Nederlands-Indië

was een Nederlandse kolonie (zie Nederlandse koloniën) die het gebied omvatte wat nu Indonesië is. De Nederlandse bezittingen stammen van de VOC, die onder meer op Java en in de Molukken een aantal eilanden, steden en gebieden bezat. Na de opheffing van de VOC in 1798 gingen ze op de toenmalige Bataafse Republiek over. Na 1800 werden de gebieden officieel Nederlands-Indië. Deze naam komen we echter in stukken van de VOC in de jaren 1620-1622 al tegen als 'Nederlandsch-India'.

In het Maleis luidde de naam Hindia Belanda; de term "(Ons) Indië" werd met Tanah Hindia weergegeven.

De Indonesische archipel is al vanaf de prehistorie door mensen bewoond. Voordat de Nederlanders kwamen hadden zich er al vele rijken gevestigd maar zijn er evenveel weer vergaan. Vanaf de 14e eeuw ontstonden er, onder invloed van de Arabieren, moslimstaten die een sterk feodale inslag hadden. De boeren moesten een groot deel van hun oogst, tot maximaal 60%, aan de vorsten afdragen. Door de Indiase en Arabische handelaren werden specerijen uit Indonesië naar Europa verhandeld. De schaarste en de hoge prijzen van deze producten vormden een sterke stimulans voor de eerste Europese ontdekkingsreizen.

De Portugezen waren de eersten die om de Kaap voeren en in 1498 Indië bereikten. In 1511 veroverden ze Malakka waar ze handel dreven met Javanen en Bandanezen die specerijen van de Molukken haalden, waarna de Portugezen zelf naar de Molukken reisden omdat daar de specerijen eenvijfde van de prijs van Malakka kostten. Door hun minachtende houding kregen ze oorlog met de Molukse bevolking waardoor de toevoer van specerijen naar Europa verminderde. Ondertussen was Portugal in 1580 onder de kroon van Spanje gekomen. Spanje was in oorlog met de Nederlanden en legde in 1585 beslag op vijandige schepen in de Portugese havens. De noodzaak voor de Hollanders om zelf op de Indonesische archipel te gaan varen werd hierdoor versterkt.

Pogingen om via de Noordelijke-ijszee Indonesië te ontdekken mislukten, waarna in 1593 drie koopvaarders vanaf Texel voor het eerst, ondanks veel tegenslag, de archipel bereikten. Daarna werden er in verschillende steden compagnieën, de zgn. voorcompagnieën, opgericht die allemaal op Indonesië gingen varen. Van de onderlinge concurrentie profiteerden de Aziatische leveranciers die de prijs opdreven terwijl de Europese markt werd overspoeld met specerijen en de prijs daar daalde. Het waren daarom economische motieven die Johan van Oldenbarnevelt, de raadspensionaris van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, ertoe bracht de kooplieden tot samenwerking te overreden.

De periode 1602-1798

Deze periode was het tijdvak van de VOC, de Verenigde Oostindische Compagnie. Na de oprichting verkregen ze het monopolie om voorbij de Kaap de Goede Hoop handel te drijven in Azië. De compagnie kreeg ook het recht om daar, tot het behoud van het handelsmonopolie, oorlog te voeren en namens de Republiek verdragen te sluiten met inheemse vorsten. De gebieden waar ze waren gevestigd mochten ze ook besturen en rechtspreken. Hierdoor waren ze een soort semi-overheidsbedrijf, formeel maar ook in de praktijk sterk gebonden aan de Staten-Generaal, het algemene regeringsorgaan van de Republiek. Hun octrooi gold voor eenentwintig jaar en moest telkens opnieuw worden verlengd.

In 1603 voer de eerste volledig uitgeruste vloot uit, die al spoedig in conflict kwam met de Portugezen. Om de handel georganiseerder te doen lopen werd besloten een centrale leiding in te stellen onder een Gouverneur-Generaal. Tevens werd er naar een centrale plaats gezocht die kon dienen als opslagplaats en als "rendez-vous" voor de schepen. Onder Gouverneur-Generaal J.P. Coen werd het huidige Jakarta uitgekozen en werd die plaats in 1619 omgedoopt in Batavia (Nederlands-Indië).

Ten slotte kreeg de VOC van de aandeelhouders en bewindvoerders één opdracht mee: het verkrijgen van het specerijenmonopolie. De VOC ontwrichtte zo de bestaande insulaire handel, die vooral in handen was van Javaanse, Chinese en Arabische handelaars. Ze monopoliseerde de handel door contracten te sluiten met de lokale vorsten, waarin dit privilege werd vastgelegd. De vorsten hadden op hun beurt weer het monopolie op de handel in het gebied waarover zij heersten.

Om haar monopolie te handhaven richtte de VOC factorijen op en kocht ze de volledige jaaropbrengst in van een bepaalde specerij. Die werd vervolgens in de factorijen bewaard, zodat de markt niet in een keer overspoeld zou worden en de prijs beter kon worden beheerst.

