Geschiedenis van het gemeentebestuur en de gemeentelijke
organisatie (1)
In 1813 begint een nieuw tijdperk in de Nederlandse
geschiedenis. In dat jaar immers kwam een eind aan de
Frans-Bataafse tijd. Op 2 december aanvaardde de prins van
Oranje, de latere koning Willem I, te Amsterdam de status
van soeverein vorst, en dat moment wordt aangeduid als
beginpunt voor de opbouw in de daarop volgende maanden van
het Koninkrijk der Nederlanden. In de geschiedenis van het
gemeentebestuur van Diemen speelt het jaar 1813 een minder
grote rol. Het gemeentebestuur bleef na de omwenteling
gewoon zitten en de enige, althans direct in het oog
springende verandering die zich voordeed was dat er in
plaats van in het Frans weer in het Nederlands werd
gecorrespondeerd en dat de maire burgemeester werd genoemd.
Eigenlijk was er eerder sprake van een restauratie van
structuren die golden tijdens de oude Republiek. In die tijd
werd een duidelijk onderscheid gemaakt tussen stad en
platteland. Terwijl de grote steden toen hun eigen bestuur
samenstelden en verder ook in andere zaken vrijwel
onafhankelijk waren, hadden dorpen en buurtschappen veelal
nog een hogere overheid boven zich, zoals een baljuw, een
heer of een stad (2). Zo was Diemen een ambachtsheerlijke
bezitting van Amsterdam, wat onder meer inhield dat de stad
er het recht had de schout en de schepenen te benoemen (3).
Gedurende de Frans-Bataafse tijd (1995 - 1813) waren dorpen
en steden formeel aan elkaar gelijk. Meteen na de
machtsovername in 1795 hadden de Bataven het systeem van
heerlijke rechten vernietigd en zo stonden dorpen en steden
sindsdien niet alleen op gelijke voet met elkaar,
plattelandsgemeenten hadden nu ook het recht hun eigen
bestuur te kiezen. Toen echter eind 1813 de soevereiniteit
werd hersteld en men zich voor de taak gesteld zag Nederland
opnieuw in te richten sloot men in eerste instantie niet aan
bij de vernieuwingen uit de Franse tijd, maar greep men,
zeker daar waar het de inrichting van de provincies betrof,
meteen terug op de vertrouwde verhoudingen van voor 1795
(4). In Diemen werd één en ander doorgevoerd in 1817. In dat
jaar werd - en dat nu onder het toeziend oog van Amsterdam -
een nieuw dorpsbestuur aangesteld bestaande uit een schout,
twee assesoren en vijf raadsleden (5). Er werd toen tevens
een tweede vernieuwing uit de Franse tijd teruggeschroefd.
In 1811 hadden de Fransen Diemen samengevoegd met de
Watergraafsmeer (6). Op het moment van benoeming van het
nieuwe bestuur, op 1 mei 1817, werden beide echter weer van
elkaar gescheiden. Deed Diemen, en met Diemen vele andere
plattelandsgemeenten, in 1817 een stap terug, de
veranderingen die zich sinds 1795 onder invloed van de
Fransen in Nederland hadden voorgedaan waren te ingrijpend
om de klok zo maar terug te kunnen draaien. Had de `oudeż
schout bijvoorbeeld voorheen naast bestuurlijke taken ook de
bevoegdheid recht te spreken, de categorische scheiding die
in de Franse tijd was doorgevoerd tussen rechtspraak en
bestuur bleef na november 1813 gewoon gehandhaafd en zo
mocht het hoofd van een ambachtsheerlijkheid sinds 1817 wel
weer schout worden genoemd, inhoudelijk had zijn functie
inmiddels duidelijk de trekken gekregen van een moderne
burgemeester. Bovendien werd de schout nu ook niet meer
aangesteld door de ambachtsheer of door een andere hoger
gestelde plaatselijke overheid, maar regelrecht door de
Koning. De Koning benoemde hem, de ambachtsheer had slechts
het recht van voordracht, wat tevens gold voor de andere
leden van het gemeentebestuur en de gemeentesecretaris -
alleen werden die dan niet benoemd door de Koning maar door
Gedeputeerde Staten (7). Het verschil met de tijd van voor
1795 was dat nu voor alles de staat aanwezig was. Eerst
hadden de Koning en de Provincie recht van spreken, pas dan
had ook nog de ambachtsheer een stem in het kapittel. Uit de
stukken van die tijd valt dan ook op te maken dat Amsterdam
