Herinneringen van Lex van Weren
De naam van Lex van Weren roept herinneringen op aan de jaren
vijftig en zestig, toen Van Weren als dirigent van het populaire
City-theaterorkest furore maakte. Verder speelde Van Weren jarenlang
op zijn trompet voor de radio en de toen in opkomst zijnde televisie.
Bijna even bekend is Lex van Weren thans vanwege zijn rol van
tropettist in het vernietigingskamp Auschwitz. Na jarenlang zwijgen
heeft Dick Walda hem weten over te halen zijn ongelooflijke
geschiedenis te vertellen. Het boek dat hieruit is ontstaan werd een
aangrijpend document, dat in de geschiedschrijving van de Tweede
Wereldoorlog een eigen plaats inneemt. Van Weren is een van de
weinige joodse gedeporteerden die Auschwitz overleefden. Zijn
verhaal bewijst dat de werkelijkheid de verbeelding verre kan
overtreffen. In mei 1989 schonk de inmiddels overleden Lex van Weren
zijn trompet aan het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. |
| |
|
|
| Titel |
Trompettist in Auschwitz |
|
| Ondertitel |
Herinneringen van Lex van Weren |
| Auteur |
Dick Walda |
| Rubriek |
Tweede Wereldoorlog |
| Omvang |
112 Pagina's |
| Formaat |
12,5 x 20 cm |
| Uitvoering |
Paperback, geïllustreerd |
| Prijs |
€ 12,50 |
| ISBN |
90 6707 226 5 |
| Status |
Bijna uitverkocht |
Mediatheek Joods Museum Amsterdam
City Theater historie
Bioscopen in
Amsterdam vroeger
Opera in Tuschinski
Tuschinski (het Tuschinski Theater)
is een
bioscoop met zes zalen in de
Reguliersbreestraat in
Amsterdam. Het is een van de twaalf bioscopen in
Nederland van
Pathé.
Het theater werd in opdracht van
Abraham Icek Tuschinski gebouwd en werd op
28 oktober
1921 geopend. Het gebouw is een ontwerp van de architect
Hijman Louis de Jong. Het Tuschinski Theater werd
gebouwd in enkele verschillende stijlen, waaronder
Amsterdamse School,
Jugendstil en
Art Deco. De kosten voor de bouw bedroegen ongeveer vier
miljoen gulden.
De rijk gedecoreerde gevel in de opvallende, geheel eigen
bouwstijl — wellicht nog het best betiteld met "Art
Deco van Theater Tuschinski" — is geheel bekleed met
geglazuurde tegels en keramische sculpturen, her en der
verfraaid met
smeedijzeren decoraties en lampen. De
oosters aandoende
architectuur van de voorgevel had met zijn markante
torens een adverterende functie: het was bedoeld om het
publiek binnen te leiden in een
illusoire wereld, waar het weelderige interieur diende
als passende omgeving voor de aanstonds onder begeleiding
van filmorgel en theaterorkest getoonde filmbeelden en
variéténummers.
Niet alleen op bouwkundig en decoratief gebied werd het
theater heel bijzonder. Ook de elektrotechnische installatie
was zijn tijd vooruit en met het revolutionaire verwarmings-
en ventilatiesysteem werd op alle plekken in het theater de
temperatuur gelijk gehouden.
In de
Tweede Wereldoorlog kwam het gebouw in Duitse handen.
Het werd toen Tivoli genoemd.
In de periode
1998-2002
vond een ingrijpende restauratie plaats, eerst van het
exterieur, daarna van het interieur. Uitgangspunt van deze
ingrijpende en kostbare restauratie was het filmtheater
zoals dat ten tijde van Abraham Tuschinski ontstond.
Het oude gebouw heeft drie zalen:
- zaal 1 - grote zaal - 789 Stoelen
- zaal 2 - boven - 191 Stoelen
- zaal 3 - achterin - 130 Stoelen
In het nieuwbouwgedeelte zijn nog eens drie zalen: zalen
4, 5 en 6, waarvan één op de begane grond en twee boven. Dit
deel is bereikbaar via de oude lobby. Als het oude deel voor
genodigden wordt gereserveerd, en soms ook als het druk is,
is het nieuwe deel ook van de straat bereikbaar.
Voor de kaartverkoop zijn er geen
balies, alleen maar twee
loketten buiten. Als het druk is staat de
stoep vol, en staan de mensen zelfs op de
trambaan. Alleen als de ingang van het nieuwe gedeelte
open is is daar wel een verkoopbalie.
De
foyer is ingericht met comfortabele fauteuils en banken.
De verlichting is gedempt, met in de tijd variërende kleuren.
Het nieuwe gedeelte heeft een foyer met sobere stoelen maar
meer verlichting.
Veel mensen vinden de grote zaal een van de mooiste
bioscoopzalen van Amsterdam. Over het algemeen draaien er de
zogenaamde "kaskrakers".
Films die veel publiek trekken. In de kleinere zalen
draaien ook de gewone "middle of the road"-films. Als er een
film in première gaat in Nederland wordt vaak dit gebouw en
deze zaal daarvoor gebruikt. De prijs van een kaartje is
hier € 10, tegen € 9 in de andere zalen. Er zijn
loges en
loveseats, waarvoor speciale arrangementen met hogere
prijzen bestaan.
Reguliersbreestraat 26-28 Amsterdam
Tuschinski
bioscoop
Aan de Reguliersbreestraat 26 verrees tussen 1918 en 1921 het filmpaleis
Theater Tuschinski. Opdrachtgever was de legendarische Abram Icek
Tuschinski (1886-1942), een Poolse jood die in Nederland was beland op
de vlucht voor de pogroms. Zijn carrière begon in Rotterdam, met de
exploitatie van vier bioscopen en een hotel voor migranten op doortocht
naar Amerika.
In 1917 verhuisde hij met zijn zwagers Gerschtanowitz en Ehrlich naar
Amsterdam ter verwezenlijking van zijn droom: een filmpaleis. Als
locatie koos Tuschinski de zogeheten Duvelshoek, een lugubere
krottenwijk in de binnenstad die hij voor de gelegenheid opkocht en
sloopte. Hijman Louis de Jong maakte een ontwerp voor het filmpaleis.
Maar De Jong zou zijn onderneming niet voltooien: zijn samenwerking met
Tuschinski, die niet voor niets de ‘Napoleon van de Duvelshoek’ werd
genoemd, liep finaal op de klippen.
Tuschinski modelleerde het gebouw geheel naar eigen smaak en trok
decorateurs aan die ieder een eigen stempel op het gebouw zouden drukken.
Het resultaat was een potpourri aan stijlen: Amsterdamse school,
Jugendstil, art nouveau en art deco. Toenmalige architecten spraken
neerbuigend over ‘pruimentaartarchitectuur’ en ‘wuft filmpaleis’. Eind
jaren dertig kwam Tuschinski in financiële problemen en ging het
filmpaleis over in Duitse handen. Tuschinski en zijn zwagers zouden de
oorlog niet overleven; in de hal achter de bar hangt een plaquette ter
hunner nagedachtenis. Het onlangs gerestaureerde gebouw (2002) is een
van de populairste bioscopen van Amsterdam.
http://www.filmglorie.nl/
| |
 |
Herinneringen van een Tuschinski
operateur
In de 50er en 60er jaren was ik operateur bij het
tuschinski concern. Een van de vreemdste plaatsen voor
de cabine was die van het Alhambra theater in amsterdam.
Deze was namelijk tussen de keuken en de slaapkamer van
de bewoners die in een flat woonde boven het theater en
was alleen te bereiken via de gang die door deze woning
liep.
Ook was het verder iedere donderdag weer een hele toer
om het progamma in het Tuschinski theater rond te
krijgen.
Als 1e de journaals knippen in de juiste tijd en de
voorfilm monteren en de eindeloze hoeveelheid dia
reclame's te rangschikken en de hoofdfilm (meestal 5 of
6 acte's van ongeveer 25 minuten) met de hand
controleren op breuk.
Als 2e met de orkestleider de belichting door te nemen
om de solisten in het orkest een spot op het juiste
moment te geven enz.
Ten 3e het variété nummer te belichten met vaak veel
eisende artiesten. En vooral met de kerst als het orkest
op het toneel zat in plaats van in de orkestbak en er
complete shows werden gegeven.
Dit alles moest in 3 uur gebeuren. We begonnen om 10 uur
en om 1 uur startte de matinee.
Ook was wel leuk dat ik 16 jaar was toen ik als leerling
begon en zodoende wel alle films in de cabine kon
bekijken. Bij een film van boven de 18 jaar was de zaal
verboden terrein voor mij. Daar werd door de inspecteurs
van de film keuring streng op toegezien.
Een lamp in de zaal verwisselen was mij alleen
toegestaan buiten de openingstijden .
Maar het was een geweldige tijd, want we waren toen nog
echte tovenaars-leerlingen en vooral het mysterieuze
licht van de gelijkrichterlampen voor de koolspits
lampen maakten op de cabine bezoeker indruk.
Als laatste wil ik melden dat we vooral in de weekenden
vaak 20 ampere meer vermogen nodig hadden om door de
sigaretterook in de zaal heen tekomen. Het beeld stond
dan ook midden in de zaal. Dit laatste was er ook de
oorzaak van dat om 3 a 4 jaar het doek vernieuwd moest
worden. Het was dan licht zwart van de rook.
Waarschijnlijk ken je de verhalen wel maar ik vond het
leuk om het te vermelden.
MaxTak is een orkest van tien
instrumentalisten.Met haar wortels
in de traditie van de muzikaal geïllustreerde
film, heeft orkest MaxTak zich vernoemd naar de
grote dirigent van Filmtheater Tuschinski: Max
Tak. Tussen 1920 en 1940 componeerde,
arrangeerde en dirigeerde hij als leider van het
Tuschinski Theater-Orkest, veelzijdige
filmavonden met polygoonjournaals, live
entertainment en - natuurlijk - zwijgende films.
In de 21ste eeuw zet orkest MaxTak dit werk
voort, het oude vak te behouden, en het nieuwe
te onderzoeken.
Met nieuw werk van jonge en ervaren
hedendaagse componisten en filmmakers, als ook
met historisch film- en muziekmateriaal
realiseert MaxTak filmvoorstellingen op locatie,
in filmtheaters en in het theater.
Daarnaast heeft MaxTak zich gespecialiseerd
in kindervoorstellingen voor de hele familie.