De archipel van het voormalige Nederlands-Indië was niet één homogeen geheel maar bestond uit eilanden en eilandengroepen die onderling zeer van elkaar verschilden. De Nederlanders concentreerden zich in de 17e en 18e eeuw vooral op de Molukken en Java. Op de Midden-Molukken werden voornamelijk kruidnagels geteeld. De VOC sloot, zoals hierboven is beschreven, contracten met de lokale hoofden en betaalden met rijst, textiel en wapens.

Om de productie te beheersen en het smokkelen tegen te gaan concentreerden zij de handel zoveel mogelijk op één eiland. Daarom werden op de andere eilanden de bomen omgezaagd. Daarnaast werd de Dati (familie in uitgebreide zin) verplicht een aantal kruidnagelbomen per jaar te planten en de productie aan de VOC te leveren. Hierdoor waren de leden van de Dati gebonden aan werk en grond.

Op de Banda-eilanden waar vooral nootmuskaat en foeli werd verbouwd, moest de VOC haar gezag met geweld opeisen. De macht van de hoofden was hier niet zo groot, zodat de VOC de handel niet kon beheersen via de lokale elite. In 1609 werden de Bandoes wel traktaten opgelegd maar die werden ontdoken via sluikhandel en smokkelpraktijken.

In 1621 moordde de VOC onder leiding van Gouverneur-Generaal Jan Pieterszoon Coen de Banda-eilanden uit en bracht de overlevenden naar Java, waarna hij op de ontvolkte eilanden de eerste moderne plantages inrichtte, gebaseerd op slavenarbeid. Oud VOC-werknemers mochten de perken (plantages) beheren. Voedsel en slaven werden geleverd door de VOC die op haar beurt het alleenrecht behield om de specerijen voor een lage prijs van de perkeniers te kopen. Door dit optreden van de VOC daalde de productie op de Molukken met 70%. De productiedaling ging gepaard met een consumptiedaling terwijl het hele sociaal-economische systeem was ontwricht. Daarnaast was het sterftecijfer hoger dan het geboortecijfer waardoor er een constante vraag naar slaven was.

Op Java was de situatie anders. Toen de VOC zich daar vestigde was het land verdeeld in een groot agrarisch binnenland met gesloten, naar eigen behoefte producerende dorpen die onder centraal gezag stonden van lokale vorsten die het monopolie hadden op de handel van het productie-overschot. Daarnaast waren er de handeldrijvende havenplaatsen waar veel Oosterse vreemdelingen woonden. Op Java kon de VOC veel makkelijker monopolies afdwingen dan op de Molukken. Ze wisten handig gebruik te maken van de twisten tussen de inheemse vorsten door één vorst te helpen tegen een andere, in ruil voor handelsvoordelen en monopolies.

Doordat de vorst zijn vrijheid inzake de handelspolitiek had prijs gegeven, was vanzelf een verhouding van afhankelijkheid ontstaan, die zich ontwikkelde tot ondergeschiktheid. Zo veranderde geleidelijk, aan het eind van de 17e eeuw vanuit Batavia, het overwicht over de kuststaatjes in territoriaal gezag. Dit ging samen met een gedeeltelijke verandering in de wijze waarop zij haar inkomsten verkreeg. Naast de traditionele handelswinsten kwamen de gedwongen leveringen (vorst moet verplicht een bepaald product aan de VOC leveren tegen een overeengekomen prijs) en contingenten (soort belasting in natura). Het verschil tussen de vrijhandel met de Javaanse vorsten en de gedwongen leveringen was niet zo groot. Het vond beide plaats onder de druk en bescherming van de kanonnen en geweren van de Compagnie. Door het monopolie werd de inheemse groothandel onderdrukt en toen de verplichte leveringen aan het eind van de 17e eeuw hun intrede hadden gedaan moest de desa, die dusverre alleen voor eigen gebruik en voor de hoofden had hoeven te produceren, voortaan ook voor de compagnie produceren. In ruil daarvoor zorgde de VOC voor vrede.

Elders op de archipel vormde de compagnie een minder geduchte macht. Op Noord-Sumatra sloot de Compagnie in 1641 peper contracten met Atjeh, Palembang en Jambi maar die waren niet zo dwingend als de hierboven beschreven contracten. Bovendien moest er met zilver worden betaald. Na 1680 ging de intra-Aziatische handel, die lange tijd zeer winstgevend was geweest, verlies op leveren. De handel binnen Azië had de compagnie altijd een groot deel van de middelen verschaft, het textiel, waarop haar Aziatische bedrijf de inkoop van de retourgoederen dreef. Nu moest steeds meer baar geld worden aangevoerd.

De territoriale uitbreiding en voortdurende oorlogen overzee, aan het eind van de 17e eeuw, deden de kosten voor de VOC in Azië hoog oplopen. Na 1686, met als uitzondering 1691/92, werd ieder jaar met verlies afgesloten. In de 18e eeuw ging het weer iets beter. In 1720 werd er nog 20% dividend uitgekeerd.