geen echte interesse meer had in de uitoefening van zijn
ambachtsheerlijke functie. Enerzijds deed de stad zijn best
de oude tijden te laten herleven. Zoals voorgeschreven droeg
ze inderdaad regelmatig bij Gedeputeerde Staten kandidaten
voor voor de functie van assesor en raadslid en benoemde ze
in haar hoedanigheid van ambachtsheer ook direct een lagere
Diemense functionaris: de zogenaamde schipper op Amsterdam
(8). Maar als de schout van Diemen de Weledele
Grootachtbaren Heeren Burgemeesteren, Ambagtsheeren van
Diemen verzocht aanwezig te zijn bij de vaststelling van de
gemeenterekening - en dat verzoek deed de schout jaarlijks -
lieten die steevast weten verhinderd te zijn. In feite wilde
iedereen, van laag tot hoog, van het hele instituut af. In
1825 werd al middels een reglement getracht enige
uniformiteit aan te brengen in de grote mate van
verscheidenheid die er alom in het land bestond in de
relaties tussen stad en platteland en sinds dat jaar mocht
ook de schout zich weer gewoon burgemeester noemen (9). Het
onderscheid stad - platteland werd echter pas definitief
opgeheven in 1851. Op basis van de grondwet van 1848 trad in
dat jaar de Gemeentewet in werking en vanaf dat moment waren
alle gemeenten, groot of klein, formeel aan elkaar gelijk.
Werd voor 1851 de gemeenteraad benoemd van hogerhand, sinds
het van kracht zijn van de Gemeentewet was Diemen, net als
elke andere gemeente, geautoriseerd zijn eigen raad te
kiezen. De eerste verkiezingen vonden plaats in september
1851, wat overeenkomstig artikel 5 van de toen geldende
versie van de Gemeentewet - zeven leden bij een inwonertal
tot 3000 zielen (Diemen telde in 1851 807 inwoners) -
resulteerde in de formatie van inderdaad een raad van zeven
ledenn (10). De veranderingen ten opzichte van de tijd van
voor 1851 waren overigens gering. Op twee nieuwe gezichten
na bestond het nieuwe gemeentebestuur verder uit dezelfde
mensen als die voor 1851 in het bestuur zaten (de
burgemeester zat er sinds 1817!), alleen hadden sommigen nu
andere petten op. De gemeentelijke organisatie telde echter
meer personen dan de acht leden van het bestuur. Zo was er,
gerekend vanaf het begin van de jaren `80, altijd een
afzonderlijke gemeentesecretaris (voorheen werd die functie
uitgeoefend door de burgemeester zelf), er was een
gemeenteontvanger, een bode, een klerk, een veldwachter, een
dorpsonderwijzer, een gemeenteopzichter, een timmerman, een
wegwerker, een hooisteker en een gemeentearts, maar daar
bleef het lange tijd bij, want nam met het vorderen der tijd
wel het aantal functies toe, de werkzaamheden verbonden aan
die functies waren zo beperkt dat meerdere functies konden
worden uitgevoerd door één en dezelfde beambte. De wegwerker
was bijvoorbeeld tevens vuilnisophaler en de timmerman
lampopsteker en zo had ook de veldwachter allerlei
nevenfuncties; nog in 1923 oefent de veldwachter ook de
functie van bode uit (11). Alleen in de onderwijssector is
sprake van een absolute toename van personeel. In 1870 was
er één onderwijzer bij de gemeente in dienst, in 1910 - in
dat jaar telt Diemen 1878 inwoners - zes!(12) (later neemt
dit aantal weer af vanwege de stichting in Diemen van
bijzondere scholen). Begin jaren '20 van de 20e eeuw -
Diemen was en bleef nog tot ver in de jaren '10 een
agrarisch dorp, maar vanaf 1900 beginnen zich in Diemen ook
wat bedrijven te vestigen (13) - laat zich een tendens zien
richting specialisatie en verambtelijking. Er worden op het
raadhuis ambtenaren ter secretarie aangesteld (14) en men
begint te spreken van afdelingen. Er wordt zelfs een eerste
dienst opgericht (1922), het Gemeente-Woningbouwbedrijf (het
latere Woningbedrijf), maar het huizenbezit is te gering om
voor het beheer ervan een aparte functionaris aan te trekken:
de functie van administrateur van het Woningbouwbedrijf
wordt dan ook uitgeoefend door de gemeenteontvanger (15).
