoals
hij allang werd
gezien als de man
die model had
gestaan voor de
romantisch-mysterieuze
Oost-Duitse
superspion uit John
le Carrés The Spy
who came in from the
cold. Toen ik hem
eind 1991 in het
Oostberlijnse
Palasthotel vroeg
wat hij daarvan
dacht mompelde hij
iets als: 'onzin,
maar wel bruikbaar
in het werk dat ik
had'.
Van 1933 naar
1945 en vervolgens
van 1945 tot zijn
vrijwillige en
vroegtijdige
pensionering als
spionagechef loopt
de twijfel over zijn
ideologisch bepaalde
lot als een rode
draad door het leven
en de boeken die
Markus Wolf sinds
1990 schreef. Hij
blijft trouw aan het
devies dat men in
zijn branche niet
achteraf zó moet
uitpakken over
allerlei kwesties
dat vroegere
medewerkers er
vandaag de dupe van
zouden kunnen worden.
Dat betekent dat de
lezer die hoopt op 'mooi
nieuws' of 'grote
onthullingen' ook
bij lezing van Wolfs
jongste boek
bedrogen uitkomt.
Want wat hij
schrijft over zijn
agent Guillaume, die
na een jarenlang
bestaan als 'slapende
mol' het in de SPD
brengt tot
medewerker van
kanselier Brandt en
wiens ontmaskering
in 1974 tot Brandts
val leidt, tot
verdriet van Wolf
trouwens, is allang
bekend.
Spectaculaire
successen
Dat geldt ook
voor wat hij vertelt
over andere
spectaculaire
successen en
nederlagen van zijn
Oost-Duitse
spionage-organisatie.
Ook zijn soms rake
typeringen van DDR-staatschefs
als Ulbricht en
Honecker, en de
intellectueel vaak
evenzeer armlastige
leden van het SED-politburo,
zijn niet nieuw. Al
liegen sommige
kenschetsen er
desondanks niet om,
bijvoorbeeld van
zijn oude baas Erich
Mielke, de
vooroorlogse
communistische
geweldpleger, die
hij beschrijft als
een paranoïde man ('een
gevaarlijke gek')
die in de DDR
nochtans minister
van Staatsveiligheid
alsook vertrouweling
van Honecker kon
worden.
Soms zijn er wel
mooie anekdotes te
lezen, die iets
zeggen over de
moeizame manier
waarop de DDR op het
oude grondgebied van
Pruisen haar plaats
in de wereld zocht.
Wel vijf gala-uniformen
bijvoorbeeld hadden
de hogere
inlichtingen-collega's
van Moskou. Soms was
dat nog niet genoeg.
Op een plechtige
bijeenkomst in
Moskou droegen de
Duitsers dezelfde
smokings als de
obers. Wolf, die een
Russisch-orthodoxe
metropoliet die
avond begeleidt naar
het toilet, kreeg
derhalve een fooi
van drie roebel.
Komisch is ook de
passage over een
eigensoortig type
instant-bordeel dat
de daaromtrent kuise
DDR op last van de
KGB had ingericht
ten tijde van een
geallieerde
conferentie in
Berlijn. De
bedoeling was de
hoge gasten naar
deze malina te
lokken om ze wat
spraakzamer te maken,
af te luisteren en
te fotograferen.
Maar de enige klant
voor dit
kortstondige huis
van plezier was een
journalist, die
flink at en dronk
maar van de dames
afbleef en uiteraard
geen bruikbare
inlichten kon
verstrekken. De
inderhaast
aangezochte dames
hadden de hele avond
niets te doen. Voor
Wolf, die met zijn
Oost-Duitse Romeo's
later op afstand
furore zal maken bij
eenzame West-Duitse
secretaresses bij de
NAVO en ministeries
in Bonn, was dat een
rare ervaring.
Opmerkelijk is ook
hoezeer het
intensieve
liefdesleven van
kanselier Brandt
blijkens de
rapportage van Wolf
betekenis had voor
het Oost-Duitse
inlichtingenwerk.
Wolf brengt
bijvoorbeeld in
herinnering dat
Brandt in de vroege
jaren zeventig in
een
SPD-verkiezingstrein
veel tijd inruimde
voor een wel zeer
exclusief interview
met een West-Duitse
journaliste. Hij
vertelt er niet bij
dat in diezelfde
trein
PvdA-lijsttrekker
Den Uyl vergeefs
wachtte op de
gelegenheid om zich
samen met de Duitse
Nobelprijswinnaar te
laten fotograferen.
Mooie anekdotes
allemaal, ook die
over de gewaardeerde
Fidel Castro, die -
op bezoek in
Oost-Berlijn - trek
in van alles kreeg
en 's nachts betrapt
werd toen hij langs
de regenpijp van
zijn hotel een weg
naar de vrijheid
zocht.
Maar de werkelijk
interessante vraag
in het ideologisch
en anderszins bijna
gepredestineerde
leven van Duitsers
als Markus Wolf
blijft in dit boek
opnieuw onbeantwoord.
De vraag namelijk
wanneer zij, na hun
gedwongen vertrek
uit Hitlers
onaanvaardbare
totalitariteit naar
de Sovjet-Unie, in
de gaten kregen dat
zij van de regen in
de drup waren beland,
eerst in Moskou en
daarna in Stalins
creatie die DDR zou
gaan heten.
Wolf laat, ook in
zijn jongste boek,
weten dat hij al
vroeg twijfels had
of de keus waartoe
hij qua
communistische
opvatting en joodse
familiegeschiedenis
gedwongen was, op
langere termijn wel
de juiste is geweest.
Hij schrijft dat hij
al vroeg, misschien
al bij de
Oost-Berlijnse
arbeidersopstand in
1953, die twijfels
kreeg. Met respect
voor alle
dwangmatigheid die
in zijn biografie
zit, rijzen hier
toch vragen over die
nu weer omstandig
beschreven twijfels
van Wolf. Zijn
leeftijdgenoot,
gewezen vriend en
Moskouse klasgenoot
Wolfgang Leonhard
bijvoorbeeld, die in
'53 naar West-Duitsland
was gevlucht,
rekende in zijn boek
De revolutie laat
haar kinderen gaan
in 1956 al af met de
notie als zou de
Sovjet-Unie de
moeder van een
democratische
wereldrevolutie
kunnen zijn.