Na 1740 ging de Compagnie zich in Azië concentreren op de Indonesische archipel, waar op Java zelfs in zekere mate sprake was van rechtstreekse penetratie. Op de Noordoostkust van Java en in het gebied rond Batavia werden de koffiecultuur en de suikeraanplant uitgebreid. Ook was er sprake van militaire expansie: In 1743 werd Mataram voor de VOC verworven.

De Compagnie behield haar monopolie op de "geruime vier": nootmuskaat, foelie, kruidnagel en kaneel. Zij beheersten hiervan de productie en de prijs. Het eerste via het omzagen en weer aanplanten van bomen, het tweede via het hebben van het Monopolie. Wat vaak vergeten wordt is dat men zich ook bezig hield met papaverteelt ter verkrijging van opium. Opium was een legaal product waarnaar wereldwijd grote vraag was. De productiemethoden en de manier waarop de VOC het gebied beheerste, veranderden nauwelijks. Een schrijver over de Compagnie heeft ooit gezegd dat dit handelslichaam geen geschiedenis heeft. De bestuurders der VOC hebben hun hele bestaan op één en dezelfde manier gestreefd naar het bereiken van hun doel, het maken van handelswinst door angstvallig vast te houden aan hun monopolie. Na de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog volgt er een chaotische periode in de koloniën.

 

 19e Eeuw

Rond 1825 werden er op Java grote opstanden onder leiding van de inheemse nationalistische leider Diponegoro door de Nederlanders bestreden. Na een zware strijd die aan beide kanten veel slachtoffers eiste, werd Diponegoro verslagen. Deze strijd wordt ook wel de Java-oorlog genoemd. Na deze oorlog kwam Java bijna geheel onder directe Nederlandse heerschappij te staan. Alleen de vorsten van Jogjakarta en Soerakarta bezaten nog enkele Javaanse gebiedsdelen. Op de andere eilanden, waar de opstanden gewoon door gingen, bezat Nederland wel een aantal gebieden en steden. In 1861 vond de toenmalige Nederlandse minister van Koloniën het welletjes. Nederland moest of weg gaan uit Indië of het geheel onder zijn heerschappij brengen. Ze waren niet alleen bang voor de inheemse bevolking, maar ook vreesden ze dat andere westerse landen hun koloniën wilden inpikken (wat vrij makkelijk was vanwege het zwakke Nederlandse bestuur). Het Knil (Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger) ging toen de andere eilanden in Indië geheel veroveren en ze zorgden er voor dat de Nederlanders de gebieden goed onder controle hadden. Zo werden Sumatra, Borneo en Celebes Nederlandse koloniën. Ook de gehele eilandenreeks van Bali tot en met West-Timor werd onder Nederlandse regering geplaatst. In de jaren 1898 tot 1904 werd, na verschillende vruchteloze pogingen vanaf 1873, één van de laatste gebiedsdelen Atjeh op Sumatra veroverd onder leiding van de Militair gouverneur van Atjeh, J.B. van Heutsz. Tot ongeveer 1909 werden nog militaire campagnes uitgevoerd.

 

 20e Eeuw

Tijdens de Tweede Wereldoorlog gaven de Nederlandse strijdkrachten zich op 8 maart 1942 over en werd Nederlands-Indië door Japan bezet. De Nederlanders die nog in het land verbleven, werden in Japanse kampen geïnterneerd. Gedurende de bezetting ontwikkelde de nationalistische beweging zich sterk. Na de capitulatie van Japan riep Soekarno de Republik Indonesia uit. Deze republiek moest geheel Nederlands-Indië omvatten.

Na het einde van de oorlog in 1945 was Nederland niet meteen bij machte troepen naar Indonesië te sturen om haar gezag te herstellen. Men was afhankelijk van de Britse troepen, terwijl Groot-Brittannië niet zonder meer het herstel van het Nederlandse gezag op zich wilde nemen. De Amerikanen en Britten lieten de handhaving van het gezag in handen van de achtergebleven Japanse troepen. De Indonesische nationalisten, die aanvankelijk door de Japanse bezetters waren ondersteund maar later ook waren vervolgd, maakten van deze situatie gebruik hun eigen structuren op te bouwen. Zij kregen de controle over de grootste delen van Java (eiland) en Sumatra.

 
Japanse aanvallen op Nederlands Indië.