Eind jaren `30 zijn bij de gemeente Diemen de volgende
beambten in dienst: er is een gemeentesecretaris, een
gemeenteontvanger, een bode; er zijn drie ambtenaren ter
secretarie en drie gemeentelijke werkmannen, er is een
gemeentearchitect, een gemeentelijke wegwerker, een
gemeentelijk vuilnisman en een veldwachter, een politieman
en een brandmeester. Alleen de gemeenteontvanger combineert
nog een aantal functies. Hij is ambtenaar hypotheken, agent
interregionale arbeidsbemiddeling en - nog steeds -
administrateur van het Woningbouwbedrijf (16).
Na de Tweede Wereldoorlog komt de gestage ontwikkeling naar
een hiërarchisch gestructureerd gemeenteapparaat in een
stroomversnelling. In de eerste plaats was daar de oorlog
zelf debet aan. Veroorzaakte de oorlog niet een ommekeer in
de opvatting dat de centrale overheid zich niet teveel dient
te bemoeien met lagere overheden? In elk geval werden
gemeenten veel meer dan voor de oorlog ingeschakeld bij de
tenuitvoerlegging van allerlei nieuwe centrale wetgeving wat
dan een uitbreiding van het gemeentelijk takenpakket tot
gevolg had en wat vervolgens leidde tot het aantrekken van
meer personeel of tot het opzetten van een efficiënter
functionerende gemeentelijke organisatie. Daar kwam voor
Diemen het speciale gegeven bij dat het zelf zwaar was
getroffen. Begin 1944 was op last van de Duitsers het hele
oostelijk deel van Diemen gesloopt. De Duitse Wehrmacht had
ter verdediging van Amsterdam een beter schootsveld nodig en
had zonder aarzelen Diemen bevolen ruimte ter beschikking te
stellen. Hoewel na de oorlog de wederopbouw van Diemen ter
hand werd genomen door een apart door het Rijk geleid bureau
(het personeel van het bureau werd later overgenomen door de
gemeente, maar toen het werk geklaard was werden deze
beambten afgestoten), had het uitvoeren van een dergelijk
groot project niettemin een fikse uitbreiding van
werkzaamheden ook binnen de eigen dienst tot gevolg (17).