Markus Wolf, in
de DDR gezien en
gevreesd als 'Man
van Moskou',
omschrijft Leonards
boek in 1989 nog
smalend als: 'starthulp
voor een succesvol
bestaan als
Kremlinkenner'. Pas
nadat hij kort
daarna, tijdens een
enorme anti-SED-demonstratie
op de Oost-Berlijnse
Alexanderplatz,
vergeefs heeft
gepoogd om een
leidend personage
van een 'werkelijk
socialistische' DDR
te worden, schrijft
hij over 'het
stalinistische
systeem dat
abusievelijk als
socialisme werd
aangemerkt'.
Maar dan is het
te laat, de joodse
dokterszoon uit
Hechingen is dan al
ingehaald door
alweer een nieuwe
Duitse tijd.
Das frühere Palast-Hotel wird abgerissen. Frank
Raspe war dort vor der Wende Kellner und erinnert
sich an sein Kollektiv
Susanne Lenz
Frank Raspe, 37, fing 1986 als Kellner im Palast-Hotel
an. Heute leitet er das Radisson-Hotel in
Rostock.
Herr Raspe, musste man politisch
besonders linientreu sein, um im Palast-Hotel
eine Stelle zu bekommen?
Meine Eintrittskarte war die gute Ausbildung
im Hotel Neptun in Rostock. Wenn bei meiner
Einstellung nach etwas Anderem gesehen wurde,
als nach der fachlichen Qualifikation, habe ich
das nicht bemerkt. Die Arbeit in dem Hotel hat
mich gereizt. Es war interessant, einen
Gästekreis vorzufinden, durch den man ein
bisschen das Flair der großen weiten Welt
mitbekam. Und dann war das Palast-Hotel
Vorreiter in der gesamten DDR-Hotellerie. Es war
eine Herausforderung und eine Ehre, hier zu
arbeiten.
Was die Ausstattung angeht, hätte man das
Palast-Hotel als kapitalistische Insel im
Sozialismus bezeichnen können.
Wir konnten den Gästen Ware aus dem
westlichen Ausland, wie man das früher
bezeichnete, anbieten. Weine, Spirituosen,
Früchte, aber auch so simple Sachen wie
Almi-Jogurt. Alles das, was heute normal ist.
Aber in der DDR kannte man diese Sachen nur aus
der Werbung oder dem Intershop. Wir hatten auch
Küchengeräte, von denen eine normale Gaststätte,
ein normales Restaurant, ein normales Hotel nur
träumen konnten. Die ganze Kassentechnik war
westliches Know-how. Aber auch Geschirr, Platten,
Bestecke, Gläser. Die ganze Serviceausrüstung
hatte einen anderen Esprit als das in HO-Gaststätten
der Fall war. Die hatten eben nicht die
Möglichkeit, nach West-Berlin zu fahren um
einzukaufen. Bei uns ist das Normalität gewesen,
weil das Zielpublikum des Palast-Hotels
westliche Geschäftsleute und Touristen waren.
Denen wollte man alles bieten, was sie von zu
Hause aus kannten. Denn der Gast hat ja bei uns
in D-Mark bezahlt, wenn er aus dem westlichen
Ausland kam.
Hatte man nicht das Gefühl, dass dieses Hotel
ein Zeichen für die Ungerechtigkeit in der DDR
war? So ähnlich wie die Intershops, in denen man
Ware nur für D-Mark bekam?
Wenn man das aus heutiger Sicht sieht, ist
sicher manches konfus gelaufen. Für einen DDR-Bürger
ist die Hemmschwelle relativ hoch gewesen in so
einem Haus mit internationalem Publikum, wo die
D-Mark mit erste Währung war. Aber es gab auch
Einrichtungen, in denen man mit Mark der DDR
bezahlen konnte. Das Palast-Hotel war kein
abgeschottetes Devisenhotel. Der DDR-Bürger
konnte schon reingehen und dort Leistungen
empfangen. Das asiatische Restaurant "Jade" zum
Beispiel war in der DDR einzigartig. Wir haben
dort mit original asiatischen Produkten
gearbeitet, und die Kellnerinnen trugen Geisha-Kleider.
Im "Jade" konnte man auch für Mark der DDR essen.
Das Problem war, einen Tisch zu bekommen.
Manchmal musste man ein halbes Jahr darauf
warten. Auch ins "Märkische Restaurant" konnte
man als DDR-Bürger gehen. Das Kuriose war nur,
dass es Speisekarten für Mark der DDR und für
D-Mark gab. Das Angebot auf diesen Karten war
nicht unbedingt dasselbe. Wenn man in der DDR
aufgewachsen ist, war es für einen bis zu einem
gewissen Grad normal, dass es etwas nur für den
einen gab und etwas für den anderen. Man hat
damit gelebt, dass die D-Mark sehr stark war und
der DDR-Bürger nicht alles konnte. Man hat das
nicht mehr als große Ungerechtigkeit empfunden.
Als Kellner bekam man doch sicher auch D-Mark
als Trinkgeld?
Sicher, und das war natürlich angenehm. Alles
was knapp ist, ist begehrenswert. Das ist wohl
in jeder Gesellschaftsordnung so. Nur dass die
Gesellschaftsordnungen sich unterscheiden. In
der heutigen Zeit ist fast alles Normalität, es
gibt eigentlich alles. Heute liegt es oft an
einem selber, ob man sich seine Ziele, seine
Wünsche, seine Träume erfüllen kann. Damals
hatte man genauso Wünsche, aber man konnte nicht
alle erfüllen. Mit dem Trinkgeld konnte man
wenigstens kleine Wünsche für sich und die
Familie verwirklichen. Wir haben die D-Mark aber
nicht selber in die Hand bekommen. Das Trinkgeld
mussten wir abgeben und dafür gab es dann so
genannte Forum-Schecks. Es mussten Protokolle
ausgefüllt werden, und am Monatsende hat man die
Summe, die man in D-Mark einbezahlt hat, im
Kollektiv aufgeteilt.