De Nederlandse regering had gedurende de oorlog beloftes gedaan over autonomie voor Indonesië. Een meer of mindere mate van onafhankelijkheid voor Indonesië was dus echter al snel aan de orde. Luitenant-gouverneur-generaal H.J. van Mook besloot tot opbouw van Indonesië volgens een federale structuur. Dit was geen volstrekt nieuw idee, maar vormde wel een breuk met de staatsvoering in Nederlands-Indië tot dan toe, en vormde een schril contrast met de denkbeelden van de nationalisten, die wilden dat geheel Nederlands-Indië tot een centralistisch bestuurd Indonesië zou gaan behoren. Het plan was, Indonesië op te delen in verschillende deelstaten negara's, die onder zich eventueel ook weer zelf besturende gebieden zouden kunnen hebben, de daerahs. Het geheel zou dan de Verenigde Staten van Indonesië heten en met Nederland verbonden zijn in de Nederlands-Indonesische Unie. Het zuiver symbolische hoofd van de Nederlands-Indonesische Unie zou de Koning der Nederlanden zijn. De door de nationalisten uitgeroepen Republik Indonesia zou dan een der negara's worden. Over dit plan werd met de Indonesiërs overeenstemming bereikt gedurende een conferentie te Linggadjati in november 1946. Via de federale structuur werd volgens mensen als Van Mook de culturele en etnische diversiteit van Indonesië erkend. Men verwees hierbij naar het zelfbeschikkingsbeginsel: de verschillende volkeren van Indonesië zouden zichzelf moeten kunnen besturen. De etnische diversiteit van Indonesië was onderwerp geweest van twee conferenties in Malino en Pangkalpinang.

Het idee Indië los te moeten laten was echter schokkend voor veel Nederlanders. Nederland had Indië altijd als een belangrijke raison d'être beschouwd. Gedurende het cultuurstelsel, waarbij de Nederlandse regering veel inkomsten uit Indië verwierf ten koste van de plaatselijke bevolking, kwam onder invloed van onder meer Multatuli de gedachte van het "schone streven" op: Nederland moest zijn "ereschuld" veroorzaakt door het cultuurstelsel aan Indië terug betalen door het land te ontwikkelen. Veel Nederlanders hadden zodoende messianistische gedachten bij Indië; het was de taak van Nederland dit land te ontwikkelen.

Nederlands-Indië was de Nederlandse kolonie bij uitstek. Natuurlijk was er ook West-Indië, Suriname en de Nederlandse Antillen, maar vanwege haar grootte, economisch belang en rijkdom aan verschillende volkeren en culturen nam Nederlands-Indië in het gedachtegoed van de Nederlanders wat het koloniën betreft de voornaamste plaats in. Nederland had sterk het idee dat Nederlands-Indië een modelkolonie was. Men aanvaardde wel het idee dat Nederlands-Indië ooit onafhankelijk zou worden, maar dit plaatste men in de verre toekomst. In de periode tussen de oorlogen werden dan ook geen vergaande hervormingen in het bestuur doorgevoerd; van enige ontwikkeling in de participatie van Indonesiërs in het bestuur was na 1918 geen sprake. Het onafhankelijkheidstreven van de Indonesiërs kwam dan ook voor de meeste Nederlanders als een volslagen verrassing.

Bovendien weigerde de Nederlandse opinie de leiders van de Republik Indonesia te erkennen als leiders van de Indonesische massa's. De Indonesische nationalisten onder Soekarno hadden meegewerkt met het Japanse bewind. Hierdoor brandmerkte men hen in Nederland als verraders en collaborateurs. De rol van de Britten en Amerikanen was vervolgens zeer kwetsend voor de Nederlanders. De Britten hadden geweigerd hun legermacht in dienst van Nederland te stellen. Voorts hadden zij door de Republikeinen in de ordehandhaving op Java en Sumatra te betrekken in de ogen van Nederland bijgedragen aan de erkenning van het republikeins gezag. De Amerikanen vervolgens drongen bij Nederland aan op een oplossing van het conflict en schaarden zich vanuit hun anti-kolonialisme niet zonder meer langs de Nederlandse "legalistische" lijn, die uitging van verdragen en wetten.

Nederland verzette zich tegen de Indonesische onafhankelijkheid, en stuurde militairen om de opstand neer te slaan, de 'politionele acties'. Nederland slaagde er echter niet in de Indonesiërs te verslaan, en mede vanwege internationale druk van vooral de Verenigde Staten, accepteerde Nederland op 27 december 1949 de Indonesische onafhankelijkheid. Alleen de westelijke helft van Nieuw-Guinea bleef nog tot 1962 Nederlands.

 

 

 

Java

Java (Indonesisch: Jawa) is een eiland in de Republiek Indonesië. Het eiland is 132.000 km² groot (ruim drie keer zo groot als Nederland) en heeft meer dan 114 miljoen inwoners. Daarmee is het het dichtstbevolkte eiland van Indonesië met gemiddeld 864 mensen per vierkante kilometer.

De hoofdstad en tevens residentie van Indonesië, Jakarta, ligt op de noord-westkust van Java. Jakarta met de voorsteden wordt gewoonlijk de Jabotabek genoemd, een acroniem voor Jakarta - Bogor - Tangerang - Bekasi. Deze grootstedelijke regio met een totale oppervlakte van 6400 km² (ongeveer even groot als Noord-Brabant en Limburg tezamen), heeft een bevolking van ongeveer 20 miljoen. Jakarta stad (met een oppervlakte van 664,32 km²) zelf heeft een bevolkingsaantal van 10 miljoen.