In speciaal voor orkest en solist geschreven
voorstellingen wordt een ode gebracht aan de
muziek en de literatuur. Met de beste schrijvers
en componisten en met musici die getraind zijn
uit het hoofd te spelen en zich te integreren in
de voorstelling, zijn de voorstellingen een
feestje voor de kinderen en een ode aan het
muziektheater.
--------------------------------
MaxTak is a ten headed orchestra.
Drawn from the tradition of the
music-illustrated film, the MaxTak orchestra is
named after the great conductor of the
Filmtheater Tuschinski in Amsterdam: Max Tak. As
the director of the Tuschinski Theater-Orchestra
from 1920 till 1940, he composed, arranged and
conducted many-sided film evenings with Polygon
news journals, live-entertainment and - of
course - silent films.
In the 21st century, the MaxTak orchestra
continues this tradition in a unique combination
of music, film and theatre.
With new work of young contemporary composers
and film producers, and with historical films,
the MaxTak ensemble creates exciting performance
experiences on location, in cinemas and also in
theatre.
In addition, MaxTak developed a special kind
of music theatre. In family-performances a
tribute is paid to music and literature. With
musicians who are trained to play by heart and
to integrate themselves in the performance, it
has also become a tribute to music theatre.
--------------------------------
Max Tak est un orchestre composé de
dix instrumentistes.
Prenant ses racines dans la tradition du
cinéma illustré par la musique, l’Orchestre Max
Tak porte le nom du grand chef d’orchestre du
Théâtre Cinématographique Tuschinski : Max Tak.
En tant que dirigeant de l’Orchestre de Théâtre
de Tuschinski, il a composé, arrangé et dirigé
entre 1920 et 1940 des soirées de cinéma très
variées, comportant des programmes d’actualités
(“journal polygone”), des spectacles de
music-hall avec des musiciens, et, naturellement,
des films muets, accompagnés par son orchestre.
Au XXIª siècle, l’Orchestre Max Tak poursuit
ce travail, en conservant le côté traditionnel
du métier et en étudiant ses aspects nouveaux.
C’est en se servant de nouvelles oeuvres de
compositeurs et de cinéastes contemporains,
jeunes aussi bien qu’experts, sans néanmoins
oublier les oeuvres musicales et
cinématographiques plus anciennes, que
l’Orchestre Max Tak réalise des spectacles de
cinéma en extérieur, dans les salles de cinéma
ainsi que dans le théâtre.
En plus, l’Orchestre Max Tak s’est spécialisé
dans les spectacles de famille.
Ce sont des spectacles pour enfants,
spécialement conçus pour l’orchestre et pour le
soliste, dans lesquels on rend hommage à la
musique et à la littérature. En s’appuyant sur
les meilleurs écrivains et compositeurs, et sur
des musiciens qui ont été formés à jouer par
coeur et à s’intégrer dans le spectacle, ces
spectacles représentent une vraie fête pour les
enfants, et un hommage au théâtre musical.
|
|
|
Het tij is niet te keren
Het moet
voor de bezwaarden een hele schok zijn geweest, dat vier weken na deze
briefwisseling diverse kranten in grote koppen meldden "Bernard Drukker
speelt de tongen los met blue skies; Bernard Drukker speelt lichte
wijsjes op Munttoren-carillon en Bernard Drukker laat de Munttoren swingen."
3 Per 1 april was Drukker (1910-1992) benoemd als beiaardier van
de Munt.4 Nadat hij afgestudeerd was als arts studeerde hij piano
en orgel aan de conservatoria te Amsterdam, Den Haag en Wenen. Hij werd
vooral populair als bespeler van bioscoop- en theaterorgels.
Hoe kwam hij in aanraking met de beiaard? In het Haarlems Dagblad
vertelt hij: "Een jaar geleden wist ik nog niets van carillons. In de
bioscoop werd ik echter aangeklampt door een man, die een broodjeswinkel op
de Zeedijk exploiteert. Hij vertelde mij, dat hij een heel klein carillon
had gekocht als attractie voor zijn zaak en hij vroeg me het instrument eens
te komen bespelen. Ik heb dat toen gedaan en werd meteen verliefd op die
klokjesmuziek. Een week later zat ik al in de toren van de Oude kerk om de
beiaardier aan het werk te zien. Ik leerde de mensen van de
Klokkenspelvereniging kennen en een poosje later liet ik me als leerling
inschrijven van de Beiaardschool in Amersfoort. Af en toe mocht ik oefenen
in de Oude Kerk en dat wekte de belangstelling van de gemeentelijke
autoriteiten. Toen ik werd gevraagd voor de Munttoren, heb ik de benoeming
onmiddellijk aanvaard."
Het was inderdaad de bedoeling, dat Drukker een ander repertoire zou spelen
dan gebruikelijk was. De heer J. Prent, hoofd van de afdeling Publieke
Werken en als zodanig verantwoordelijk voor de Amsterdamse beiaarden,
verwoordde het aldus: "Tja, nu kun je je wel op een voetstuk plaatsen, maar
waar gaat het om. Het gaat om de muziek. En laten we wel wezen: de torens
staan er voor het publiek... Met alle waardering voor de beiaardiers is er
toch te veel afstand tussen hen en het publiek gekomen. De muziek die zij
doorgaans brengen, lééft niet. Ze geven prima concerten, werkelijk waar,
maar het publiek reageert er niet op." Romke de Waard stond bij deze woorden
instemmend te knikken. "Het carillon", zei hij, "is een democratisch
muziekinstrument. Het speelt voor alle lagen van de bevolking, voor arm en
rijk. Het kan door iedereen gewaardeerd en begrepen worden. We kunnen er dus
het hele volk mee hebben, maar dan moeten de programma's ook gevarieerd zijn.
Daarvoor hebben we nu Bernard Drukker."
Dat
Amsterdam een bewuste cultuurpolitiek voerde, blijkt uit het feit dat het
college van B&W tegelijkertijd met Drukker "de jonge Vlaardingse beiaardier
Hein de Ligt uit Vlaardingen heeft benoemd als vaste bespeler van het pas
gerestaureerde vier octaafs carillon van de Westertoren." "De Wester is ons
concertinstrument.", zei de heer Prent trots, "Daar zal voortaan serieuze
muziek op worden gespeeld. Zodra een toren aan een kerk is gekoppeld, is dat
bepalend voor de muziek." En inderdaad, De Ligt begon zijn eerste officiële
concert op het carillon van de Westerkerk met een stuk van Wouter Paap.
Dat, met de tijden, ook wij veranderen, is misschien een gemeenplaats. Maar
toch: enkele jaren geleden organiseerde de Nederlandse Beiaardschool een
studiedag 'Lichte muziek'. En de enige nog praktiserende beiaardier van de
ondertekenaars van de boze brief uit 1960 heeft al jaren geleden een bundel
uitgegeven met muziek uit Anatevka, van de Beatles en van Kurt Weil!
|
Lex van Weren
1920- 1996,
Den Haag) was een Nederlands
trompettist. De naam Lex van Weren roept herinneringen
op aan de jaren vijftig en zestig, toen van Weren als
dirigent van het populaire
City-theaterorkest furore maakte. Voordat de hoofdfilm
begon, traden artiesten op die door het orkest 'in de bak'
werden begeleid. Verder speelde van Weren jarenlang op zijn
trompet voor radio en de toen in opkomst zijnde televisie.
Grote populariteit verwierf hij met het belangeloos optreden
voor charitatieve doeleinden, waarbij de
Nacht van de Witte Bedjes vermeld dient te worden.
Wegens zijn grote verdiensten voor de Nederlandse lichte
muziek was hij een van de eersten die van de
stichting Conamus een
Gouden Harp ontvingen.
Lex van Weren kwam uit den Haag maar groeide op in
Amsterdam. Hij was voor de oorlog, in 1935, op
veertienjarige leeftijd begonnen in het orkest van
Bernard Drukker. Hij was audididact. Op achttienjarige
leeftijd kwam hij in dienst bij Heck op het
Rembrandtplein bij
John van Brück. Hij was toen al verloofd met zijn latere
vrouw Tilly, waar hij na de oorlog mee trouwde.
Van
1967 tot
1969 was van Weren bedrijfsleider van het
Rembrandttheater.
Bijna even bekend als musicus is Lex van Weren thans
vanwege zijn rol van trompettist in het vernietigingskamp
Auschwitz. Na jarenlang zwijgen haalde
Dick Walda hem in
1980 over om zijn ongeloofelijke geschiedenis, als
gevangene nummer 163848, te vertellen. In mei
1989 schonk Lex van Weren zijn vanuit
Auschwitz meegebrachte
kornet aan het
Herinneringscentrum Kamp Westerbork.
Voordat van Weren via Westerbork naar het 'Oosten' wordt
afgevoerd, wordt hij in de Hollandse Schouwburg door de
Joodse raad aangesteld om de kinderen van de opgeroepenen
aldaar te vermaken. Met Jo Spier maakt hij wandelingetjes
met de kinderen en die uit de naastgelegen crèche. Tijdens
die wandelingetjes 'verdwijnen' altijd een paar kinderen.
Een truuk van zijn 'baas'
Walter Süskind.
--- De ouders van Lex van Weren, t.w. Sal van Weren,
koopman, en Rosetta van Weren-Waterman, huisvrouw en zijn
broer Louis, vertegenwoordiger te Rotterdam, kwamen niet
terug uit de shoah. Zij werden op 22 oktober 1943 resp. 21
januari 1944 in Auschwitz vergast.
--- Na zijn pensionering speelde Lex van Weren kleine
rollen en trad hij op als 'edelfigurant' in diverse films.
Zo was hij in
1991 te zien als de vader van de in politiedetente
gestorven kraker
Hans Kok in het docudrama van
Barbara den Uyl 'In Naam der Wet' (Van der Hoop Films,
Amsterdam).
- Dick Walda (1980-89) Trompettist in Auschwitz
De Bataafse Leeuw)
De trompet van Lex van Weren, flash voor kinderen,
Herinneringscentrum Westerbork.
| |
|
2. Bernard Drukker - It's in the air (kant 1)
"Stadsbeiaardier Bernard Drukker op het carillon van de Munttoren in
Amsterdam en het stads theaterorkest onder leiding van Lex van Weren"
Hier botsen twee totaal verschillende muzikale werelden. Ik moest
zelf éven wennen ...
Blue Skies
Pennies from Heaven
O sole mio
By the light of the silvery moon
Moonlight and roses
3. Bernhard
Drukker - It's in the air (kant 2)
Au clair de la lune
My blue heaven
Blue moon
Sail along silv'ry moon
Over the rainbow
It is only a paper moon
(klik op de hoes voor meer details.)