Manche Zimmer im Palast-Hotel sollen verwanzt
worden sein, wenn die Staatssicherheit den dort
untergebrachten Gast abhören wollte.
Wenn das so war, ist es geschickt gemacht
worden. Denn ich als Mitarbeiter habe davon
nichts mitbekommen. Ich kann es weder bestätigen
noch dementieren. Das Thema war auch nie
Tagesgespräch mit anderen Mitarbeitern, nein.
Prostitution gab es im
Arbeiter-und-Bauern-Staat offiziell nicht. Doch
in der Sinus-Bar des Hotels war es gang und gäbe,
dass Frauen gegen Geschenke oder harte Währung
Liebesdienste anboten. Manche Frauen haben dort
auch im Auftrag der Stasi Kontakte geknüpft.
Dass Damen in der Sinus-Bar ihren Geschäften
nachgegangen sind, kann schon sein. Ich habe nie
Kontakt mit denen gehabt. Wir haben da unten in
der Sinus-Bar sehr gute Umsätze realisiert, und
da war vielleicht noch etwas Anderes interessant,
als die gute Stimmung und die Getränke.
Wie haben Sie den Mauerfall erlebt?
Das war der erste Tag, an dem das
Jade-Restaurant, das ja sonst immer monatelang
vorher ausgebucht war, fast leer war. Jetzt
standen andere Träume und Wünsche im Vordergrund.
Jetzt war das "Jade" nicht mehr der
Hauptschlager. Man fuhr rüber nach West-Berlin
oder war mit Freunden zusammen und hat versucht,
die neue Situation für sich begreiflich zu
machen. Plötzlich war alles anders, alles war
vorbei und jetzt sollte was Neues kommen.
NORDLICHT Frank Raspe, 37, Hoteldirektor
'Design noemen ze dat hotel, maar ik begrijp het
niet.'Duitsland viert woensdag de 17de verjaardag
van de eenwording tussen oost en west. Ondertussen
profiteert toeristisch Berlijn van nostalgische
gevoelens over 'toen'.
Alles ademt
communisme uit
Slapen in een DDR-stapelbed en wakker worden onder
de wakende blik van partijleider Erich Honecker. Het
kan sinds kort in het Ostel, een grauw flatgebouw in
Berlijn dat in alles Oost-Duitsland ademt. Met
gevoel voor spot en design hebben de eigenaren een
oase van 'DDR-gezelligheid' gecreëerd. Voor
toeristen is het verblijf een bizarre belevenis,
voor burgers uit de voormalige DDR een
onderdompeling in nostalgie.
,,Het was niet gemakkelijk om alle meubels bij
elkaar te sprokkelen,'' vertelt Ostel-eigenaar
Daniel Helbig. ,,Maar we zijn erin geslaagd. We
hebben zelfs een echt DDR-gastenboek gevonden.
Fantastisch, toch? Alles is echt DDR. Behalve de
service. Toen we op 1 mei, de Dag van de Arbeid, ons
hotel openden, reed een Jaguar uit Leipzig voor. Het
was een Ossie met heimwee naar vroeger. Samen met
zijn hoogblonde dame heeft hij alle bedden beslapen.
Prachtig vond hij het. 'Precies, zoals vroeger', zei
hij.''
Na de eerste euforie van de val van de Muur, kwam de
werkelijkheid van het kapitalisme bij veel
Oost-Duitsers hard aan. De economie stortte in en
leidde tot hoge werkeloosheid, armoede en verval.
Menigeen keek met warme gevoelens terug naar de tijd
waarin de staat er voor zorgde dat je een baan had,
een huis en een auto, ook al moest je er een
decennium op wachten. En was het eigenlijk niet
vooral gezellig in de Spartaanse vakantiebarakken
en bij de massale vlaggenzwaaierijen? De DDR-revival
begon met Ostalgie-feestjes, waarop de gasten zich
verkleedden als Honecker, niet snel daarna kwamen Ostalgie
tv-shows en films als Goodbye Lenin.
Jeugdclub-insignes, oude blikken worstjes, T-shirts
met het DDR-verkeerslichtmannetje, het is allemaal
even hip.
En nu is ook de toeristensector op de DDR-revivaltrein
gesprongen. Zo kun je in Berlijn rondtoeren in een
Trabant en slapen in het Ostel. In het DDR Museum
kun je aan de knoppen van afluisterapparatuur
draaien en Oost-Duitse tv-programma's kijken in een
nagebouwde woonkamer. Filmfragmenten en foto's tonen
- zonder valse nostalgie - hoe diepgaand de staat
zich bemoeide met alle aspecten van het leven van
de Oost-Duitsers.
De organisatie Berlin-on-Bike biedt fietstochten
langs de Muur en andere belangrijke historische
plekken in de tour Osten Ongeschminkt. ,,De meeste
toeristen weten alleen dat het vreselijk was in de
DDR, maar hebben geen idee hoe de mensen leefden,''
vertelt bedenker Martin Wollenberg.
De fietstocht voert langs DDR-woonblokken, enorme
standbeelden en het sportcomplex waar atleten
werden getraind voor Olympische Spelen en
Wereldkampioenschappen.
De groep fietst ook naar Hohenschönhausen, de
voormalige Stasi-gevangenis. Ex-gevangenen tonen
de cellen en de martelkamers en vertellen hun
verhaal. Zo ook Herbert Pfaff. ,,Ik heb hier twee
keer gezeten, een paar maanden in 1953 en twee jaar
in de jaren '60. De eerste keer vanwege
spionageactiviteiten, de tweede keer omdat ik
mensen hielp te ontsnappen. Staatsvijanden noemde de
Stasi hen. Vrijheidsstrijders waren het!,'' zegt
Pfaff geëmotioneerd. De bezoekers applaudisseren.
,,Contact met het westen, elke vorm van kritiek,
zelfs een onschuldige grap over een ontsnapping kon
je in de gevangenis doen belanden als staatsvijand.
Je kon niemand vertrouwen. De Stasi had officieel
91.000 spionnen in dienst. Onofficieel waren er nog
eens 180.000. Dat betekent dat één op de tien mensen
een verklikker was!''