 

 

In de Midden-Javaanse periode (8ste tot de 10e eeuw) was sprake van een hindoeïstisch-boeddhistisch rijk dat zijn centrum in het binnenland van Centraal-Java moet hebben gehad (getuige de overblijfselen van o.a. de Borobudur).

Het rijk was gebaseerd op de klassieke rijstcultuur. Rond 1000 verschuift het centrum naar Oost-Java (het stroomgebied van de Brantas-rivier). Van hieruit was een directer contact met de zee mogelijk.

Het rijk van Majapahit (1294 tot 1527) vormde het hoogtepunt van de Oost-Javaanse periode in de Javaanse geschiedenis. Het was een mengsel van een klassieke rijststaat en een maritieme staat. Mojopahit kende een overzeese expansie met als gevolg dat in theorie, Majapahit bijna het hele gebied van het huidige Indonesië beheerste.

Met de intensivering van de zeehandel in de 16e eeuw en de komst van de islam verplaatste het zwaartepunt zich naar de noordkust van Java, waar een keten van havensteden ontstond met islamitische heersers die zich losmaakten uit het gezag van Majapahit, welke staat dan ook ten onder ging.

Aan het eind van de 16e eeuw kwam in het hart van Midden-Java (rond het huidige Solo (Surakarta) en Jogjakarta) een nieuwe macht op, het rijk Mataram. De kracht van dit nieuwe centrum was gelegen in de beheersing van de rijstcultuur van het eiland.

Toen de VOC op Java arriveerde en Batavia stichtte, maakte het rijk Mataram een snelle expansie door. Alleen het Westen (waaronder Batavia) werd niet door Mataram beheerst.

De rijksorganisatie bestond uit concentrische cirkels. In het centrum van het rijk (Nagara) lag de hoofdstad, met in het centrum de kraton (paleiscomplex van de Javaanse sultan). Om het paleis lagen de wooncomplexen van de rijkselite. In de streken rond de hoofdstad (Nagara Agung) lagen de apanages (ambts- of salarisvelden) van de Javaanse rijkselite. Er was nog nauwelijks sprake van een monetaire economie daarom werden de beloningen gedaan in de vorm van een stuk land, waarvan de toegewezen persoon de inkomsten voor zichzelf mocht houden. Als derde cirkel om de kernregio heen lag de Manca Nagara (Buiten Stad) dit waren de belastingopbrengende gebieden. Belasting werd betaald in de vorm van agrarische producten en arbeids- of herendiensten.

De macht werd door persoonlijke relaties in stand gehouden (zogenaamde patroon-cliënt relaties). Dit gaf de staat een ingebouwde instabiliteit. Naarmate een gebied verder van het hof verwijderd lag, was de macht van de vorst er geringer. Omdat sprake was van een koningscultus aan het hof waarbij de vorst een tussenpersoon was tussen de goden- en mensenwereld was het niet geoorloofd om tegen de vorst in opstand te komen. Ook werd er een bewuste huwelijkspolitiek gevoerd om de belangen goed over het rijk te spreiden.

Javaanse vorsten waren niet in staat een staand leger van grote omvang op de been te houden. In tijden van oorlog waren zij afhankelijk van een boerenmilitie. De effectiviteit van de militaire macht liet daarom te wensen over, zeker in de veraf gelegen gebieden.

Het VOC-bestuur was noch modern noch traditioneel. Modern waren de duidelijke gezags- en bevelsstructuur binnen de VOC. Wat in de top werd besloten werd aan de basis ook uitgevoerd. Men hield een vrij grote militaire macht op de been en men had de beschikking over voldoende reserves in de vorm van mankracht en gelden

Daarnaast waren een aantal overeenkomsten met de Aziatische staten in haar omgeving. Zo was er een kloof tussen centrum (Batavia) en periferie. Ook het eigenbelang van de VOC-dienaren was een traditionele factor. VOC-beambten hadden naast hun activiteiten voor de Compagnie vaak privé-belangen die veelal via patroon-cliënt relaties werden georganiseerd.

De architect van de Mataramse expansie was sultan Agung (de grote sultan), die regeerde van 1613 tot 1646. Enkel het westen van Java, met Banten als belangrijke stapelplaats van specerijen, viel niet onder zijn gezag. Ten oosten van Banten hadden de Nederlanders een fort gebouwd (dit werd later Batavia). Aanvankelijk waren de Nederlands-Javaanse contacten vriendschappelijk. Sultan Agung wilde de Nederlanders als bondgenoot inschakelen om Banten te onderwerpen. De VOC weigerde waarna de sultan in 1628 en 1629 probeerde om Batavia te veroveren, hetgeen mislukte.