"Au clair de la lune" is m.i. geniaal! |
|
4. Bernard Drukker - La Comparsa
Sommige dingen moet je voor zichzelf laten spreken. Echter, Bernard
Drukker (1910 - ?) is een belangrijke figuur geweest voor het
onderwijs op het electronisch orgel. Hij introduceerde het
instrument als hoofdvak op het conservatorium. Hij maakte al zijn
arrangementen zelf en deze versie van La Comparsa (E. Lecuona) heeft
hij opgenomen in 1968 op het radio-concert van de Nederlandse Radio-Unie
(voorloper van de NOS). Dit in de V.S door de firma Möller Organ
Compagny gebouwde "transportabele" orgel was destijds qua omvang en
mogelijkheden één van de grootsten ter wereld en stond in de
Tesselschade kerk in Hilversum. Drukker laat hier veel van de
klankmogelijkheden horen. |
1942: Joden mochten geen telefoons meer hebben of gebruiken.
Aan de Rochussenstraat woonde echter - en woont nog - een Ariër die zijn
Joodse kennissen gelegenheid gaf om van zijn telefoon gebruik te maken.
Ook dat mocht niet. Hij werd verraden en de S.D. deed een inval. In de
gang stond een kistje wijnflessen, geadresseerd aan de bovenbuurman
A.Tuschinski en afgezonden door het gelijknamige theater te Amsterdam,
dat kort tevoren door een zeldzaam-geraffineerde manoeuvre in handen van
de Tobis gespeeld was.
De Ariër overtrad dus niet alleen het telefoon-verbod maar trad
bovendien op als bewaarder van Joodse goederen. Hij werd gearresteerd
doch kwam er met betrekkelijk weinig maanden brommen af.
Erger waren de bovenburen er aan toe. Er was juist een nieuw voorschrift
uitgevaardigd waarbij bepaald werd dat wanneer een Jood iets misdeed
tegen de wetten van het nieuwe gezag, zowel de schuldige als diens
gehele familie op transport gesteld zouden worden. Eén familielid was
gemengd gehuwd, een zat ingesloten in een Vreemdelingenkamp in het
gastvrije Zwitserland en een was gedoken.
De rest, met aangetrouwde zijtakken en al, werd volkomen uitgeroeid.

Zo eindigde het leven van Abraham Tuschinski, de man die alle
raadgevingen om naar Amerika te ontkomen in de wind geslagen had,
zeggende: "Ik ben ln DIT land groot geworden en ik wil geen deserteer
zijn!" Neen, zetter, hij zei niet, "deserteur" maar "deserteer", want
hoewel deze Pool soms opmerkelijke redevoeringen in onze taal hield,
raakte hij zijn accent nooit geheel kwijt. Zo is hij ook altijd blijven
spreken over films die gekeerd (inplaats van gekeurd) moesten worden,
wat zijn concurrenten aanleiding gaf om op te merken "Je kan wel horen
dat hij kleermaker geweest is!"
Hij was namelijk geboren in een klein boerendorpje onder de rook van
Lodz en in die stad had hij het kleermakersvak geleerd. Maar de positie
van de telkens weer door pogroms opgeschrikte Joden in het voormalig
Keizerlijk Rusland was niet bijster aanlokkelijk en de grote trek naar
humaner landen was in volle gang.
Tuschinski was een uitmuntend vestenmaker die overal in de wereld zijn
brood zou kunnen verdienen, dus trok hij naar Rotterdam, de stad van
waaruit de meeste Oost-Europeese emigranten passage namen voor de Nieuwe
Wereld. Hier kreeg hij een goede betrekking, maar hij was te
ondernemingslustig om zijn leven lang met gekruiste benen op een
confectie-werkplaats te zitten.
Er was in onze stad gebrek aan plaatsruimte voor de steeds-dichter-wordende
stroom van landverhuizers en in een paar uitgebroken woonhuizen aan de
Nadorststraat richtte hij een goedkoop hotel voor deze passanten in. Dat
bracht wat geld in het laatje en hij kon uitzien riaar objecten waarbij
hij zijn vleugels wijder uit zou kunnen slaan.
De Bioscope was in opkomst en overal, in verlopen zaaltjes en
leegstaande pakhuizen, werden hals over kop theatertjes ingericht. De
flim was nog min of meer een kermis-kijkspul en het publiek bestond
hoofdzakelijk uit opgeschoten jongens en meisjes.
Alleen de Tivoli-Wintertuin van Goeman en Bongers aan de Coolsingel,
waar de producten van de Cinéma Pathé vertoond werden, trok wat
behoorlijk publiek. Schuin daartegenover, aan de Coolvest, die de
uiterste périphérie vormde van de Zandstraatnachtbuurt, stond een
verlaten Zeemanskerk.
Zoiets was het wat Tuschinski zocht. Hij huurde het pand en liet het,
voor de begrippen van dié tijd, keurig inrichten, al had deze inrichting
nog niets te maken met de weelde-uitspattingen die later zozeer identiek
werden aan het begrip Tuschinski.

Snel begon zijn gelukster te rijzen. Het prutsbioscoopje liep boven alle
verwachtingen en in betrekkelijk weinige jaren had hij een
burgermansvermogen tezamen kunnen melken. Hier en daar zetelden al wat
filmverhuurders die de celluloid-producten kant en klaar af kwamen
leveren - in Rotterdam bijvoorbeeld de curieuze pionier A. de Reyffelaer,
een Waal die de bijnaam droeg van "de knakworst", omdat bij hem thuis
altijd gehele rissen kleine worstjes te drogen hingen -, de filmhuren
waren belachelijk laag en de weinige cinema's die onze stad rijk was
konden het bezoek ternauwernood verwerken.
Maar nu deed zich het wonderlijke voor dat in het buitenland machten aan
het werk waren die van het kermis-fenomeen "film" iets artistieks
begonnen te maken, die grote toneelspelers wisten te bewerken om hun
vooroordeel tegen deze "kunst in blik" op te geven en die auteurs van
klasse bereid vonden uitvoeriger en interessanter scenario's te
schrijven dan die waarmee men zich de eerste tien jaren tevreden had
gesteld.
De producten die aldus tot stand kwamen richtten zich tot een groter en
ander publiek dan tot de petjesgasten die tot nu toe a raison van 15 of
20 cent (hier en daar zelfs met een glas bier toe!) de eerste Kino's
bevolkt hadden. Aan Tuschinski komt de eer toe de eerste te zijn geweest
die de bioscope-exploitatie op het snel-stijgend niveau van de film-fabricatie
gebracht heeft. Hij begreep dat een verwender publiek zich moeilijk
blijvend naar de primitieve établissementen uit de oertijd van de
Bioscopie zou laten lokken.
Geheel juist is de theorie die hier ontvouwd wordt niet, want bij een
man als Tuschinski heeft de prachtlievendheid natuurlijk altijd in het
bloed gezeten, een verschijnsel waaraan zijn ras en zijn Poolse landaard
wel niet vreemd geweest zullen zijn. Hij was een dromer en een
bouwfantast met een zeldzame feeling voor het scheppen van theater-atmosfeer,
die het zeer zeker niet nodig had uitsluitend op commerciële gronden dié
ontzaglijke sommen aan zijn scheppingen te besteden welke hij er in
verdisconteerde.
Als concrete verschijnselen deden zich dus voor: een beter filmproduct
en de enorm groeiende belangstelling van een pretentieuzer publiek.

Nu kwam voor Tuschinski de beslissende wending in zijn leven. Hij bouwde
de eerste waardige filmtempel in de gehele wereld: de Thalia-Bioscope
aan de Hoogstraat te Rotterdam en leefde zich daarbij uit met een
bezeten fanatisme. Architecten van reputatie, geroutineerde aannemers,
bronsgieters, glasbranders, meubeltekenaars, ontwerpers van
lichtornamenten, tapijtknopers, drie decorateurs, waarvan twee met
gevestigd renommé en de derde een talentvolle jongere die zijn kans
kreeg en veelbelovend benutte, al deze specialisten werden door hem in
een bepaalde richting gedrongen en bouwden tezamen een sprookjespaleis
waarin elke Russische Grootvorst zich thuisgevoeld zou hebben.
Zijn eerste Don-Quichotterie was: in een theaterzaal zijn alle pilaren
uit de boze die op welke wijze dan ook een vrij uitzicht op het gebodene
belemmeren. Wanneer ervaren bouw-technici hem voorrekenden dat zulks om
die-en-die reden niet mogelijk was, legde deze volkomen autodidact hen
uit dat, wanneer ze zus of zo deden, deze bezwaren moesten vervallen en
dan bleek tot hun aller verbazing dat hij in de regel nog gelijk had ook!
Een tweede levens-hobby was: iedere bezoeker moest goed en gemakkelijk
zitten. Elke stoel werd dan ook persoonlijk door hem op comfort getoetst.
Bij deze dagenlange proefnemingen was het resultaat wel eens averechts
aan de bedoeling, want hij vergat graag dat hij klein van stuk was en
dat een zetel waarin hijzelf makkelijk zat voor lieden met langere
staken een folterwerktuig moest zijn. Ik weet tenminste wel dat ik
persoonlijk altijd zó ben gaan zitten als ik zijn theaters bezocht, dat
ik geen andere stoel vóór me had staan!
Dan liet hij de hinderlijke en onredelijke verschillen wegvallen welke
in vrijwel alle theaters bestonden tussen de aankleding van de dure en
de populairdere rangen. Er zijn vanzelfsprekend in iedere zaal plaatsen
van waaraf men een beter gezicht op het gebodene heeft dan vanuit andere
hoeken. Het is dus verantwoord wanneer deze betere plaatsen duurder
verkocht worden dan de minder-gunstige. Maar hij achtte het absoluut
niet nodig dat de man met het duurdere entrée-biljet over kostbare hand-geknoop-te
tapijten naar zijn zetel geleid werd terwijl de bezoeker met wat
schralere beurs door kale gangen naar zijn bank werd gebracht.
Dat elders het loge-publiek laten we zeggen "even zijn handen ging
wassen" achter deuren waarop "Dames" of "Heren" stond terwijl de lieden
uit het parket zulks moesten doen daar waar de indicaties "Vrouwen" of "Mannen"
luidden, vond hij een rechtstreekse belediging van zijn bezoekers. En
dat ook deze gelegenheden van een ongekend-luxueuse inrichting waren lag
geheel in de lijn van deze volmaakte gastheer.
