Zo beschrijft de bekende Nederlandse trompettist Lex van Weren een van zijn herinneringen. Als jood gedeporteerd kwam hij in Auschwitz terecht. Een van de weinige manieren waarop je dat - welk een wrede ironie - kon overleven was: musiceren. Elke zondag werden er door het Auschwitz-orkest concerten gegeven. Muzikanten als Lex van Weren, Fania Fénelon, Herman Sachnowitz en vele anderen werden gedwongen de directe begeleiders van de rondedans van de dood te zijn.
Iedereen die hun getuigenissen leest komt fors voorstellingsvermogen tekort. Want muziek in Auschwitz - dat kán niet. Dat is een gruwelijke contradictio. Daar waar elk sprietje gras afwezig was, alles grijs en grauw, daar waar de geuren en klanken van de hel domineerden, daar waar de mens uiteindelijk werd beroofd van zijn menselijk gelaat, hoe kan dáár muziek tot klinken zijn gebracht, überhaupt gewild zijn? En toch is het gebeurd. SS-officieren luisterden beschaafd-verrukt naar Chopin en Bach. Het gebeurde in onze eeuw, die nu met veel ‘kabaal’ overgaat naar een volgende.
Het echte millenniumprobleem heeft zich, diep in de twintigste eeuw, al lang geleden voorgedaan, maar Europa is er tamelijk rustig onder gebleven. En dat terwijl er een bom zonder weerga is geplaatst onder de menselijke existentie en de ultieme zin daarvan. In Auschwitz werden, onder uitoefening van allerlei ‘technieken’, mensen tot ‘dingen’ gemaakt, hetgeen we met de ijskoude term Verdinglichung kunnen aanduiden. Tot in het kleinste detail vernederd werd men doelgericht beroofd van datgene wat de mens tot ‘mens’ maakt. Volgens de kampcommandant van Treblinka was dit nodig om -intellectueel en emotioneel- in staat te zijn op grote schaal te doden. Men werd niet als ‘Untermensch’ geboren, men werd zo gemaakt. Joden, mensen uit allerlei landen werden beroofd van hun menselijk gelaat, zoals de Schepper het als imago van Zichzelf bedoeld had. Maar niet alleen de tsèlèm (‘schaduw’, Gen.1,26) werd zwaar verminkt. Aan de keerzijde werd ook een aanslag op de Schepper gepleegd. Want waar was Zíjn gelaat nu? Niet meer ‘menselijk’, zoals Jesaja 53 het van de lijdende Knecht des Heren weergeeft? Of, zoals Elie Wiesel het uitdrukt als hij beschrijft hoe kinderen levend werden geofferd in de vuurkuilen van Auschwitz: ‘nooit zal ik die ogenblikken vergeten die mijn God en mijn ziel vermoordden en mijn dromen, die het aanzien van de woestijn kregen’? Auschwitz bracht alles over mens en God in verwarring. Die verwarring greep om zich heen, in de literatuur, de theologie, de filosofie, in de muziek en de kunst. Het zette de bijl aan de wortels van de Europese ‘christelijke’ cultuur. Want het volwassen geworden kwaad vond niet plaats in een of andere barbaarse uithoek: het was en ís midden onder ons in het beschaafde Avondland. Het woedde in de landen van Goethe en Schiller, Beethoven en Bach. Het woedt totdat de mens definitief is vertrokken uit Babylon.