Officieel bestond de gevangenis niet en de overheid
deed er alles aan om de plek van de gevangenis te
geheim te houden. ,,Arrestanten werden opgehaald in
een celwagen die was vermomd als busje van de
visboer,'' vertelt een andere medewerker. ,,We
hadden geen idee waar we waren,'' vult Pfaff aan. ,,Geblinddoekt
en gedesoriënteerd kwamen we aan om te worden
opgesloten in een felverlichte cel. 24 uur per
etmaal werden we met camera's in de gaten gehouden.
Tegenwoordig is dat een vorm van amusement. Nou, dat
was het voor ons echt niet.''
,,Wat vindt u van de opgelaaide Ostalgie?,'' vraag
een bezoekster aan het einde van de rondleiding. ,,U
bedoelt dat hotel zeker? Opblazen!,'' reageert
Pfaff fel. ,,Retro-design noemen ze dat. Ik begrijp
het niet. Ze doen ja verdorie alsof het allemaal
niet zo erg was. Toeristen moeten vooral ook híer komen;
dan horen ze hoe het echt was.''
,,Natuurlijk is er ook kritiek op ons,'' weet Daniel
Helbig van het Ostel. ,,Maar we ontkénnen helemaal
niet dat het ook vreselijk was. Bovendien, het
verleden is dichterbij dan je denkt. In deze wijk
bijvoorbeeld zit ook de drukkerij van de
staatspartijkrant. De omwonenden waren zeer
staatsgetrouw. Het Ostel is hun een doorn in het oog,
maar dat is helemaal niet erg,'' grinnikt hij. ,,Bovendien,
spot is de beste manier om het verleden te
verwerken.''
De meeste Ostel-bezoekers lijken dat motto te
onderschrijven. Zo schrijft Micha uit Rostock in het
gastenboek: 'Het was goed om het verleden te
bezoeken. We hebben genoten van de liefdevolle
inrichting. Ondanks Honecker goed geslapen. We zien
de toekomst met vertrouwen tegemoet.' n Slapen in
een DDR-stapelbed en wakker worden onder de wakende
blik van partijleider Erich Honecker. Het kan sinds
kort in het Ostel, een grauw flatgebouw in Berlijn
dat in alles Oost-Duitsland ademt. Met gevoel voor
spot en design hebben de eigenaren een oase van
'DDR-gezelligheid' gecreëerd. Voor toeristen is het
verblijf een bizarre belevenis, voor burgers uit de
voormalige DDR een onderdompeling in nostalgie.
,,Het was niet gemakkelijk om alle meubels bij
elkaar te sprokkelen,'' vertelt Ostel-eigenaar
Daniel Helbig. ,,Maar we zijn erin geslaagd. We
hebben zelfs een echt DDR-gastenboek gevonden.
Fantastisch, toch? Alles is echt DDR. Behalve de
service. Toen we op 1 mei, de Dag van de Arbeid,
ons hotel openden, reed een Jaguar uit Leipzig voor.
Het was een Ossie met heimwee naar vroeger. Samen
met zijn hoogblonde dame heeft hij alle bedden
beslapen. Prachtig vond hij het. 'Precies, zoals
vroeger', zei hij.''
Michail Gorbatsjovs beroemde
tekst 'Wie te laat komt, wordt
door het leven bestraft' is
steeds begrepen als een hint
naar DDR-leider Erich Honecker
om de macht over te dragen aan
een jongere generatie. Maar
Gorbatsjov zou in oktober 1989
niet hebben gedoeld op Honecker.
Op 1 november 1989 legde hij de
nieuwe Oostduitse partijleider
Egon Krenz tijdens een bezoek
aan Moskou uit: 'Ik bedoelde
helemaal niet de DDR. Ik had het
over mezelf. Wij zijn veel te
laat begonnen met onze
hervormingen.'
Krenz onthult dit in zijn
nieuwste en - na Wenn Mauern
fallen - tweede boek over de
nadagen van de DDR (onder de
titel Herbst '89 uitgekomen bij
Neues Leben te Berlijn). Als
Gorbatsjov Honecker op het oog
had gehad, had hij eerder 'wie
te laat vertrekt' gezegd in
plaats van 'wie te laat komt'.
Voor zover zijn woorden van
toepassing waren op de
DDR-leiders, sloegen ze eerder
op Krenz dan op Honecker. Tien
jaar geleden, op 17 oktober
1989, werd Honecker afgezet en
opgevolgd door Krenz. Diens
bewind, dat slechts vijftig
dagen duurde, kwam te laat om de
DDR nog te redden.
Achteraf
heeft Egon Krenz spijt dat hij
zo lang heeft geaarzeld zijn
politieke peetvader ten val te
brengen. De gedachte dat Erich
Honecker weg moest, kwam in
Krenz al op in november 1986,
toen Honecker de publicatie
verbood van een rede van Krenz
over 'De
Wetenschappelijk-Technische
revolutie en de DDR'.
Krenz: 'Toen vroeg ik me voor
het eerst af of Honecker niet
beter van zijn welverdiende
pensioen moest gaan genieten.'
In februari 1989 stelt
SED-politburolid Gerhard Schürer
Krenz tijdens een geheime
ontmoeting aan de Oostzee kort
en bondig voor: 'We moeten
Honecker afzetten.' Krenz is het
daar grondig mee eens, maar een
staatsgreep wil hij niet.
'Intriges zijn mij vreemd.'
Zelfs als Gorbatsjov op 7
oktober 1989 het voltallige
politburo van de SED, de
Oostduitse communistische
partij, maant tot een Wende,
blijft Krenz aarzelen, ook al
ziet hij Honeckers halsstarrige
houding als 'een gevaar voor de
DDR' en weet hij zich gesteund
door minister van de
Staatsveiligheid Erich Mielke.