Was de bouw en de opening van het Thalia-Theater reeds een gebeurtenis
van de allereerste rang in de internationale bioscope-geschiedenis, deze
werd volkomen overtroffen door de schepping van het Amsterdamse
Tuschinski-Theater, een gebouw dat een kleine 5 millioen guldens
(guldens van 1922 welteverstaan!) gekost heeft, en dat nu, ruim een
kwarteeuw later nog altijd het mooiste theater van Nederland en één der
mooiste en weelderigste van geheel Europa is.
Het moge dan voor puriteinse en puristische beoordeelaars wat barok en
wat on-Hollands zijn, het nuchtere feit blijft bestaan dat het een
theater is dat volkomen het gevoel geeft van "uit" te zijn.
Maar laten we ons in het beperkte bestek dat dit boek ons toestaat
bepalen tot de Tuschinski die wij, Rotterdammers, gekend hebben.

De man naast Tuschinski
heette Gerschtanowitz
Een jonge generatie die minder show en meer "film" vroeg, stak de kop
op. Film in de meest-artistieke betekenis van het woord. Een felle
strijd ontstond, eerst met een groep avant-gardistische Journalisten die
de Nieuwe Rotterdamse Courant als vesting gekozen hadden, later met
andere fanatici die hechte voorposten en penetraties bij dag- en
weekbladen bezet hadden.
Tuschinski bleek echter een ruiterlijk tegenstander. Hij had een grote
misgreep gedaan met de bouw van zijn Cabaret "La Gaité" op de eerste
verdieping van het Grand Theater. Middenin een stad van handelslieden,
kantoorbedienden en havenarbeiders, stuk voor stuk hoogst
achtenswaardige leden van de maatschappij, maar zeker geen jagers naar
verfijnd-toegespitste levenskunst, bouwde hij een Bonbonnière die aan de
Champs-Elysées thuis hoorde. Waar hij een omlijsting geschapen had voor
smokings uit Sackville Street en toiletten van Poiret mengden
confectie-pakken zich met jurkjes van firma's "die tóch voordeliger"
waren. Het publiek voelde zich niet thuis in deze gelegenheid en de
gelegenheid wanhoopte aan haar publiek.
Tuschinski gooide de tent dicht, vereenvoudigde de inrichting tot op het
(inmiddels mode geworden) radicale af en sloeg de jonge film-avantgarde
de voornaamste troef uit handen door in zijn aldus verbouwde "Gaité""
een theater voor niet-commerciele filmproducten in te richten. Bovendien
werden de benedenruimten afgestaan voor exposities van jonge beeldende
kunstenaars die elders, bij de voorzichtige Kunsthandel of bij de
bestaande super-conservatieve Kunstgenootschappen niet aan bod kwamen.
Eén van de mensen die aldus voor het eerst met een belangrijke eigen
tentoonstelling aan de Rotterdammers getoond werden was Hendrik Chabot.
De keuze had minder kunnen zijn... Natuurlijk, al was hij een geboren
dictator, leidde hij al deze ondernemingen niet alleen. Enorme steun had
hij van zijn beide zwagers Herman Ehrlich die het artistieke en Herman
Gerschtanowitz die bij deze drie-eenheid het nuchter-zakelijke element
vertegenwoordigde.
Maar de grote stuwer was hijzelf. Hij had, onder al zijn beminnelijkheid,
- vooral tegenover vrouwen kon hij van een achttiende eeuwse zwier en
hoofsheid blijk geven - dat dwingende waarmede bepaalde lieden alles en
iedereen om zich heen naar hun wil kneden. Daarbij kon hij van een
ontroerende naïeviteit zijn. Toen zijn verafgoode zoon Will gestorven
was, opende hij in mijn bijzijn de enorme boekenkasten die deze
intelligente, te weinig begrepen, jonge filmproducent had nagelaten en
stamelde met dikke tranen in zijn ogen: "Al die boeken wist mijn jongen
uit zijn hoofd. Als ie (waarmee hij "U" bedoelde) alleen maar eens denkt
aan al de letters die hij daarvoor gevreten moet hebben is hij al een
genie!!!"
Er was een periode waarin de pers opstandig werd tegen de
belachelijk-op-geschroefde superlatieven waarmee hij zijn films
aankondigde. In die jaren had hij vaak de gewoonte, wanneer ik van de
prins geen kwaad wetend het Tuschinski-theater in Amsterdam
binnenwandelde, mij plotseling mee te slepen naar het toneel, terwijl
hij mij onderweg bijbracht welke enorm-ge-weldige en kostbare film de
volgende week alweer vertoond zou worden. Onvoorbereid werd ik dan
tussen het gordijn doorgeschoven teneinde mijn reclame-speech in een
genietbare vorm op het publiek van het uitverkochte theater los te laten.
Ik maakte dan wel eens misbruik van het woordje "buitengewoon", wat bij
alle kolossaalheid die ik a l'improviste beloven moest toch niet zó erg
was? Maar hatelijk zeiden de persmuskieten in de beroemde Vrijdagmiddag-loge
dan tegen hem: "Bram, is het weer buitengewoon wat we krijgen?"
En zo geschiedde het dat hij op een dag als een bezetene op me
losgestormd kwam - ik had nota bene con amore staan te oreren - en me
toebeet: "Ie maakt main kapot bij de zjoernalitsten! Ie moet niet altijd
schpreken van "buitengewoun"! Ie moet gewóun zeggen: deze film is het
groutschte van het groutschte!!!"
De branding om Tuschinski is vaak hoog gegaan. Op ieder denkbaar
menselijk en zakelijk gebied. Hij vond vaak felle tegenstanders
tegenover zich. Maar ik heb nog nooit iemand ontmoet die hem haatte of
die ondanks al zijn fouten en eigenaardigheden geen diep respect voor
hem had. Hij was één van de vijf mensen van zijn tijd die wisten wat
theater was. Maar die waren alle vijf even grote verkwisters als hij.
Want als de droom een levende substantie in ons gaat worden.. .tja, dan
is er niet meer tegen te vechten-
Tja, zoo schreven ze dat dus in 1951 en nu in
2002 vind je dit op het internet over het leven van
Tuschinski :
bron
Tuschinski: Bejaarde bonbonniere
Een 'pruimentaart' vond men het gebouw. Ook op de programmering had
men het nodige aan te merken. De start van Theater Tuschinski was
weinig glorieus. En de viering van de vijfenzeventigste verjaardag
heeft ook al de klank van een natte vuurpijl.
PAS EIND DEZE maand, om precies te zijn op maandag 28 oktober, is
het driekwart eeuw geleden dat in Amsterdam Theater Tuschinski
geopend werd. Maar al maanden lang verschijnen her en der
jubileumstukken over de bijna 75-jarige bioscoop. Die nostalgische
bedrijfsprofielen leunen zwaar op de feestbrochure 75 jaar
Tuschinski, uitgegeven door de huidige eigenaar van Tuschinski,
Pathé Cinemas. En dat boekje is weer grotendeels gebaseerd op de
memoires van Abram Icek Tuschinski (1886-1942) zoals hij die in de
jaren twintig in het huisorgaan Tuschinski Nieuws met hulp van
redacteur/musicus Max Tak publiceerde. Het aardigste artikel over
Theater Tuschinski was tegelijkertijd het kortste: op 2 mei
jongstleden werd ingenieur H. L. van Dijk uit Ulvenhout, kleinzoon
van de architect van Theater Tuschinski, in de Volkskrant op de
Forumpagina aan het woord gelaten. Van Dijk ergert zich aan het feit
dat A. I. Tuschinski in de media steevast als schepper van het
gelijknamige theater wordt beschouwd en niet zijn grootvader, wijlen
Hijman Louis de Jong.
De Jongs vakgenoten waren destijds overigens niet unaniem
enthousiast over Theater Tuschinski. Ze deden het minzaam af als een
voorbeeld van 'pruimentaartarchitectuur', een 'wuft filmpaleis' dat
verrees op de plek van de Duvelshoek, een morose krottenwijk tussen
de Vijzelstraat en het Rembrandtplein. Ook de overdadige decoraties
van Jaap Giddings, Peter den Besten en Chris Bartels lieten zich
niet gemakkelijk indelen: de al gauw Tuschinski-stijl genoemde
aankleding zou bestaan uit een ratjetoe van Aziatische elementen,
vermengd met voorbeelden uit de Amsterdamse School, Jugendstil, art
nouveau en art déco.
Ing. Van Dijk roert in zijn ingezonden brief nog een overgevoelige
kwestie aan: de betreurde Abram Tuschinski (in het Pools geschreven
als Tuszynski) moet een 'moeilijke opdrachtgever' zijn geweest. Ook
dat zou kunnen kloppen, want gezellige meegaande types brengen over
het algemeen weinig opzienbarends tot stand. De ex-kleermaker, ex-pensionhouder
en latere Tuschinski-directeur was weliswaar een gevoelig man en een
sociaal bewogen patroon (de Rotterdamse operateur Hannes Visser
kreeg eens spontaan een kostuum plus een hoed van hem cadeau), maar
hij moet tegelijkertijd een temperamentvolle megalomaan zijn geweest.
Zijn bijnaam luidde niet voor niets 'Napoleon van de Duvelshoek'.
Toen begin juli dit jaar iets van deze strekking in Het Parool te
lezen was, regende het brieven en telefoontjes met een hoog 'van de
doden niets dan goeds'-gehalte. De lampjes in Theater Tuschinski
waren immers zo mooi, werklozen kregen korting op de toegangsprijs,
meneer Tuschinski stond nota bene altijd pal achter zijn ouvreuses,
portiers, toneelknechten; een werkster met een ziek kind kon op zijn
financiële steun rekenen; een chauffeur met een versleten
overhemdsboord kreeg van hem een nieuw shirt of minstens een hemd
met een gekeerd boord. Waar kom je tegenwoordig zoveel
barmhartigheid tegen?
DAT ALLES neemt niet weg dat de sentimentele Tuschinski zich meer
artiest en levenskunstenaar voelde dan zakenman. Nota's betreffende
voor hem uitgevoerde werkzaamheden werden niet altijd even vlot
betaald. Men mocht blij zijn in 'Het Huis' te hebben mogen werken.
Bovendien was Tuschinski al snel van mening dat een opdracht niet
was uitgevoerd zoals hem voor ogen had gestaan. Hij liet
bijvoorbeeld rustig een muurtje wegbreken om vervolgens te besluiten
dat het toch maar weer moest worden opgetrokken. En omdat het er
dientengevolge uitzag alsof er niets was gebeurd, was hij ook
serieus van mening dat er niet betaald hoefde te worden.