De opvolger van sultan Agung, de Susuhunan (verheven, ook wel Sunan) Amangkurat I, die regeerde van 1646 tot 1677, had minder charisma en trachtte het rijk middels een schrikbewind bijeen te houden. Dit lukte hem niet; het Javaanse rijk begon uiteen te vallen. De banden met de Nederlanders werden weer aangehaald om van hieruit geen moeilijkheden te krijgen. Na 1654 ontstonden er weer problemen omdat de vorst probeerde de handel van de kuststeden opnieuw onder een koninklijk monopolie te stellen. Hierdoor ontstond grote schade voor de VOC.

Vooral op Java hebben grote opstanden en bevrijdingsoorlogen gewoed. Ze waren bijna succesvol. Van 1674 - 1677 was sprake van een opstand onder leiding van de Madurese prins Trunajaya. In 1677 naderden de opstandelingen de kraton; de Susuhunan vluchtte en overleed. Vanaf dat moment raakte de VOC betrokken bij het gezag over Java.

Na de dood van Amangkurat I riep zijn zoon, de kroonprins, de hulp van de Nederlanders in. Omdat de opstandelingen al in 1676 de voor Nederland belangrijke noordkustgebieden begonnen te plunderen was na een langdurige interne discussie als besloten om beperkt militair in te grijpen. Dit echter alleen om de belangen aan de Noordoostkust veilig te stellen.

In juli 1677 werd een verdrag gesloten waarbij de Nederlanders hielpen het gezag te herstellen en de Javanen de onkosten hiervan zouden vergoeden en de Nederlanders zouden vrijgesteld worden van de vorstelijke tolheffingen.

Zo trok Anthonio Hurdt van 1678 tot 1680 met een huurlingenleger de binnenlanden van Java binnen. De nieuwe vorst kwam echter zijn afspraken met de VOC niet na. Na de moord op de permanente vertegenwoordiger aan het hof, François Tack, werden de directe betrekkingen tussen de VOC en Mataram voor 20 jaar verbroken.

In 1700 leidde de Balinese ex-slaaf Soerapati een opstand. In de loop van de 18e eeuw waren er diverse oorlogen binnen het Javaanse rijk (opvolgingsproblemen en religieuze motieven speelden daarbij vaak een rol). In de jaren veertig werd een opstand van de Chinezen door de kraton gesteund, het gevolg was een complete uitmoording van de Chinezen binnen de muren van Batavia.

De VOC verleende steeds weer steun aan de in haar ogen legitieme Javaanse vorst waarbij steeds verdergaande concessies werden geëist die uitliepen op rechtstreekse verwerving van grondgebied. Geschiedkundigen zijn het niet eens over de rol die de VOC speelde bij het steeds verder uiteenvallen van het Javaanse rijk. M.C. Ricklefs beschouwt de VOC als een bedervende factor terwijl anderen als L.W. Nagtegaal en W.G.J. Remmelink, de oorzaak meer in de instabiliteit van de Javaanse machtsverhoudingen zochten.

Duidelijk is wel dat de VOC geen gerichte politiek voerde om te komen tot gebiedsuitbreiding. De VOC werd als het ware op Java naar binnen gezogen.

In 1755 werd als gevolg van een opvolgingsprobleem het Mataramse rijk in twee delen gesplitst: Surakarta (het huidige Solo) en Jogjakarta. Sindsdien heerste er op Midden-Java een betrekkelijke vrede. De VOC beheerste de gebieden aan de noordkust. De inkomsten daaruit wogen echter niet op tegen de kosten van de oorlogsuitgaven die er in de eerste helft van de 17e eeuw nodig waren om dit gebied te pacificeren. De machtspositie op Java t.o.v. de beide Javaanse rijken werd dan ook minder. Bij het uitbreken van de 4de Engelse Zeeoorlog moest zelfs een beroep op de Javaanse vorsten worden gedaan voor militaire ondersteuning.

De Javaanse economie herstelde zich sterk. Door de gebrekkige belastinginning kwam dit vooral ten goede aan de Javaanse boerenstand (sikep). De voedselproductie nam sterk toe evenals de bevolking. De rurale economie begon in snel tempo verder te monetariseren.

Door zowel het herstel van het gezag als het economisch herstel werden de Javaanse rijken in de eerste decennia van de 19e eeuw een geduchte tegenstander voor de Nederlanders.

In 1825 leidde de Javaanse prins Diponegoro een opstand waarbij hij op een gegeven moment nagenoeg geheel Java onder controle kreeg. De Nederlandse regering dacht er serieus over de archipel op te geven. Maar Diponegoro werd op tijd door verraad uitgeschakeld. In 1830 kwam hij in Magelang (Midden-java) onder bescherming van de witte vlag voor een gesprek met de Nederlandse opperbevelhebber op Java, generaaI De Kock. Deze nam tegen alle geldende regels in Diponegoro gevangen. Diponegoro werd berecht en verbannen. De opstand zakte in elkaar. In het Indonesië van nu wordt Diponegoro als nationale vrijheidsheld vereerd.