Daarnaast speelde ook de factor Amsterdam een niet
onbelangrijke rol bij de naoorlogse groei van het
gemeentelijk apparaat. In de jaren `50 kwam bij Amsterdam
het idee op om het Bijlmermeergebied in ontwikkeling te
brengen. In het kader van de uitvoering van een gemeentelijk
herindelingsplan zou de aan Diemen grenzende gemeente
Weesperkarspel worden opgeheven en Amsterdam zag hierin een
mogelijkheid de bewoners van eigen te saneren buurten over
te brengen naar het westelijk deel van die op te heffen
gemeente, de Bijlmermeer. Diemen, dat tot dan toe juist vaak
van de factor Amsterdam had geprofiteerd - het kon immers
direct teren op de nutsbedrijven van de stad; tegelijkertijd
benutte ze Amsterdam vaak als argument om van het Rijk meer
personeel los te krijgen; `als kleine gemeente tegen een
grote stad aan heb je nu eenmaal meer werk te verzetten dan
een kleine gemeente die geďsoleerd ligt - vreest nu door de
grote buurman te worden overweldigd. Amsterdam, zo
redeneerde het gemeentebestuur, grenst immers al aan de
westkant en de noordkant van Diemen, als Amsterdam aan de
zuidgrenzen zou komen te liggen, is het maar een kleine stap
naar complete annexatie (18). Diemen pleit er daarom in Den
Haag voor het Bijlmermeergebied op te nemen in een nieuw te
stichten randgemeente met eventueel Diemen als centrum. Een
teken dat de gemeente er inderdaad ernstig rekening mee
hield dat dit voorstel ook werkelijk doorgang zou vinden is
het plan uit 1962 voor de bouw van een semi-permanent
gemeentehuis bedoeld voor een ambtenarenapparaat
overeenkomstig een inwonertal van ca. 30.000 inwoners (19).
Hoewel men uiteindelijk besliste in het voordeel van
Amsterdam en de Bijlmer inderdaad naar Amsterdam ging, had
deze hele zaak uiteindelijk toch een flinke groei van de
gemeente en daarmee een uitbreiding van het gemeentelijk
apparaat tot gevolg. Er kwam weliswaar geen randgemeente,
maar Diemen zou wel de aan de Bijlmermeer grenzende
Venserpolder (het latere Diemen-Zuid) tot ontwikkeling
brengen, inclusief het landelijk gebied ten noorden van
Diemen, plan Ruimzicht. Plan Ruimzicht werd gerealiseerd
eind jaren '60, Diemen-Zuid kwam gereed eind jaren '80. Ter
illustratie van de groei van het gemeenteapparaat sinds
1945: begin 1950 waren op een inwonertal van ca. 5500 zielen
bij de gemeente Diemen 26 beambten in dienst (20); in 1985
telde de gemeentelijke organisatie op een inwonertal van
16.931 inwoners 156 medewerkers. (21)
Begin jaren '80 (het plan voor de bouw van een gemeentehuis
uit 1962 was inmiddels toch gerealiseerd; in 1973 betrok de
gemeente, tot dan toe nog zetelend in een gebouw daterend
uit 1882, een nieuw gemeentehuis (22) gingen stemmen op het
gemeentelijk apparaat te reorganiseren. In de loop der tijd
hadden zich van de gemeentesecretarie een aantal diensten
afgesplitst. We noemden al het Woningbedrijf dat sinds 1922
functioneerde, maar na de oorlog waren er nog twee andere
diensten bijgekomen: in 1948 de Dienst Sociale Zaken en in
1961 de dienst Gemeentewerken/Grondbedrijf. (23) Hoewel
juist opgezet om een efficiënter overheidsfunctioneren
mogelijk te maken werd het bestaan van afzonderlijke
diensten uiteindelijk steeds meer als belastend ervaren. Met
name op het gebied van de beleidsvoorbereiding werden
problemen zichtbaar. Enerzijds was er de secretarie waar het
beleid werd gemaakt, maar anderzijds gingen ook de diensten
zelf zich steeds meer bezig houden met voorbereidende
werkzaamheden wat vervolgens leidde tot doublures en
concurrentie. Er werd dan ook besloten secretarie en
diensten te integreren tot één totale gemeentelijke
organisatie. De nieuwe reorganisatie ging van start in 1988
(24).