Aan de andere kant getuigen ex-personeelsleden tot op vandaag de dag
dat meneer Tuschinski een prima patroon was die een goed weekloon
betaalde en een eerlijk promotiebeleid voerde. Johan Stans werd voor
negentig gulden per week door Tuschinski aangesteld als zaalchef.
Chefoperateur Henri Lünow kreeg 85 gulden, meubelmaker Gerrit Vonk
zeventig gulden, en portiers als Willem Schlebaum, Gerard Mosman en
Roel de Jong vingen een basisloon van vijftien piek per week. En dat
eind jaren twintig, begin jaren dertig.

de portier , die al in
1921 in dienst was
AAN DE bouwvakkers, decorateurs, elektriciens, schrijnwerkers en
stoffeerders die bij de bouw van Theater Tuschinski betrokken waren,
stelde 'bouwheer' Tuschinski echter steeds vaker onmogelijke eisen
naarmate de openingsdatum naderde. Bij deze arbeiders, die twaalf
uur per dag, de weekeinden meegerekend, aan Theater Tuschinski
ploeterden en van hun respectievelijke bazen een schamel traktement
ontvingen, was hij op den duur dan ook minder geliefd. Aan 'werkoverleg'
deed hij niet, met uitvoerder ir. Klapwijk en architect De Jong lag
Abram Tuschinski om de haverklap overhoop. Deze twee verweten hun
opdrachtgever waarschijnlijk niet helemaal onterechte vergaande
eigenwijsheid. 'Als je het dan zo goed weet, ga je gang', werd
uiteindelijk hun repliek.

De decoratie uit de
wandelgang op de begane grond van het theater
Het Vlindermeisje

In de gang van het eerste
balkon
De Paradijsvogel
 
De Hal
en de beroemde Haldeur met een geknoopt tapijt
Omdat decoratieve luxe de atechnische Abram Tuschinski meer aansprak
dan zuiver bouwkundige beslommeringen, kon het gebeuren dat hij bij
de architectonische 'invulling' van het pand de in een cinema niet
onbelangrijke filmcabine over het hoofd zag. Vandaar dat pas een
paar dagen voor de opening twee Duitse Ernemann-projectoren werden
opgesteld, achter het projectiedoek, in een schakelkamer vol
zekeringen, generatoren en volt- en ampèremeters.
Tuschinski begon dus noodgedwongen met het in die jaren al als
gemankeerd ervaren achterprojectiesysteem: de openingsfilm Over the
Hill met Mary Carr moest met vooraf 'omgeplakte' tussentitels 'spiegelbeeldig'
in de toestellen worden gezet om, bekeken vanuit de zaal en vanaf de
twee balkons, een normaal beeld te tonen. Vervolgens ontdekte men
dat de bezoekers op het eerste balkon verblind werden doordat ze op
die manier recht in de objectieven van de projectoren tuurden.
De sproeiers die tijdens deze achterprojectie-improvisatie boven het
doek waren aangebracht om het scherm tijdens de voorstelling nat en
dus transparant te kunnen houden, zitten er volgens de huidige chef
Technische Dienst van Pathé, Ronald Rosbeek, nog steeds. Aan de
achterprojectie zelf kwam echter snel een einde: in januari 1922
werd de timmerwerkplaats op de bovenste verdieping, die aan de
achterzijde van de zaal boven het tweede balkon lag, ingericht als
filmcabine. Een nooit herstelde noodoplossing, zodat in Tuschinski
ook nu nog vanaf extreme hoogte wordt geprojecteerd op een manier
die tegen alle opticawetten indruist. Bovendien is het (vervormde)
beeld in verhouding tot de imposante toeschouwersruimte veel te
klein. Toegegeven, in de afgelopen drie-kwart eeuw heeft niemand er
z'n beklag over gedaan.
AMSTERDAMSE bioscoopgangers vonden het paleis dat tussen 1918 en
1921 voor ruim drie miljoen aan de Reguliersbreestraat was verrezen,
wel mooi, maar massaal naar het theater gaan was er door de slechte
economische en sociale omstandigheden niet bij. De goedkopere Tip-Topbioscoop
in de Jodenbreestraat, Parisien in de bocht van de Nieuwendijk, De
Munt (Cinema de la Monnaie) in de Kalverstraat en niet te vergeten
'de' Royal aan de Nieuwendijk (geopend op 8 februari 1922) vielen
eerder binnen de mogelijkheden.
De elite, die zich een bezoek aan 'Tussinskie' wel kon permitteren,
moest sowieso niets hebben van het theater; intellectuelen noemden
de bioscoop 'een bonbonnière' waar louter vluchtig Hollywoodvertier
werd gedraaid. Polemist en criticus Menno ter Braak (1902-1940)
constateerde naar aanleiding van het tienjarig bestaan van
Tuschinski in november 1931 in het blad Filmliga dat het jubileum,
anders dan Abram Tuschinski en Max Tak wilden doen geloven, het
grote publiek koud liet: 'De grote zakenman suggereerde in zijn
jubileumnummer dat Amsterdam hysterisch juichte, dat er een
gezinsleven bloeit op het handgeknoopte Deventer tapijt van de
beroemde voorhal. (...) Mocht men hem geloven dan zou de heer
Tuschinski niet anders gedaan hebben dan zich permanent opofferen
voor de mensheid, die naar goede films snakte. Nacht aan nacht
doorwaakte hij, het kaf van koren scheidend, in één rusteloze
angstpsychose om de schade die aan de ziel van het publiek zou
kunnen worden toegebracht.'
VIJFTIEN JAAR na de opening van zijn theater verkeerde Abram
Tuschinski in grote financiële problemen; aan het eind van de jaren
dertig werd Theater Tuschinski het eigendom van dr. J. P. van
Tienhoven van de Hollandsche Buitenlandbank (HBB) en een Haagse
handelsonderneming waaraan namen verbonden waren van geldschieters
als A. D. Chabot, A. van Santen en mr. K. Blom. Het 'trio Tuschinski'
- Abram Tuschinski en zijn zwagers Herman Ehrlich en Herman
Gerschtanowitz - bleef na die reddingsoperatie als
bedrijfsdirecteuren op de loonlijst staan. Vervolgens werd Theater
Tuschinski, nog vóór de Duitsers Nederland binnenvielen, via
bemiddeling van dr. Max Winkler in Berlijn door Van Tienhoven
overgedaan aan het Duitse film- en bioscoopbedrijf ToBis, die voor
de bioscoop meteen een naamsverandering wilde doorvoeren maar daar
van afzag. In het mooi geïllustreerde jubileumboekje 75 jaar
Tuschinski (voor een tientje te koop aan de kassa) wordt gesproken
over 'een machtswisseling die tamelijk ongemerkt verliep'.
Bekender is het verhaal dat in de nacht van 30 op 31 augustus 1940,
op de verjaardag van koningin Wilhelmina, Nederlandse en Engelse
vlaggen op het dak van Theater Tuschinski zouden hebben gewapperd.
Foto's daarvan ontbreken helaas en directe getuigenverslagen
ontbraken tot nu toe ook. Pas nu treden de daders uit de anonimiteit:
de Amsterdamse houtbewerker Cornelis Adrianus Bus, destijds
negentien jaar oud en communist, zijn negentienjarige broer en een
wederzijdse zestienjarige vriend (Joop de Jong). Vlak voor het
ingaan van de spertijd op 30 augustus 1940 bevestigden zij gedrieën
een oranje vlag met daarop in witte kalkletters Leve de Koningin!
aan de voorgevel van Tuschinski. Ze deden het uit balorigheid, ze
waren niet eens 'Oranjeklanten'. In hun jeugdige overmoed hadden ze
het klaargespeeld ongezien via een brandtrap het theater binnen te
klimmen. Cor Bus herinnert zich nog dat hij, eenmaal binnen, de
projectoren kon horen ratelen - de avondvoorstelling was nog gaande.
's Morgens vroeg, nog voor zonsopgang, werd de vlag helaas ontdekt.
Ze werd weggehaald voordat de eerste arbeiders door de
Reguliersbreestraat naar de pont over het IJ fietsten om naar hun
werk bij de NDSM te gaan.
TWEE MAANDEN later, op 1 november 1940, veranderde ToBis de joodse
naam Tuschinski in het 'Arische' Tivoli. Een half jaar eerder, op 22
mei 1940, waren Tuschinski, Ehrlich en Gerschtanowitz al door ToBis
ontslagen. In juli 1942 werden ze via Westerbork gedeporteerd om in
Polen om het leven te worden gebracht.
Even 'geruisloos' als de overname van Theater Tuschinski door ToBis,
verliep de terugvordering ervan na de bevrijding in mei 1945 via het
Nederlands Beheerinstituut (NBI) en de Raad voor Rechtsherstel. Mr.
Blom dook weer op en de financiers F. L. D. Strengholt, mr. R. H.
Dijkstra en K. Winckles (van de Britse bioscoopketen J. Arthur Rank)
sloten zich bij hem aan. Het viertal vormde de Raad van Beheer van
de Maatschappij Tuschinski; de zoon van Herman Gerschtanowitz, Max
Gerschtanowitz, kreeg enige zeggenschap binnen het bedrijf als
directeur 'in dienstverband' en later had kleinzoon Ron
Gerschtanowitz er nog staffuncties.
Voor de zoon en dochter van Herman Ehrlich, Tannie en Fifi, was geen
plaats. Door de transactie met ToBis in 1939 waren de nabestaanden
van Ehrlich en Gerschtanowitz officieel als erfgenamen onterfd. Max
Gerschtanowitz en Tannie en Fifi Ehrlich overwogen alsnog een proces
te beginnen tegen Blom en zijn companen, maar Max Gerschtanowitz was
te bang voor zijn baantje en zag er uiteindelijk van af. De nu
77-jarige Fifi Ehrlich heeft in haar Amsterdamse woning nog steeds
geen goed woord over voor de Blom-groep.
Uiteindelijk kwam Theater Tuschinski opnieuw in buitenlandse handen,
achtereenvolgens in Britse (Rank), Israelische (Menachem Golan &
Yoram Globus), Italiaanse (Giancario Parretti & Florio Fiorino) en
Franse (Pathé/Chargeurs).
De constatering die Menno ter Braak in 1931 bij het tienjarig
bestaan van Theater Tuschinski deed, gaat 65 jaar later nog steeds
op: voor de jubilaris kan behoudens een paar cinefiele
architectuurstudenten eigenlijk geen mens veel interesse opbrengen.