Concreet gaat het na 7
oktober om de vraag of de
Oostduitse staat demonstraties
zoals op de avond van zijn
40-jarige bestaan hebben
plaatsgevonden, moet dulden of
neerslaan. Krenz en zijn
medestanders vinden:
demonstraties ja, maar geen
geweld; Honecker verwerpt dit
als 'capitulatie'. De
demonstraties zijn een uiting
van frustraties over de enorme
economische en politieke
verstarring in de DDR en de
drukkende onvrijheid, die
resulteert in de vlucht van
tienduizenden burgers.
De vergaderingen van het
SED-politburo op 10 en 11
oktober getuigen van grote
verdeeldheid, maar een putsch
tegen Honecker wordt (nog) niet
overwogen. Pas als op 12 oktober
Erich Honecker tijdens een
bijeenkomst met de
partijsecretarissen uit de
Oostduitse districten alle
kritiek negeert, eist Günther
Jahn van de jeugdorganisatie
Freie Deutsche Jugend openlijk:
'Ik roep u, kameraad
secretaris-generaal, op uw
persoonlijke consequenties te
trekken. Het geval Walter
Ulbricht heeft getoond dat
zoiets zonder gezichtsverlies
kan gebeuren.'
Op 14 oktober stuurt Krenz
vakbondsleider Harry Tisch naar
Moskou met een brief voor
Gorbatsjov, waarin Krenz om
Russische ondersteuning vraagt
als hij en zijn 'vernieuwers'
Erich Honecker afzetten. 's
Avonds spreekt hij met premier
Willi Stoph af dat Stoph meteen
aan het begin van de bijeenkomst
van het politburo op 17 oktober
het voorstel zal doen om Erich
Honecker af te zetten.
Aanvankelijk is Krenz van plan
om nog voor de politburo-sessie
met zeven man naar Honecker te
stappen om bij hem aan te
dringen terug te treden.
Maar Stoph is bang dat
Honecker dan zal proberen de
tweespalt in het politburo uit
te buiten. In Wandlitz, het
lommerrijke woongebied van de
SED-top, maakt Honecker intussen
plannen voor politieblokkades in
Leipzig om verdere demonstraties
te verhinderen.
Op 16 oktober belt Tisch uit
Moskou met 'de groeten van
Gorbatsjov', die Krenz en de
zijnen veel succes wenst met hun
plan. Krenz informeert Fritz
Streletz, de secretaris van de
Nationale Veiligheidsraad, dat
hij zijn bevelen vanaf de 17de
moet opvolgen. Streletz: 'Ik heb
de eed op de DDR afgelegd, ik
weet wat ik moet doen.'
Op 17 oktober eist Stoph
Honeckers aftreden. Hij stelt
tegelijkertijd voor Krenz te
benoemen tot secretaris-generaal
van de SED. Stophs voorstel
wordt unaniem aanvaard; zelf
Honeckers trouwste paladijn
Günter Mittag zegt zijn
vertrouwen in zijn oude
strijdmakker op. De
gedesillusioneerde Honecker
waarschuwt slechts dat zijn
afzetting de problemen van de
DDR niet zal oplossen. Om zich
de schande van een afzetting te
besparen, schrijft hij het
Centraal Comité van SED, dat op
18 oktober zijn ontslag moet
bevestigen, dat hij om
gezondheidsredenen is
teruggetreden.
Onmiddellijk nadat 's
anderendaags het Centraal Comité
de beslissing van het politburo
heeft bevestigd, staat Honecker
op. Met tranen in zijn ogen
verlaat hij de bijeenkomst. In
een vlaag van medelijden vraagt
Krenz zich af: 'Huilt hij omdat
hij ontroerd is, of uit
teleurstelling, verbittering,
onbegrip en machteloosheid?'
Exact vijftig dagen later
ondergaat Egon Krenz hetzelfde
lot als Honecker.
Te koop , nog twee in voorraad
60 euro , bel 06 24 29 1900
Kurzbeschreibung
»Reportagen sind Liebesaffären und Haßgeschichten.
Nur dann sind sie gut. Sie lohnen sich nur, wenn
außer dem Kopf auch Bauch und Poren beteiligt sind.«
Matthias Matussek Sechzehn Jahre ist es erst her,
und schon vergessen. Was vom Fall der Mauer
übrigblieb, sind...
Lesen Sie weiter
Sinds de val van de muur,
inmiddels zo'n 15 jaar geleden,
lijkt Berlijn haast in niets meer op
het Berlijn van toen!
Even leek het erop alsof Berlijn een
paar jaar na de val van de muur, hoe
ironisch ook….., met haar muur ook
haar toeristische aantrekkingskracht
had verloren. Maar inmiddels zo’n 15
jaar na dato is Berlijn een stad
waar de jongste geschiedenis werd
geschreven en oefent zij met haar
nieuwe identiteit weer een magische
aantrekkingskracht uit. Het is een
cultuurmetropool van de eerste orde.
De stad is populairder dan ooit! Bij
jong en oud.
Berlijn heeft een indrukwekkend
museumaanbod. Bekend zijn natuurlijk
het Pergamonmuseum, Egyptisch
Museum, Haus am Checkpoint Charlie.
Bovendien wordt het steeds verder
uitgebreid met spectaculaire nieuwe
museumgebouwen, zoals het Filmmuseum
of heropeningen van bestaande huizen
zoals de Alte Nationalgalerie.
Winkelen kunt u op vele plaatsen in
Berlijn. Op de Kurfürstendamm
vergaapt u zich in de winkels van de
internationale couturiers aan de
nieuwste c...
Berlijn is een stad van symbolen:
eerst was er de Muur, nu zijn er nog
steeds de Kaiser Wilhelm
Gedächtniskirche, de Fernsehturm,
het Mercedessymbool, de Ku'damm,
Unter den Linden en bijvoorbeeld de
Brandenburger Tor.
Het symbool van de scheiding tussen
Oost en West, tussen socialisme en
kapitalisme. Dat is...
Winkelen in Berlijn is verslavend.
Zorg dat u niet teveel geld bij u
heeft, want het gaat gegarandeerd
op!
Berlijn is namelijk een ideale stad
om flink geld uit te geven in de
vele winkels die de stad rijk is. De
meeste zijn tot ’s avonds 20 uur
geopend en variëren van exclusieve
modewinkels...