Verantwoording van de inventarisatie
Toen destijds het plan werd opgevat om van het historisch
archief van de gemeente Diemen een beschrijvende inventaris
te maken, was het meteen duidelijk dat die inventaris uit
verschillende delen zou moeten bestaan. Het archief bestond
zelf uit bepaalde blokken en series; het leek verstandig die
indeling, althans in grote lijnen, aan te houden. Zo viel
het archief uiteen in vier blokken: een blok 1584 -1812, een
blok 1813 ż 1938 (1990), een blok 1930 - 1938 en een blok
(1926) 1939-1987 (1991). Deze inventaris beschrijft de
bestanden 1813 ż 1938 (1990) en (1926) 1939 - 1987 (1991)
(25).
Het bestand 1813 - 1938 (1990)
De inventarisatie van het bestand 1813 -1938 (1990) is op de
volgende wijze aangepakt. Aanvankelijk was ook dit archief
een samenstelling van een aantal afzonderlijke en los van
elkaar staande delen en series. Het grootste deel werd
gevormd door het secretariearchief, bestaande uit series
notulenboeken, een bestand in- en uitgegane stukken en een
serie brievenboeken, maar daarnaast bestond het archief nog
uit ż om de belangrijkste te noemen - een bestand Financiële
administratie, een bestand Militieregisters, een bestand
Kadastrale administratie en een bestand Bevolkingsregister.
Wat dan is gedaan is het nauwkeurig beschrijven van al deze
onderdelen, series en stukken, tegelijkertijd werden al deze
bestanddelen systematisch gerangschikt. Al die
archiefstukken hebben immers ooit een functie gehad bij de
taakuitoefening van de gemeente. Getracht is het
oorspronkelijke verband tussen de stukken en de
gemeentelijke taak waaruit ze voortvloeiden zo veel mogelijk
te herstellen. Om dat te bereiken is in de eerste plaats een
scheiding aangebracht tussen archiefbestanddelen die niet
uit een specifieke taak zijn ontstaan en die een overzicht
geven van de zaken die ooit in de gemeente hebben gespeeld
(de besluiten, de notulen van de vergaderingen van het
gemeentebestuur, het correspondentiearchief) en stukken die
wel liggen in de sfeer van de taakuitoefening. Het betreft
hier de hoofdafdelingen in de inventaris Stukken van
algemene aard en Stukken betreffende bijzondere onderwerpen.
Vervolgens werden de stukken die binnen deze twee blokken
vielen weer verder uitgesorteerd naar deelonderwerp en met
dit uitsorteren is net zolang doorgegaan totdat elk stuk en
archiefonderdeel een plaats had. Zo is naast een geordend en
verzorgd archief tegelijk een systematische toegang ontstaan
die, althans enigszins, een beeld geeft van hoe de gemeente
over de periode 1813 - 1930 heeft gefunctioneerd. Het
bestand (1926) 1938 - 1987 (1991)
Moest bij het inventariseren het onderdeel 1813 - 1938
(1990) dus nog helemaal worden geherstructureerd, het
archiefonderdeel (1926) 1938 - 1987 (1991) behoefde verder
niet te worden onderverdeeld; dat was al geordend. Na korte
tijd het Bloemendaalse registratuurstelsel te hebben
gebruikt bij de ordening van het archief (26) was de
gemeente per 1 januari 1939 overgegaan tot toepassing van de
zogenaamde Basisarchiefcode van de Vereniging van
Nederlandse Gemeenten en zo had zich sindsdien een duidelijk
gestructureerd archief gevormd bestaande uit overzichtelijke
en naar onderwerp gerangschikte zaakdossiers. Een
dossierinventaris bood vervolgens toegang tot de dossiers
die waren afgevoerd naar de archiefbewaarplaats. De rede dat
dan toch is besloten dit archief te inventariseren was dat
de bestaande inventaris, hoewel bruikbaar voor het
personeel, niet geschikt werd bevonden voor gebruik door
derden. Is een archief eenmaal overgebracht naar een
archiefbewaarplaats dan is het in principe voor iedereen
toegankelijk. De openbaarheid is echter alleen gegarandeerd
wanneer er een universeel bruikbare inventaris beschikbaar
is en in Diemen ontbrak die nog. Aldus werd een nieuwe
inventaris vervaardigd die als uitgangspunt nog steeds de
basisarchiefcode heeft, maar die qua opzet en beschrijvingen
toegankelijker en publieksvriendelijker is dan de
voorafgaande inventaris.