Theater Tuschinski gaat gebukt onder achterstallig onderhoud; als de
milde 'feestverlichting' brandt gaat het nog, maar als het kille
werklicht wordt onstoken, is de aftakeling goed te zien. Het al
diverse malen vervangen tapijt ligt er futloos bij doordat bij het
reinigen een verkeerd soort shampoo is gebruikt.
De al op 28 april jongstleden door Pathé begonnen viering van de
vijfenzeventigste verjaardag van Theater Tuschinski heeft al met al
de allure en de klank van een natte vuurpijl.
Abram Tuschinski en zijn partners Herman Ehrlich en Herman
Gerschtanowitz verdienen toch beter.
|
|
|
Hier kun je het boek bestellen
http://www.bataafscheleeuw.nl/
WALDA, DICK Trompettist in Auschwitz, Herinneringen van Lex van Weren.
Amsterdam, 1980. Paperback.
Offered for EUR 9.00 = appr. US$ 13.176 by: Grimbergen Boeken - Book
number: 002899
http://www.antiqbook.nl/boox/grim/002899.shtml
lees hier het boek |
‘Kerstmis 1943: kerstappèl.
Vlak voor het appèl was ik nog aan het oefenen. Ik
dacht: direct moet het gebeuren... Daarop begon de
voorstelling. Met mij. Voordat ik begon te spelen
werden eerst nog de doden van die dag bij de
kerstboom neergelegd... Ik zie het zó voor me: het
was aardedonker... vijf, zes uur in de middag... in
de verte die schimmige lampjes... de elektrische
draadomheining... de gevangenen in hun blauwwitte
gevangeniskleding... de doden... en ik stond te
spelen... Stille Nacht... Heilige Nacht... Het ging
niet zo best. Maar toch kon je er de bekende melodie
uithalen. Het maakte op de gevangenen een diepe
indruk’.
Zo beschrijft de bekende Nederlandse trompettist Lex
van Weren een van zijn herinneringen. Als jood
gedeporteerd kwam hij in Auschwitz terecht. Een van
de weinige manieren waarop je dat - welk een wrede
ironie - kon overleven was: musiceren. Elke zondag
werden er door het Auschwitz-orkest concerten
gegeven. Muzikanten als Lex van Weren, Fania
Fénelon, Herman Sachnowitz en vele anderen werden
gedwongen de directe begeleiders van de rondedans
van de dood te zijn.
Iedereen die hun getuigenissen leest komt fors
voorstellingsvermogen tekort. Want muziek in
Auschwitz - dat kán niet. Dat is een gruwelijke
contradictio. Daar waar elk sprietje gras afwezig
was, alles grijs en grauw, daar waar de geuren en
klanken van de hel domineerden, daar waar de mens
uiteindelijk werd beroofd van zijn menselijk gelaat,
hoe kan dáár muziek tot klinken zijn gebracht,
überhaupt gewild zijn? En toch is het gebeurd.
SS-officieren luisterden beschaafd-verrukt naar
Chopin en Bach. Het gebeurde in onze eeuw, die nu
met veel ‘kabaal’ overgaat naar een volgende.
Het echte millenniumprobleem heeft zich, diep in de
twintigste eeuw, al lang geleden voorgedaan, maar
Europa is er tamelijk rustig onder gebleven. En dat
terwijl er een bom zonder weerga is geplaatst onder
de menselijke existentie en de ultieme zin daarvan.
In Auschwitz werden, onder uitoefening van allerlei
‘technieken’, mensen tot ‘dingen’ gemaakt, hetgeen
we met de ijskoude term Verdinglichung kunnen
aanduiden. Tot in het kleinste detail vernederd werd
men doelgericht beroofd van datgene wat de mens tot
‘mens’ maakt. Volgens de kampcommandant van
Treblinka was dit nodig om -intellectueel en
emotioneel- in staat te zijn op grote schaal te
doden. Men werd niet als ‘Untermensch’ geboren, men
werd zo gemaakt. Joden, mensen uit allerlei landen
werden beroofd van hun menselijk gelaat, zoals de
Schepper het als imago van Zichzelf bedoeld had.
Maar niet alleen de tsèlèm (‘schaduw’, Gen.1,26)
werd zwaar verminkt. Aan de keerzijde werd ook een
aanslag op de Schepper gepleegd. Want waar was Zíjn
gelaat nu? Niet meer ‘menselijk’, zoals Jesaja 53
het van de lijdende Knecht des Heren weergeeft? Of,
zoals Elie Wiesel het uitdrukt als hij beschrijft
hoe kinderen levend werden geofferd in de vuurkuilen
van Auschwitz: ‘nooit zal ik die ogenblikken
vergeten die mijn God en mijn ziel vermoordden en
mijn dromen, die het aanzien van de woestijn
kregen’? Auschwitz bracht alles over mens en God in
verwarring. Die verwarring greep om zich heen, in de
literatuur, de theologie, de filosofie, in de muziek
en de kunst. Het zette de bijl aan de wortels van de
Europese ‘christelijke’ cultuur. Want het volwassen
geworden kwaad vond niet plaats in een of andere
barbaarse uithoek: het was en ís midden onder ons in
het beschaafde Avondland. Het woedde in de landen
van Goethe en Schiller, Beethoven en Bach. Het woedt
totdat de mens definitief is vertrokken uit Babylon.
Geen muziek in Babylon
In de Schrift is de grote stad Babylon de
anti-pool van Jeruzalem. In Babylon wordt
overspel met het kwaad bedreven en er wordt
handel gedreven in gruwelen. In de Apocalypse
van Johannes wordt, voorafgaand aan de belofte
van het duizendjarig rijk en de nieuwe hemel en
de nieuwe aarde, drie hoofdstukken lang
uitgeweid over het wezen en de val van Babylon.
Babylon als ‘moeder van de hoeren en van de
gruwelen der aarde’, ‘dronken van het bloed van
de heiligen’ ( 175,6). De lange lijst van zaken
waarmee zij commercie bedreef wordt afgesloten
met menselijke koopwaar: ‘van lichamen, en
zielen van mensen’ (1813). Het is deze lading
van ontmenselijkte menselijkheid die Babylon
(Auschwitz..) kenmerkt.
Toch blijken de luxe en overdaad, waarin de
hoogmoed en rebellie van deze eschatologische
metropool gestalte krijgen, slechts één grote
leegte te zijn. Het is niets en daarom treuren
de kooplieden van de aarde om haar. Al haar
muziek was per definitie slechts
‘vermaaks’-muziek, inhoudsloos amusement dat de
‘pompa diaboli’ begeleidde. We raken hier aan de
essentie van de muziek. Want muziek verwijst
krachtens haar wezen (waarvan de harmonie een
aspect is) naar de eeuwige en liefdevolle
Schepper. Ze kan nooit, evenmin als de natuur,
zuiver verwijzen naar het demonische. In dat
geval houdt ze op muziek te zijn. Iedereen die
de ongerepte natuur aanschouwt moet het met de
schrijver van Genesis 1 eens worden: de
geschapen werkelijkheid is tov in de betekenis
van naar-God-verwijzend-goed. Zo verwijst de
muziek, als uitwerking van het cultuurmandaat
dat in Genesis wordt gegeven, altijd terug naar
haar Oorsprong.
Daarom is het veelbetekenend dat in het visioen
van Johannes op Patmos het einde van Babylon
tevens het einde van de muziek en de kunst in
die stad inluidt: ‘en geen stem van citerspelers
en zangers (musici), van fluitspelers of
trompetters zal meer in u gehoord worden, en
niemand die enige kunst (techniek)
beoefent’...(18,22; vgl. ook Ez. 26,13). In de
oudtestamentische pendant (Jes. 13/14) wordt een
spotlied van bijna homerische allure op de
koning van Babel aangeheven. De ‘morgenster’ is
krachteloos geworden. Niet alleen zijn trots
wordt in het dodenrijk geworpen, het geldt ook
voor ‘het ruisen (lawaai) van uw harpen’. De
kunstzinnige schoonheid van de ’vorst van Tyrus’
(Ez.2,8) en het instrumentarium van Babel (‘het
geluid van hoorn, fluit, citer, luit, harp,
doedelzak en allerlei soort van
muziekinstrumenten’, Dan. 3!) waren te zeer
verbonden met onrecht en gewelddadige afgoderij.
De lezing van het boek Daniël roept de
schokkende beelden van Auschwitz op: hier worden
mensen verbrand onder begeleiding van muziek...
Ten dele klinkt in de Apocalypse de
oud-christelijke afschuw tegen de muziek door
vanwege de vele associaties met de toenmalige
losbandigheid en zedenloosheid. De eerste
christenen meden om die reden de dans en het
theater. Maar de tekst steekt achter de ethische
weerzin nog dieper af. In Babylon is muziek per
definitie onmogelijk! Babylon vertegenwoordigt
de uiterste haat tegen God, tegen de mens en de
mede-menselijkheid. Liefde vindt men er niet.
Integendeel, er wordt uitgebuit en misbruikt.
Mensen zijn er in wezen slechts dingen,
voorwerpen ter ‘gebruik’. Muziek kán daar
eenvoudigweg niet meer gevonden worden. Een
belangrijk kenmerk van het oordeel over het
volwassen geworden kwaad, waarvoor Babylon
symbool staat, is de volledige afwezigheid van
muziek en kunst. Het wordt hier als eerste
expliciet genoemd!
En met een schok realiseer je je tegelijkertijd
hoe belangrijk de muziek en de kunst kennelijk
zijn in de Schrift. Geen overbodige franje, maar
een ‘taal’ waarin de Eeuwige zichzelf
voortdurend op unieke wijze kan inademen in de
Schepping. Immers, de cultuur van de antipool
van Babylon, Jeruzalem, wordt hierdoor gedragen.
Haar grondwet is het Psalter, compleet met
muziekinstrumenten, poëzie, dans en drama. Toch
dreigt, ook midden in de joodse (en
christelijke) eredienst, voortdurend het gevaar
van de fundamenteel onmogelijke mogelijkheid.
Namelijk die van een verbintenis tussen
ongerechtigheid en kunst: ‘Doe van Mij weg het
getier van uw liederen, het getokkel van uw
harpen wil Ik niet horen. Maar laat het recht
als water golven, en gerechtigheid als een immer
vloeiende beek’ (Amos 5:23,24).
Zolang het recht en de kunst geen verbond
sluiten kan de scheppende mens niet voor de
Allerhoogste verschijnen. Het gevecht om de
komst van het Koninkrijk is óók het gevecht om
de muziek en de kunst. Het wordt uitgevochten op
onze weg van Babylon naar Jeruzalem.