 Aardbeving 27 mei 2006

Op zaterdag 27 mei 2006 werd de regio Yogyakarta getroffen door een krachtige aardbeving met een kracht van 6,2 op de schaal van Richter. De regio Bantul, ten zuiden van de stad Yogyakarta, werd het zwaarst getroffen. Op 1 juni 2006 stond het dodental op meer dan 6.200.

 

 

Soerabaja

 

Soerabaja (Indonesisch: Surabaya of Surabaja, op het eiland Java) is de hoofdstad van Oost-Java (Jawa Timur) en de op één na grootste stad van Indonesië. De stad ligt aan de monding van de rivier de Mas aan de noordkust van het eiland, en is een belangrijke havenstad. Aan de noord- en westkant van de stad ligt de Javazee. Aan de oost-kant grenst Suoerabaja aan het district Gresik, aan de zuid-kant aan het district Sidoarja. De belangrijkste export-producten zijn tabak, suiker en koffie (zie Multatuli).
Soerabaja is in 1293 gesticht door Raden Wijaya. De naam Surabaya komt van de vis Sura en de krokodil Baya die in gevecht gewikkeld zouden zijn in de rivier de Kalimas. Op de plek waar dit gevecht is geweest, ligt nu de stad. In 1525 bekeerden de heersers van Soerabaja zich tot de islam, wat de start was voor een periode van macht. In 1625 werd Soerabaja door de Mataram-dynastie uit centraal Java veroverd. In 1743 nam de VOC Surabaya over. Soerabaja was een belangrijke stad voor de Nederlandse kolonisten, die via de VOC schepen af en aan naar Nederlands-Indië stuurden. In 1942 viel de stad in Japanse handen, totdat de geallieerden Soerabaja in 1944 bombardeerden. Drie jaar lang fungeerde Soerabaja als uitvalsbasis voor de Indonesische nationalisten, maar in 1947 heroverden de Nederlanders de stad. De onafhankelijkheidsverklaring van Indonesië werd in 1949 getekend, en de verwoeste stad Soerabaja werd na de overdracht van de soevereiniteit herbouwd. In 1995 vierde Soerabaja haar 700-jarig bestaan.
 
 

De stad heeft een grote diversiteit aan etnische groepen, naast een meerderheid van Javanen wonen er bijvoorbeeld veel Madurezen, etnische Chinezen en is er een Joodse gemeenschap. Het huidige inwoneraantal is 3.000.000, maar rondom de stad liggen verschillende andere steden, die samen met Soerabaja bezig zijn een agglomeratie te vormen, zoals Lamongan en Mojokerto. In Soerabaja zijn, dankzij de rijke zeevaarttraditie, ook veel marine-instituten aanwezig, waarvan de Naval Military Academy de grootste en bekendste is. De haven van Soerabaja is de één na grootste (na die van Jakarta) van Indonesië. Op dit moment wordt de langste brug van Indonesië gebouwd tussen Soerabaja en het eiland Madoera.

 

Soerabaja is geen bekende toeristische bestemming. Het vliegveld van Soerabaja, Juanda Airport, is te gebruiken als toeganspoort tot Java. O.a. vluchten van Singapore Airlines en Garuda Indonesia landen op dit vliegveld. Het vliegveld ligt ongeveer 15 km van het centrum van de stad. Veel toeristen gebruiken Soerabaja als aankomsthaven, om hierna snel verder te reizen. Toch zijn er enkele bezienswaardigheden in de stad te vinden:
  • Kalimas Traditional Harbour, de haven van Soerabaja
  • Soerabaja Zoo, de grootste dierentuin van Zuidoost-Azië
  • Soerabaja Al-Akbar Moskee, één van de grote moskeeën van Indonesië
  • Tunjungan Plaza, het grootste winkelcentrum van Oost-Java
Soerabaja heeft een aantal vooraanstaande universiteiten binnen haar stadsgrenzen:
  • Institut Teknologi Sepuluh November (ITS), een van de beste technische universiteiten van Indonesië.
  • Airlangga, die bekend staat als de beste medische universiteit van Indonesië.
  • Sunan Ampel, een universiteit waar de islam onderwerp van studie is.
  • Militaire Academie voor de Marine, militaire academie van de Indonesische marine.
  • Universitas Negeri Surabaya (UNESA), de staatsuniversiteit van Soerabaja, die bekend staat als de beste universiteit voor het opleiden van docenten.
Soerabaja heeft een aantal vooraanstaande universiteiten binnen haar stadsgrenzen:
  • Institut Teknologi Sepuluh November (ITS), een van de beste technische universiteiten van Indonesië.
  • Airlangga, die bekend staat als de beste medische universiteit van Indonesië.
  • Sunan Ampel, een universiteit waar de islam onderwerp van studie is.
  • Militaire Academie voor de Marine, militaire academie van de Indonesische marine.
  • Universitas Negeri Surabaya (UNESA), de staatsuniversiteit van Soerabaja, die bekend staat als de beste universiteit voor het opleiden van docenten.