Overlappende series
Hoewel het archief over de periode 1813 - 1987 (1990) uit
twee afzonderlijke delen bestaat en beide delen ook als
afzonderlijk delen in deze inventaris worden beschreven is
er niettemin sprake van een aantal overlappende series. Het
gaat dan om series die ergens aanvangen in het tijdvak voor
1938 en als het ware de overgang in de periode 1930 - 1938
naar het Bloemendaals stelsel en vervolgens naar het stelsel
van de basisarchiefcode negerend, zonder onderbreking
doorlopen tot ver in de periode na de Tweede Wereldoorlog.
Enkele van deze series zijn bij het inventariseren
gesplitst. De serie jaarrekeningen bijvoorbeeld. De serie
gemeentebegrotingen was ook opgedeeld en het leek verstandig
de jaarrekeningen, die toch veel gemeen hebben met de
begrotingen, parallel aan deze serie te laten verlopen. Veel
series zijn echter zo gelaten als ze waren. De serie
registers van geboorten die begint in 1811 en eindigt in
1990 bestaat uit 23 gelijkvormige banden. Het zou
onpraktisch zijn deze serie op te splitsen in twee groepen.
De gebruiker van de inventaris zou op twee verschillende
plaatsen in de inventaris moeten zoeken en ook in het depot
zouden beide deelseries op twee verschillende plaatsen komen
te staan en wat zou daar het nut van zijn? Het archief van
de gemeente Diemen over de periode 1913 - 1987 bestaat uit
twee qua structuur geheel verschillende archiefblokken. Op
grond van dit uitgangspunt is deze inventaris opgezet.
Praktische overwegingen hebben er echter toe geleid dit
principe op sommige momenten op te geven.
Adviezen bij het gebruik
Zoals zojuist ter berde gebracht is er ten aanzien van
een aantal series sprake van een overlap tussen beide delen
van de inventaris. Wie bijvoorbeeld op zoek is naar akten of
andere officiële bewijsstukkenstukken die betrekking hebben
op de aanleg van een gasleiding in het jaar 1952, zal moeten
zoeken in het eerste deel van deze inventaris, en niet in
het deel (1926) 1938 - 1987 (1991). De serie Akten en
bewijsstukken, waarvan de beschrijvingen zijn te vinden in
het eerste deel, loopt namelijk gewoon door tot 1962.
Hetzelfde geldt voor degene die gegevens zoekt van iemand
die in Diemen zou zijn getrouwd ergens in de jaren '50 van
de 20e eeuw. Ook die moet zoeken in het eerste en niet, wat
logisch zou zijn, in het tweede deel. De kans is klein dat
een gebruiker op een dwaalspoor raakt. Daar waar nodig zijn
in de inventaris verwijzingen aangebracht. Voor wat het
gebruik van de inventaris betreft met betrekking tot het
archiefbestanddeel 1813 - 1938 (1990) is het voorts nuttig
om te weten dat wanneer men op zoek is naar bepaalde
informatie en die informatie niet direct is af te leiden uit
de archiefbeschrijvingen in het hoofdstuk Stukken
betreffende bijzondere onderwerpen, men het beste zijn
toevlucht kan nemen tot de bestanden beschreven in het
hoofdstuk Stukken van algemene aard. Vooral het bestand
ingekomen- en uitgaande stukken is een rijke bron. Het bevat
onder meer de jaarverslagen van de gemeente (tot 1930 waren
gemeenten verplicht jaarlijks verslag te doen aan
Gedeputeerde Staten van de toestand der gemeente) en de
rapporten van de diverse commissies die sinds 1813 hebben
gefunctioneerd. Wie overigens op zoek is naar de
gemeentebegrotingen over de jaren 1853 - 1898 zal ook in dit
bestand moeten zoeken.