Hoogstwaarschijnlijk heeft wat dit betreft de
overgang van het jaar 1999 naar het jaar 2000
geen bijzondere heilshistorische betekenis.
Anderzijds is het goed zich er van bewust te
zijn dat ook de ontwikkeling van de christelijke
muziek, de kerkmuziek in het bijzonder, wel
degelijk in een heilshistorisch kader staat...
En het geschiedde...
Wij leven niet alleen in de ruimte, maar ook in
de tijd. Die tijd noemen we ook wel
‘geschiedenis’. We zijn met het vak groot
geworden op school en ermee vertrouwd geraakt.
Toch ontbrak het modern-historisch ‘besef’ in de
oudheid nagenoeg. Het joodse en bijbelse denken
is er echter van doordrenkt. Een mooi voorbeeld
zijn de zogenaamde ‘historische’ psalmen 77 en
78. Maar ook de Apocalypse van Johannes vormt
een goede illustratie. Men heeft vaak beweerd
dat ons concept geschiedenis, het historische
denken dus, hiervan is afgeleid. Voor het eerst
nu had de geschiedenis niet alleen een
(mythisch) begin, maar ook een eindpunt en
-vooral- einddoel! Daartussen waren weer lijnen
te trekken en ontwikkelingen te bespeuren. Het
besef is dat we ons ergens op die tijdsspanne
bevinden. We komen ergens vandaan en we gaan
ergens naar toe! De uitkomst is veelbelovend en
het handelen van God in de geschiedenis noemen
we dan ook: ‘heilsgeschiedenis’.
Het is frappant hoe, bij bestudering van de
geschiedenis, opvalt hoe bepaalde historische
(sociaal-politieke) ontwikkelingen parallel,
synchroon lopen met ontwikkelingen in de muziek
en de kunst. Het geldt voor de renaissance met
haar hang naar de oudheid en de ruimte van de
vrije wil, de rijke barok, de stormachtige
romantiek tot en met allerlei ontwikkelingen in
de twintigste eeuw. In de negentiende en
twintigste eeuw, zeker na WO-II, lijkt een
versnelling op te treden die haar evenbeeld
vindt in zich eveneens snel ontwikkelende
muzikale stijlen en kunstvormen. Deze
maatschappelijke en muzikaal-artistieke
ontwikkelingen gaan hand in hand. Ze hebben
elkaar wederzijds wat te zeggen. Aan de andere
kant, het is soms allemaal ook wel erg vluchtig
en zo weer voorbij.
Ook de christelijke muziek is aan die
historische ontwikkelingen onderworpen. Niemand
kan ontkennen dat de synagoge, de middelleeuwen,
de reformatie, de heiligheidsbewegingen, het
chassidisme, de periode van slavernij in de VS,
de jaren ‘60, het oecumenisch streven en de
ontwikkelingen in diverse snelgroeiende
evangelisch-charismatische stromingen grote
stempels hierop hebben gedrukt. Het is wel zo
dat de ontwikkelingen binnen de kerkmuziek een
trager tempo van aanpassing vertonen, hetgeen
zowel negatieve als positieve oorzaken heeft.
Positief is de weerstand tegen allerlei
‘modische’ en trendy verschijnselen van
voorbijgaande (en zondige) aard. Het ‘wij willen
niet van deze wereld zijn’ heeft hierbij altijd
een rol gespeeld. De traagheid om allerlei goede
ontwikkelingen (ook die maken deel uit van zowel
de gewone als de heilshistorie!) op te pakken en
te integreren acht ik echter negatief. Dezelfde
Bach, die wij nu als laatste zouden willen
missen in ons liturgische beleven, had in zijn
tijd behoorlijk grote (artistieke) conflicten
met zijn meer conservatieve kerkelijke
opdrachtgevers. We zien iets dergelijks in onze
tijd. De weerstand tegen moderne christelijke
(pop)muziek is vanuit de wereld gezien enigszins
begrijpelijk, vanuit de kerk gezien niet.
Gospelmuziek in de brede zin van het woord (we
moesten daar eigenlijk maar eens een beter woord
voor zien te vinden) is inmiddels van hoog
professioneel niveau en kent de nodige diepte.
Dit geldt in toenemende mate ook voor de
‘lichte’ kerkmuziek, bijvoorbeeld de moderne
lofprijzings- en aanbiddingsliederen. De
toenemende belangstelling (van christenen) voor
opleidingen in de lichte muziek aan
conservatoria draagt hiertoe bij. Een goede
zaak!
Wel is het triest te moeten constateren dat de
kerk zo traag is in het oppakken en integeren
van zulke bewegingen in de muziek en de kunst.
De Duitse theoloog Bultmann heeft ooit gezegd
dat je niet van elektriciteit gebruik kan maken
en tegelijkertijd in wonderen kunt geloven. Ik
zou dit wat ondeugend willen parafraseren: je
kunt in de kerk niet gebruik maken van moderne
inzichten in management, kerk- en
instrumentbouw, van microfoons en
koffiezetmachines en tegelijkertijd in muzikale
stijlen en communicatiemiddelen van lang
vervlogen tijden blijven hangen. Toegegeven: de
door Bultmann geponeerde (onhoudbare)
tegenstelling geldt hier niet helemaal. Immers,
wij willen de artistieke en liturgische vruchten
van het verleden niet kwijt. Een aantal daarvan
zijn nog nimmer geëvenaard, bovendien valt nog
niet te verwachten dat dit na 2000 wel zal
gebeuren. Maar de kerkelijke weerstand tegen de
moderne (‘lichte’ -die tegen de moderne
klassieke muziek is beduidend minder-) muziek is
uiteindelijk niet te verdedigen en vanuit
communicatief oogpunt erg onverstandig. De
Amerikaanse musicoloog William Edgar brengt dit
als volgt scherp onder woorden: ‘Élitists tend
to forget that much popular culture is in touch
with its audience in a way that high culture is
not. High culture tends to be in touch with the
creators instead. This is certainly true in
music, where avant-garde music is so abstract
that only the initiates can claim to understand
it, and often only because they feel they ought
to rather than because they enjoy it’. Door haar
grote vermogen tot vertolking van ideeën en
gevoelens, haar wendbaarheid en bijna
onbegrensde mogelijkheden tot improvisatie, haar
directheid en eenvoud (in feite gaat het hier om
de basis van veel klassieke muziek, namelijk het
‘volkslied’), haar hoge participatiegraad (er
kunnen veel mensen meedoen in het muzikale spel)
is de lichte muziek bij uitstek geschikt om mede
gestalte te geven aan de eredienst. Niet alleen
ráákt het velen, maar hierdoor kunnen velen ook
méédoen, hun gevoelens en gedachten tot uiting
brengen. Het spontaan-muzikale reageren op
gebeurtenissen en emoties vinden we regelmatig
terug in de Schrift en wordt aangemoedigd in de
muziektherapie. Het gevaar van het
eenrichtingsverkeer in domineesland loert niet
alleen vanaf de preekstoel, maar ook van achter
de lessenaar van de cantor! ‘Niet van, maar wel
in de wereld’ betekent je met een zuiver geweten
in de cultuur begeven, ook als je die niet als
hoogstaand beoordeelt, dit zelfs als vernederend
ervaart. Het is de gezindheid van de Mensenzoon
die zich vernederde tot onze cultuur en vlees
werd. De incarnatie betrof óók de cultuur! Zo
paste Paulus zich op de Areopagus aan, hoewel
die cultuur niet vlekkeloos was. Het oppakken en
integreren van de ‘seizoenen’ in de cultuur is
de opdracht van de christelijke muziek in het
algemeen en de kerkmuziek in het bijzonder. Zo
niet dan verliezen we de band met de (gewone)
geschiedenis en komt de heilsgeschiedenis niet
tot stand.
Het probleem van de geestelijke muziek is niet
zozeer gelegen in de stijl, of in de - positieve
of negatieve - associaties die aan die stijl
verbonden zijn. Deze associaties verschillen van
persoon tot persoon, bovendien hebben we soms
nauwelijks meer zicht op de associaties die een
paar eeuwen geleden een rol speelden bij muziek
die wij nu hoog in het vaandel hebben.
Muziek, die wij nu als bijzonder geestelijk
ervaren, was dat oorspronkelijk niet altijd...
Natuurlijk zijn er stijlen die niet geschikt
zijn om te adapteren vanwege hun expliciete
binding met het kwaad of eenvoudigweg omdat het
nauwelijks of geen muziek meer is. In de
house-muziek ontbreken zowel de horizontale lijn
van de melodie als de verticale diepte van de
harmonie. Onlangs wees een klassieke gitarist
mij erop dat in de hardcore (house)muziek óók
nog het ritme ontbreekt. Ze houdt dan op
überhaupt muziek te zijn. Maar we hebben het in
dit geval dan wel over uitwassen waarbij slechts
een klein deel van de jongeren betrokken is.
Nee, het werkelijke gevaar schuilt elders:
namelijk op het terrein van de oppervlakkige
vermaaksmuziek die Babylon zozeer kenmerkt.
Sociologische analyses van onze huidige
maatschappij geven het moderne levensgevoel
haarfijn weer als ‘vluchtig’, ‘consumptief’,
gericht op emoties en strelingen in het hier en
nu. Ook de muziek moet het hebben van ‘the
feeling’. En dat geldt niet alleen de moderne
muziek, maar ook de huidige, op amusementseffect
berekende exploitatie van klassieke muziek. Nog
sterker, het geldt voor segmenten van die
klassieke muziek zelf. Eindeloze baroksuites,
meeslepende en bijna onspeelbare hoogstandjes
uit de piano-literatuur, de min of meer
pantheïstische (betoverend mooie) muziek van
Ravel en Debussy lijken niets meer te doen dan
afwisselende sferen te scheppen en emoties te
kleuren. De cultuur-theoloog Francis Schaeffer
sprak ooit van fragmentatie in de muziek. Het
reflecteert een aan scherven gevallen menselijk
bestaan, waarvan wellicht de ‘clip’ een van de
moderne technische uitingen is. Zulke muziek
heeft geen band met de geschiedenis, nauwelijks
met ethiek en niet met God. Het is vermaak in
het hier en nu, zonder zin en samenhang. Juist
hierin was Bach zo anders! Filosofisch gesproken
hebben we al lange tijd te maken met zoiets als
‘existentialistisch hedonisme’. De huidige
christelijke muziek is niet vrij van deze
Babyloncultuur. Ook binnen de kerkmuren kan men
zich ‘vermaken’, of dit nu hoogstaand, elitair
dan wel ordinair vermaak betreft. In elk geval
is men dan de genietende toeschouwer. Het is nog
niet zo gemakkelijk om een gemeenschap echt en
betrokken - dus vanuit het hart - aan het zingen
te krijgen. Ook de huidige
praise-and-worship-concerten dreigen hieraan ten
prooi te vallen. ‘Praise’ is inmiddels
gedegradeerd tot een commercieel aantrekkelijke
‘stijl’ en heeft inmiddels een hoog
vermaaksgehalte. Alleen hij of zij echter, die
in de binnenkamer van het verborgene God
aanbidt, is werkelijk uit Babylon vertrokken.