Geboren in Soerabaja

 

 

 

 

 

 

Birma spoorlijn

Kanchanaburi is gesticht door Rama I, als verdedigingspost tegen de Birmezen. De ten noordwesten van de stad gelegen 'Drie Pagoden Pas' was namelijk een populaire invasie route. Tegenwoordig is de grenspas een vaak gebruikte smokkelroute tussen Thailand en Myanmar.

Birmaspoorlijn
In de tweede wereldoorlog werkten duizenden geallieerde krijgsgevangen aan de Birma-spoorlijn, de Japanse 'Dodenspoorlijn' langs de oude Birmeze invasieroute. De spoorlijn dankt haar naam aan de 16.000 krijgsgevangen en 90.000 Aziaten die tijdens de aanleg stierven aan ondervoeding, tropische ziekten en mishandeling. De 415 km lange Burma spoorlijn moest een aanvoerroute worden voor de Japanse verovering van Birma en verder, aangezien het te veel moeite kostte om met de boot om Singapore heen te varen. Een van de meest beruchte plekken langs de birmaspoorlijn was de 'Hellfire pass'. De Hellfire Pass is een 1200 meter lange en 5 meter brede passage door een berg die onder erbarmelijke omstandigheden door krijgsgevangenen en dwangarbeiders is uitgehakt tijdens de aanleg van de birmaspoorweg. Van de 1000 Australische en Britse krijgsgevangen waren nadat het werk aan de doorgang na drie maanden voltooid was nog slechts 300 man in leven. 's Nachts werd het werk verlicht door olie- en carbietlampen, vandaar de naam Hellfire pass. Bij de pas kun je ook het kleine memorial museum bezichtigen.

Bezienswaardigheden in en rond Kanchanaburi

Bridge on the river Kwai
Op drie km vanaf het centrum van Kanchanaburi ligt de beroemde en beruchte 'Bridge over the River Kwai'. Over de aanleg van de spoorbrug (september 1942 - februari 1943) en het tragische lot van de krijsgevangen die aan de brug werkten heeft Pierre Boulle het later verfilmde boek 'Bridge On the River Kwai' geschreven. De brug over de Kwai Yai (Khwae Yai), een zijrivier van de Mae Klong, wordt nog altijd gebruikt. Alleen de ronde delen van de 'Bridge on the River Kwai' zijn origineel, de rest is in 1945 gebombardeerd en opnieuw aangelegd. Hoewel de brug over de rivier de Kwai zelf niet echt bijzonder is, is het erbij gelegen spoorwegmuseum wel de moeite waard. Vanaf Kanchanaburi kun je ook een ritje met een boemeltreintje (enkel 3e klas) naar Ban Nam Tok maken, het huidige eindpunt van de beruchte Birma-spoorlijn. Onderweg passeer je natuurlijk de 'Bridge on the River Kwai'. De tocht over de Birma-spoorlijn duurt ongeveer 2 uur, en je zult echt niet de enige toerist zijn.

Geallieerde erebegraafplaatsen
Bij het treinstation in het noorden van Kanchanaburi en langs de Kwai Noi, een zijrivier van de Mae Klong (een paar km ten westen van de stad) liggen geallieerde erebegraafplaatsen. Op beide begraafplaatsen liggen ook veel Nederlandse soldaten begraven. Het 'Kachanaburi Allied War Cemetry' bij het station wordt het meest bezocht en best onderhouden. Je kunt naar beide erebegraafplaatsen lopen, alhoewel de wandeling naar het 'Chung Kai Allied War Cemetry' wel een lange (en mooie) is.

JEATH oorlogsmuseum
Dit museum is een replica van een primitief bamboe-bivak waarin destijds de krijgsgevangenen werden ondergebracht. JEATH staat voor de letters van de betrokken oorlogsvoerende landen Japan, Engeland, Australië, Thailand en Holland. In de lange bamboehutten worden foto's tekeningen, kaarten, wapens en andere memorabilia uit WO II bewaard. Dagelijks geopend van 8.30 tot 18.00 uur.

WW II museum
Dit nieuwe museum ligt iets ten zuiden van de Bridge over the River Kwai. Het heeft meer weg van een tempel dan van een museum. Het grootste gebouw heeft weinig met WO II van doen. Hier kun je boeddhabeelden, oude Thaise wapens en antiek en modern keramiek bezichtigen. In het kleinere gebouw wordt wel een verzameling WO II memorabilia getoond. Dagelijks geopend van 9.00 tot 18.00 uur.

Overnachten in Kanchanaburi

Let bij het uitzoeken van onderdak langs de Kwai rivier goed op waar de discoboten 's avonds varen. De meeste varen waar de Kwai Yai en de Kwai Noi bij elkaar komen. Deze boten produceren vooral in het weekend 's avonds een oorverdovend geluid waarbij het slecht slaap vatten is. De karaoke van de voornamelijk Thaise toeristen is overigens op elk volume niet om aan te horen.