Beperkingen aan de openbaarheid
Archieven berustende in de archiefbewaarplaatsen van de
overheid (de zogenaamde openbare archiefbewaarplaatsen) zijn
in principe openbaar. Ook het archief van de gemeente Diemen
is openbaar behoudens de volgende beperking. De archiefwet
stelt namelijk dat archieven van de overheid openbaar worden
wanneer ze ouder zijn dan twintig jaar. Het in deze
inventaris beschreven archief loopt tot 1990. Dat wil zeggen
dat het archief eerst pas echt toegankelijk is in het jaar
2010 en dat voor de inzage in de jongste stukken toestemming
is vereist van Burgemeester en Wethouders. Voor de registers
van de burgerlijke stand en stukken met de inventaris
nummers 3755 en 3756 gelden afwijkende termijnen. Ook voor
het inzien van deze archiefbescheiden is dispensatie nodig
van Burgemeester en Wethouders. Men raadplege de beheerder
van het archief.
Vernietigde stukken en afmetingen van het archief
Inventariseren van archieven is voor een deel ook het
aanbrengen van een scheiding tussen te bewaren en te
vernietigen stukken. De toegankelijkheid van een archief
neemt immers alleen maar toe indien men het archief ontdoet
van stukken die niet ter zake doende zijn. Ook uit de hier
geďnventariseerde archiefbestanddelen - met name uit het
onderdeel 1813 - 1938 (1990) - zijn stukken voor
vernietiging geselecteerd. Het betreft een bestand van ca.
6,5 strekkende meter bestaande uit dubbelen, stukken die ter
kennisname waren opgenomen in het archief en stukken die
geen wezenlijk deel uitmaakten van enige zaak. Het archief
meet, nu het is bewerkt en geschoond, 128 strekkende meter.
Noten;
1. Zie voor de geschiedenis van het dorp en de plaats Diemen
na 1813: Theo Schaap, Diemen na de Franse bezetting, in: Jan
Mulder; Hanna Blok; Karin van Reenen, (red.): Diemen buyten
Amsterdam, Diemen 1987 en zie voor deelonderwerpen uit de
geschiedenis van Diemen het tijdschrift: Historische Kring
Diemen, 1991
2. W.J. Alberts, De geboorte en groei van de Nederlandse
Gemeente, Alphen aan den Rijn 1966, p. 94 e.v.
3. R.P. Schoen, Diemen vanaf de middeleeuwen tot 1815, in:
Mulder, Blok: Reenen, Diemen buyten Amsterdam, p. 74.
4. Alberts, De geboorte en groei van de Nederlandse
Gemeente, p. 110 e.v.; M.J.A.V. Kocken, Van stads- en
plattelandsbestuur. Proeve van een geschiedenis van ontstaan
en ontwikkeling van het Nederlandse gemeentebestuur tot en
met de gemeentewet van 1851, 's-Gravenhage 1973, p. 203 e.v.
5. Het nieuwe bestuur werd geďnstalleerd op 1 mei. Zie:
Gemeente Diemen. Archief over de periode 1813 - 1987 (1991),
inv. nr. 2, vergadering van 1 mei 1817.
- C.H. Jansen, Geschiedenis van de Amsterdamse
ambachtsheerlijkheden 1975-1848, in: Tijdschrift voor
Geschiedenis, LXXVIII (1965), p. 426.
- Alberts, De geboorte en groei van de Nederlandse
Gemeente, p. 111.
- Gemeente Diemen. Archief over de periode 1813 - 1987
(1991), inv. nr. 2, vergadering van 29 december 1818.