Het uitgaansleven in Berlijn staat
bekend als trendy en bruisend! Voor
iedereen is er wel wat te vinden,
van theatercafé tot concerthal, van
kroeg tot discotheek.
Er zijn in Berlijn vele discotheken
en muziekcafés te vinden waar tot in
de late uurtjes kan worden gedanst
op allerlei soorten muziek, van hou...
Berlijn heeft op culinair gebied
enorm veel te bieden. Vrijwel alle
internationale keukens zijn hier wel
vertegenwoordigd, zeker na de val
van de Muur zijn er ook in het
vroegere Oost-Berlijn vele nieuwe
etablissementen te vinden.
Maar eenmaal in Berlijn is de Duitse
keuken natuurlijk een must! Die valt
eigenlijk hel...
Sinds de val
van de muur,
inmiddels zo'n
15 jaar geleden,
lijkt Berlijn
haast in niets
meer op het
Berlijn van toen!
Even leek het
erop alsof
Berlijn een paar
jaar na de val
van de muur, hoe
ironisch ook…..,
met haar muur
ook haar
toeristische
aantrekkingskracht
had verloren.
Maar inmiddels
zo’n 15 jaar na
dato is Berlijn
een stad waar de
jongste
geschiedenis
werd geschreven
en oefent zij
met haar nieuwe
identiteit weer
een magische
aantrekkingskracht
uit. Het is een
cultuurmetropool
van de eerste
orde. De stad is
populairder dan
ooit! Bij jong
en oud.
Berlijn heeft
een
indrukwekkend
museumaanbod.
Bekend zijn
natuurlijk het
Pergamonmuseum,
Egyptisch
Museum, Haus am
Checkpoint
Charlie.
Bovendien wordt
het steeds
verder
uitgebreid met
spectaculaire
nieuwe
museumgebouwen,
zoals het
Filmmuseum of
heropeningen van
bestaande huizen
zoals de Alte
Nationalgalerie.
Winkelen kunt u
op vele plaatsen
in Berlijn. Op
de
Kurfürstendamm
vergaapt u zich
in de winkels
van de
internationale
couturiers aan
de nieuwste
collecties.
Berlijn is
altijd vol leven
en beweging.
Frivool is een
woord dat het
beste past bij
de sfeer die
hier heerst. Het
uitgaansleven
staat er op een
hoog peil. Het
wemelt er van de
gezellige
barretjes,
‘Kneipen’ en
Weinlokalen. Er
is een rijk
aanbod aan
theatervoorstellingen
en shows. Berlin
slaapt nooit!
Let op:
Vanaf januari
2008 wordt in
Berlijn een
milieuzone
ingevoerd. Deze
zone omvat het
deel van de
Berlijnse
binnenstad dat
binnen de
sneltramring
ligt. Langs de
toegangsstraten
zullen
waarschuwingsborden
worden opgesteld.
Alle voertuigen
die zich binnen
deze zone
bevinden moeten
van een
plaquette zijn
voorzien. Deze
plaquettes zijn
verkrijgbaar bij
alle
afgiftekantoren
voor
kentekenbewijzen,
organisaties die
bevoegd zijn
uitlaatgasonderzoek
te doen, zoals
TÜV, DEKRA en
GTÜ, en
geautoriseerde
garages. Ook
bezoekers van de
stad kunnen hier
voor hun
voertuigen de
plaquette voor
ongeveer € 5,00
verkrijgen.
Winkelen in Berlijn is verslavend. Zorg dat
u niet teveel geld bij u heeft, want het
gaat gegarandeerd op!
Berlijn is namelijk een ideale stad om flink
geld uit te geven in de vele winkels die de
stad rijk is. De meeste zijn tot ’s avonds
20 uur geopend en variëren van exclusieve
modewinkels met de bekende merken tot
winkelcentra en kleine straatjes met
boetiekjes, kleding- en antiekzaken en
boekhandels. En dan zijn er natuurlijk de
grote warenhuizen als KaDeWe, het beroemde
Kaufhaus des Westens, dat vooral in de tijd
van de muur nog een schril contrast vormde
met wat er aan de andere kant (niet) te
krijgen was.
Buchhandlung Kiepert
Kiepert is de grootste boekenwinkel van
Berlijn.
Kiepert bevindt zich in de
Hardenbergstrasse. Hier vindt u alles
over alle onderwerpen: wetenschap, kunst,
toerisme, antiquariaat etc.
Berliner Buch- und Musikantiquariaat
Robert Hartwig
Zeer bekende boekhandel in Berlijn.
In de zaak van Robert Hartwig vindt u
alles over muziek, theater, film,
partituren, autografen enzovoort. Gaat u
er eens heen en u zult urenlang
snuffelen in deze gerommeerde zaak.
KaDeWe
Het beroemde Kaufhaus des Westens, als
sinds jaar en dag een begrip in Berlijn.
Het motto luidt: als ze het hier niet
hebben, dan hebben ze het nergens!
Het wereldberoemde Kaufhaus des Westens,
in de volksmond gedoopt tot KaDeWe,
bevindt zich aan de Wittendorfplatz, ten
oosten van de Kaiser Wilhelm
Gedächtniskirche. Het is wellicht het
grootste warenhuis van het continent en
vergelijkbaar met het beroemde Harrods
in Londen. Er is hier een reusachtige
keus op alle gebieden. Als ze het hier
niet hebben, dan hebben ze het nergens.
Kaufhaus Schrill
In de Bleibtreustrasse, een zijstraat
van de Ku’damm, vindt u schreeuwerige
dassen, sokken, hoeden etc.
Kaufhaus Schrill doet u de das om, om
het maar eens plastisch uit te drukken.
Zoekt u een das, een nieuw paar sokken
of een leuke hoed, kom dan eens naar
Schrill!
Fassbender & Rausch
Bent u een choc-freak??? Bij de
gendarmenmarkt vindt u de grootste
chocoladewinkel van Europa. Eenmaal
binnen komt u niet snel meer weg.
Chocolade, chocolade en nog eens
chocolade is het wat hier de klok slaat.
Smikkelen en smullen, u zult zich
vergapen aan al deze lekkernijen en
zeker niet zonder aankopen naar buiten
kunnen gaan.