Het betreft hier een beambte die ook in de tijd voor
1795 door Amsterdam werd benoemd. De functie komt in elk
geval voor op een door de burgemeester van Diemen
opgesteld overzicht van ambten, waarvan Amsterdam voor
1795 het recht van benoeming had; zie Gemeente Diemen.
Archief over de periode 1813 - 1987 (1991), inv. nr. 61,
januari
9. Kocken, Van stads- en plattelandsbestuur, p. 296.
- Gemeente Diemen. Archief over de periode 1813 - 1987
(1991), inv. nr. 3, vergadering van 4 december
- Idem, inv. nr. 1100
- Idem, inv. nr. 391, jaarverslag.
- Zie: Wiard Krook, Op gang komende machines, in:
Historische Kring Diemen, najaar 1993, p. 2 - 12
- De gemeente beschikt sinds 1882 over een eigen
raadhuis. Voorheen werd wellicht gewoon thuis gewerkt,
de vergaderingen van het gemeentebestuur werden in elk
geval gehouden in het rechthuis van de Watergraafsmeer
of in een herberg in Diemen. Zie voor de huisvesting van
de gemeente: Hiltje Veldstra, De gemeente Diemen onder
dak, in: Historische Kring Diemen, Jaargang 9 (2-1999).
p. 9 e.v.
- Het bedrijf was dan ook niet zozeer opgericht
vanwege de hoeveelheid werk die het beheren van de
huizen met zich meebracht; achter de oprichting staken
eerder administratieve redenen. Door het huizenbezit
onder te brengen in een apart bedrijf kon de financiële
administratie doelmatiger worden gevoerd. Zie W.
Zanting, Woningbedrijf Diemen. Inventaris van het
archief 1920 - 1972, p. 3.1
- Gemeente Diemen. Inventaris van het archief volgens
het Bloemendaals registratuurstelsel 1930 - 1938, inv.
nr. 23.
- In 1951 pleit burgemeester Dallinga, mede ook
vanwege de toegenomen werkzaamheden in verband met de
wederopbouw, voor het aantrekken van minder geschoold
personeel dat allerlei nevenwerkzaamheden kan verrichten
, zodat de echt geschoolden zich beter kunnen
concentreren op hun eigenlijke werk. Zie archief 1813 -
1987, inv. nr. 3175, tab 'rapport Burgemeester'.
- De Bijlmermeer. De Agglomeratie Amsterdam op de
tweesprong: decentralisatie of centralisatie. Brochure
houdende het standpunt van het gemeentebestuur van
Diemen met betrekking tot de gemeentelijke herindeling
van west-Weesperkarspel, Diemen 1962, p. 25.
- Gemeente Diemen. Archief over de periode 1813 - 1987
(1991), inv. nr. 2730.
- Idem, inv. nr. 3175.
- Idem, inv. nr. 2733.
- Zie noot 14.
- Zie voor het archief van de Dienst Gemeentewerken:
Zanting, Gemeentewerken Diemen. Inventarisż.
- Zie m.b.t. de reorganisatie o.m. Gemeente Diemen.
Archief over de periode 1813 - 1987 (1991), inv. nr.
2732.
- Zie voor het archief over de periode 1930 - 1938: W.
Zanting, Gemeente Diemen. Inventaris van het archief
volgens het Bloemendaalse Registratuurstelsel 1930 -
1938, Diemen 1999 en voor het archief over de periode
1584 - 1812: A.S. Fris, Inventaris van het archief van
Schout en Gerecht, Municipaliteit en Gemeentebestuur van
Diemen 1584 - 1812 (1833), Diemen 1999.
- Zie voor verdere bijzonderheden omtrent het
Bloemendaalse stelsel: Zanting, Gemeente Diemen.
Inventaris van het archief volgens het Bloemendaalse
Registratuurstelsel, p. 29 e.v.