Kaiser-Wilhelm-Gedächtniskirche
Eén van de meest in het oog springende
'symbolen' van Berlijn, centraal gelegen aan
de Ku'damm.
Keizer Willem II gaf in 1891 opdracht tot
de bouw van deze kerk, ter nagedachtenis van
zijn grootvader Willem I. De kerk is in Neo-Romaanse
stijl opgetrokken en weelderig ingericht.
Hedentendage is de kerk, vooral in de avond
(wanneer hij sfeervol verlicht wordt), een
surrealistisch bouwwerk als gevolg van de
bombardementen in de Tweede Wereldoorlog. De
kerk werd toen namelijk grotendeels verwoest,
hetgeen men zo heeft gelaten (alweer ter
nagedachtenis). Rond de ruïne werd in de
jaren zestig een nieuwbouwcomplex gebouwd en
vormt samen een bijzonder geheel.
Es gehört zu
den dunkelsten Kapiteln der DDR-Geschichte:
Zu Zeiten des Kalten Krieges schreckte die
Stasi nicht davor zurück, unbequeme
Landsleute töten zu lassen - auch im Westen.
Einige spektakuläre Todesfälle sind bis
heute ungeklärt. Jetzt wurde das mutmaßliche
Mitglied eines solchen Killer-Kommandos
aufgespürt
Der mutmaßliche DDR-Auftragskiller Jürgen G.
aus Brandenburg schweigt. Zum Verdacht des
Generalbundesanwalts, er habe von 1976 bis
1987 mehrere Gegner des DDR-Regimes in Ost
und West ermordet, sagt er gar nichts. Nicht
einmal die Diensteinheit, in deren Auftrag
er für die SED getötet haben soll, gibt er
Preis. Aber für die Ermittler erhärtet sich
der Verdacht, dass Jürgen G. einer der lang
gesuchten mutmaßlichen Auftragsmörder des
DDR-Ministeriums für Staatssicherheit (MfS)
gewesen sein könnte. Aus ranghohen deutschen
Geheimdienstkreisen ist zu hören, dass die
Verhaftung des 53-Jährigen am letzten Montag
gerade mal der Anfang neuer Enthüllungen
über die Machenschaften des MfS ist. "Erkenntnisse
darüber haben wir seit Jahren versucht zu
bekommen. Wir gehen davon aus, dass nun noch
weitere Schandtaten aufgedeckt werden können",
so ein Geheimdienstler.
Nach Informationen der WELT steht die
Verhaftung von Jürgen G. möglicherweise in
Zusammenhang zu Ermittlungen zu den
mysteriösen Todesfällen bei der Abteilung
Kommerzielle Koordinierung (KoKo) und deren
SED-Parteifirmen. In einem geheimen Bericht
eines Bundestags-Untersuchungsausschusses zu
den Geschäften des KoKo-Chefs Alexander
Schalck-Golodkowski aus dem Jahr 1994 heißt
es, dass mehrere DDR-Überläufer, die sich
dem westdeutschen Bundesamt für
Verfassungsschutz (BfV) angeboten hatten,
vor der Wende auf ungeklärte Art und Weise
ums Leben gekommen seien. "Diese Todesfälle
haben wahrscheinlich einen
geheimdienstlichen Hintergrund," so steht es
in dem Bericht. An anderer Stelle wird die
Aussage eines BfV-Mitarbeiters zitiert: "In
der DDR war die Arbeit für den
Verfassungsschutz mit dem Tode bedroht."
In dem Dokument werden verdächtige "Selbstmorde"
von Mitarbeitern des DDR-Außenhandels und
acht weitere ungeklärte Todesfälle
aufgeführt. So starb 1982 der
Geschäftsführer der SED-Parteifirma Intema,
Karl-Heinz Noetzel, nach einem Abendessen
mit Geschäftsführern und SED-Funktionären
angeblich an Herzversagen auf der Toilette
im Hotel "Stadt Leipzig". In Zweifel steht
auch der "Selbstmord" des Metama-Chefs (ebenfalls
eine SED-Firma) Peter Bruns im Jahre 1982.
Ebenso ungewöhnlich erscheint den
bundesdeutschen Diensten das angebliche
Herzversagen von Noetzels Nachfolger bei der
Intema, Fritz John Bruhn, im Ost-Berliner
Hotel "Metropol".
Ungeklärt ist auch der mutmaßliche Mord
an Uwe Harms 1987 in Hamburg, der
Geschäftsführer der SED-Firma Ihle war.
Seine Leiche war in einem Plastiksack
gefunden worden. Am 18. März 1988 stürzte
Manfred Pulitzer während der Leipziger Messe
angeblich in den Tod. Er war von 1982 bis 86
Generaldirektor der Firma Asimex.
Klaus-Dieter Kranz, Inhaber der Firma
Humedia, die mit der KoKo-Firma BIEG
zwischen 1987 und 1988 Geschäfte mit
Blutplasma gemacht hatte, wurde am 21. März
1988 tot in seinem Büro aufgefunden. "Die
Beobachtung des Geschäftsführers (...)
bildete einen eigenen MfS-Vorgang mit der
Bezeichnung OPK 'Exporteur'. Im März 1989
wurde der österreichische Kaufmann Herbert
Rübler tot im "Palasthotel" in Ost-Berlin
aufgefunden. Er stand beim MfS im Verdacht,
Doppel-Agent zu sein. Laut einem
Stasi-Bericht soll er durch einen Sturz mit
dem Kopf auf die Badewannenkante im
Hotelzimmer gestorben sein. Andere
Informationen verweisen allerdings auf einen
Herzinfarkt. Fragezeichen gibt es auch im
Fall des westdeutschen Kaufmanns Horst
Bosse, der am 13. März 1972 auf dem Weg zur
Leipziger Messe auf einer Autobahn bei Gotha
ums Leben kam. Laut U-Ausschuss-Bericht gibt
es eine Fülle von Hinweisen, "die den
Verdacht nahe legen, dass es sich bei dem
Tod Bosses nicht um einen Unglücksfall,
sondern um eine geheimdienstliche Operation
des MfS handelte."
Der prominensteste Fall, hinter dem lange
schon das MfS vermutet wird, ist der Tod des
1979 in den Westen geflüchteten
DDR-Fußballers Lutz Eigendorf. Er war vier
Jahre nach seiner Flucht bei einem
Autounfall ums Leben gekommen. Vermutungen,
dass die Stasi Hand an Eigendorf gelegt hat,
werden jetzt neue Nahrung bekommen. Hinweise
auf eine Beteiligung von Jürgen G. in diesem
Fall gibt es bislang nicht.
Dass die DDR ihre "Feinde" notfalls auch
durch Mord bereit war auszuschalten, ist
sogar in einem MfS-Handbuch ausführlich
dokumentiert. In dem MfS-Dokument "Die
Einsatz- und Kampfgrundsätze tschekistischer
Einsatzkader bei der Durchführung offensiver
tschekistischer Kampfmaßnahmen im
Operationsgebiet", dass der Birthler-Behörde
vorliegt, heißt es, dass die physische
Vernichtung von Einzelpersonen oder
Personengruppen erfolgt durch "Erschießen,
Erstechen, Verbrennen, Zersprengen,
Strangulieren, Erschlagen, Vergiften,
Ersticken".
Laut einem DDR-Sachbuch mit dem Titel "Einsatzkommandos
an der unsichtbaren Front" war die "Arbeitsgruppe
des Ministers/Sonderfragen" (AGM/S) die
wichtigste Diensteinheit für diese aktiven
Vorbereitungen, der die Ausbildung von "tschekistischen"
Untergrundkämpfern oblag. Diese Kommandos
planten - wie ehemalige Stasi-Mitarbeiter
der WELT bestätigten - im Westen Anschläge
auf militärische und zivile Einrichtungen.
Gezielt sollten auch Persönlichkeiten des
öffentlichen Lebens ausgeschaltet werden.
Ein Jahr vor dem Mauerfall wurde aus der
AGM/S eine eigene Abteilung bei der
Auslandsspionage der Stasi, die im
Spannungsfall sogar für Terroraktionen
sorgen sollte. Laut Informationen der WELT
wurden dafür ein ganzes Waffenarsenal von
leichten Maschinengewehre, Handgranaten,
Mörser und Scharfschützengewehren
angeschafft.
Die Ausbildung in der DDR habe in
Hoppegarten bei Berlin stattgefunden,
bestätigt ein ehemaliger Stasi-Mitarbeiter.
Auch im Westen Deutschlands seien
DDR-freundliche Linksextremisten und IM für
militärische Aufgaben vorbereitet worden.
Knapp 2000 solcher "Schläfer" soll es kurz
vor der Wende im "Operationsgebiet West"
gegeben haben.
Die Stasi-Spezialisten in der DDR setzten
sich aus Elite-Einheiten wie Scharfschützen,
Kundschaftern, Kampfschwimmern,
Sprengtechnikern sowie Funk- und
Nachrichtendienstlern zusammen. Im
Spannungsfall sollten sie mit anderen
Einheiten zusammenarbeiten.
Vor dem Palasthotel der DDR gab es schon ein Hotel mit
diesem Namen am
Leipziger Platz. Das von
Ludwig Heim zwischen 1892 und 1893 erbaute Haus wurde im
Krieg zerstört und die Ruine in der Nachkriegszeit abgeräumt.[1]
Mit der Planung für das neue Hotel wurde 1976 begonnen.
Auf dem Gelände befanden sich vor dem
Zweiten Weltkrieg Wohnhäuser, die zum Teil schwer
beschädigt und um 1950 abgerissen wurden. Nach einem Entwurf
von
Ferenc Kiss begannen die Bauarbeiten unter der Leitung
von
Erhardt Gißke. Der dreiflüglige Bau, der sich um den
Innenhof spannte, war vertikal in drei Bereiche
untergliedert. Die unteren zwei, teilweise drei Stockwerke
waren ein horizontal ausgerichteter Flachbau, in dem sich
sieben Restaurants, drei Bars und ein Café – zusammen 2000
Sitzplätze – befanden. Verbunden über ein technisches
Zwischengeschoss thronte darüber ein Bau mit 600
Hotelzimmern und 40 Suiten, mit insgesamt 1000 Hotelbetten.
Der Haupteingang befand sich mit der Vorfahrt im Innenhof,
durch den auch die Tiefgarage erreicht werden konnte.[2]
Das Hotel war eines von vier Hotels in der DDR, die für
DDR-Bürger nicht zugänglich und an ein westliches Publikum
ausgerichtet waren. Dafür war es mit West-Produkten
ausgestattet, die sonst in der DDR kaum oder gar nicht
erhältlich waren, wie die Limousinen von BMW, Audi und
Volvo. Dem DDR-Devisenbeschaffer
Alexander Schalck-Golodkowski und dem
Ministerium für Staatssicherheit (MfS) diente es als
Kontaktort. Schalck-Golodkowski unterhielt in den Zimmern
80.26 und 80.27 ein Büro unter Leitung des Österreichers
Herbert Rübler. Der für den Einkauf von Westprodukten
zuständige Rübler verstarb 1989 an einer Kopfverletzung im
Palasthotel.[3]
Das MfS überwachte große Teile des Hotels per Video und
hatte 25 bis 30 der Zimmer mit versteckten Audio- und
Videoaufzeichnungsgeräten ausgestattet. Diese bekamen für
den Dienst interessante Gäste zugeteilt.[4]
Unter anderem setzte das MfS
Prostituierte ein um so Informationen von westlichen
Gästen abzuschöpfen.[5]
Den Terroristen
Abu Daoud, Drahtzieher der
Geiselnahme von München 1972, brachte das MfS ab 1981
für längere Zeit in dem Hotel unter.
Nach der deutschen Wiedervereinigung wurde das Hotel bis
1992 von der Interhotel AG weitergeführt. Die erste
Landesvertretung von Nordrhein-Westfalen in Berlin bezog
einen Trakt. Die
Radisson SAS-Kette übernahm 1992 das Haus.[6]
Der Abriss erfolgte 2001.