Natuurlijk gaat het niet aan om al te puriteins
te zijn. Genieten mag, van baroksuites en Liszt,
van Debussy en praise-muziek. Maar daarmee is
het gevaar niet weg. Slechts als de christelijke
muziek de lijn van de geschiedenis vasthoudt,
zal ze van waarde zijn. Ze moet vechten tegen
het vluchtige, het oppervlakkige. Ze moet de
traditie vasthouden en zich tegelijkertijd
ontwikkelen. Dat moet blijken in de teksten,
maar ook -verborgen- in de muziek zelf. Zoals de
filosoof-wiskundige Pascal het in de voering van
zijn mantel had verborgen: ‘God van Abraham, God
van Izaak, God van Jakob, niet van de
filosofen’. De opdracht van de muziek en van de
kunst is om verder te komen dan het hier en nu
en in dienst te treden van de lijn van de
heilsgeschiedenis. Om op creatieve wijze
gestalte te geven aan en te verwijzen naar de
lijn van Gods verbond met de mens dat de - alle
- eeuwen omspant. Om, in tegenstelling tot
diverse moderne muziek (bijvoorbeeld de
12-tonige muziek die voortdurend varieert zonder
oplossing), oplossingen en hoop aan te dragen.
Het Hebreeuwse woord voor hoop, tikva, betekent
letterlijk: draad, lijn. Als de geestelijke
muziek die lijn weet te raken en te communiceren
ontstaat er op weg naar Jeruzalem een werkelijk
hatikva. Waar hoop is kunnen mensen elkaar echt
ontmoeten en blijkt de Eeuwige in hun midden.
Muziek die deze hoop niet geeft verdient te
sterven in Babylon.
Muziek en ontmoeting
De bekende trend-goeroe Faith Popcorn voorspelde
destijds voor de jaren negentig een toename van
het verschijnsel ‘huiselijkheid’. Cocooning als
nieuwe trend. Zelfs in de drukke supermarkt moet
de klant het gevoel hebben ‘thuis’ te zijn.
Hoewel nieuwe trends zich al weer aangediend
hebben (bijvoorbeeld die van de steeds groter
wordende hang naar adventure en challenge) lijkt
alles steeds verder in eenzelfde richting te
gaan: individualisering. Haar kenmerk is de op
zichzelf levende mens die zich omringt met
‘dingen’. De bijna onbegrensde mogelijkheden van
het Internet maar ook zoiets simpels als de
‘walkman’ versterken deze tendens tot
ik-gerichtheid. Dit verschijnsel heeft grote
impact op de waarde en beleving van muziek en
kunst. De muziek dreigt zo namelijk los te raken
van haar oorsprong (de wereld van de componist).
We zagen dat ze tevens haar binding met de
(heils)geschiedenis verliest. Maar het
individualiseringsproces zorgt er ook voor dat
ze niet meer ten dienste staat van de
mede-menselijkheid, van de gemeenschap. In het
verlengde hiervan komt ze ook los van de
Schepper te staan.
De Duitse componist Paul Hindemith zegt in zijn
boek ‘Bach - ein verpflichtendes Erbe’, dat
wanneer de muziek ons op iets edels richt, zij
het ‘beste’ heeft gegeven. Muziek als verwijzer
dus. Maar bij Bach was dit niet een verwijzing
naar ‘iets’, maar naar ‘Iemand’. Bach kende geen
egocentrische wereldbeschouwing, de middeleeuwen
vóór hem trouwens ook niet. De ontwikkeling van
het individualiteitsbegrip vindt na hem plaats
en komt in de Romantische periode stormachtig
tot ontwikkeling. De Verlichting bevordert dit
proces en het huidige techno-tijdperk lijkt het
te (kunnen) vervolmaken. Uiteindelijk leidt dit
tot overdrijving en ontaarding (de naakte
cellist die ooit onder water muziek van John
Cage speelde?), eenzaamheid en het einde van de
menselijkheid. Merkwaardigerwijze zijn het de
(moderne) muziek en de kunst zelf die ons dit in
alle toonaarden duidelijk maken. Veel
twintigste-eeuwse kunst kan zo onderhand wel de
‘kunst van de wanhoop’ genoemd worden. Muziek
die blijft steken in het verklanken van de
decadente god-loosheid, het toeval tot Leitmotiv
maakt en zich ontworsteld heeft aan moraal en
ethiek, houdt feitelijk op muziek, kunst te
zijn. Ze is losgekomen van de wetmatigheid (het
kenmerk van natuur en cultuur), maar is ook niet
meer geschikt als ‘taal’, als medium van
onderlinge communicatie. Ze vervluchtigt in het
zwarte heelal van het niets: Babylon.
De muziek, die de eschatologische exodus uit
Babylon begeleidt, zal gaandeweg een menselijker
gezicht krijgen. Ze is erop gericht te genezen,
zin en hoop te geven, het beeld van de Schepper
te herstellen. En dan komt ook de mens weer te
voorschijn. De Franse wetenschapsfilosoof Michel
Foucault vroeg zich tegen het einde van zijn
leven af: ‘Wat me verbaast is dat in onze
maatschappij kunst slechts betrekking heeft op
dingen en niet op individuen of het leven. Zou
niet het leven van elk individu een kunstwerk
kunnen zijn?’ Los van de context van Foucault’s
denkwereld is dit een verrassende uitspraak.
Eigenlijk zouden we het ook nog kunnen
omdraaien: geen kunst zonder leven, menselijk
leven. De kunst die in dienst staat van de
volledige ontplooiing van de mens vindt haar
oorsprong in de Schrift. Nergens is het
liefdevolle kijken van God naar de
mens-in-wording zo kunstzinnig en teder onder
woorden gebracht als in Psalm 139. Hier is
echter geen sprake meer van een eenheid
(individu), maar van een tweeheid. Want leven is
per definitie samenleven vanuit het wederzijds
respect, vanuit de liefde die de ander wil
ontmoeten.
In dit verband kan de betekenis van Martin
Buber’s Ich und Du nauwelijks worden overschat.
Hij wordt ook wel ‘de filosoof van de
ontmoeting’ genoemd. De basis van zijn filosofie
is het zogenaamde ‘dialogische principe’. Het
omgekeerde is de monoloog, het
eenrichtingsverkeer dat onze moderne samenleving
al te zeer kenmerkt. Buber gaat uit van twee
soorten relaties: ik-jij en ik-het. In het
laatste geval heb ik een relatie met de dingen,
ontmoet ik andere mensen als objecten waarmee ik
een zekere ervaring opdoe. Hij beschrijft hoe de
complexiteit en organisatie (economie) van de
huidige -voor hem vooroorlogse!- maatschappij de
mens meer en meer tot een ‘het’ reduceren. De
mens kan weliswaar niet zonder dit ‘het’ leven,
maar wie daarin uitsluitend leeft is niet echt
mens. Nee, de werkelijke ontmoeting vindt plaats
in de ‘ik-jij’ relatie. Daarin is de liefde
essentieel, niet zozeer als emotie, maar als
daad tussen mens en mens in. ‘Liefde is een
werkzaamheid in de wereld...Goede en boze
mensen, verstandige en dwaze, mooie en lelijke
worden dan een voor een werkelijke mensen: stuk
voor stuk worden zij tot een Gij, d.w.z.
losgemaakt uit het gewemel treden zij naar
voren, op zichzelf en als wezen tegenover
mij...en zo kan een mens helpen, genezen,
opvoeden, verheffen, redden’. De ander
(‘du-jij’) is geen verlengstuk van mezelf (dan
zou deze immers weer een ‘het’ zijn), maar is
ook werkelijk de ‘ander’. Die ‘ander’ is een
mens tegenover mijzelf die ik vol respect als
‘ander’ tegemoet treedt. De liefdevolle relatie
mens-mens (ich-du) wortelt in de unieke relatie
tussen mens en God (ich-Du). Meer nog, álle
menselijke relaties zijn daarin verbonden.
Buber’s denken - hoezeer soms ook moeilijk te
begrijpen - heeft nog niets van haar actualiteit
ingeboet. Dit geldt zeker in deze tijd van
sociaal isolement en verzakelijking. Zijn
filosofie, zo dicht bij het kloppende hart van
de Tenach, kan en moet toegepast worden op
allerlei terreinen van de samenleving: de
pedagogie en psychologie, de hulpverlening en
het pastoraat, het onderwijs en de communicatie.
Maar in elk geval vormt ze een vruchtbare
godsdienst filosofische basis voor het denken
over muziek en kunst.
Het was na het opschrijven van deze gedachten
(1923) niet te voorzien dat er kort daarna zulke
donkere wolken over Europa zouden komen. Buber
raakte de kern van wat ging komen. De zwartste
nacht was die in Auschwitz. We schreven
hierboven over de rol van de muziek in deze hel.
Auschwitz staat voor de uiterste poging om -
machinaal en intellectueel - de mens tot een
exclusief ‘het’ te maken. Uiteindelijk is deze
poging mislukt, het Derde Rijk ging aan dit
‘het’ ten onder. Maar deze geestelijke aanval,
deze Paddestoel-Wolk van Auschwitz (K. Zetnik)
had de wereld wakker moeten schudden. Want de
poging van het demonische, van Babylon, om het
beeld van God te vernietigen resulteert in
ont-menselijking om daarmee God zelf te treffen.
Wat een tragedie dat dit gebeurde met een deel
van het Volk, waarmee de Allerhoogste Zijn
eeuwig en onverbreekbaar verbond had gesloten.
Hoe diep tragisch is het dat de op de edele
olijfboom ingeënte christelijke gemeente dit zo
slecht heeft begrepen en zich tegenover de
natuurlijke takken zo misdragen heeft
(Rom.9-11). Is het zo gek om te veronderstellen
dat de poging (zoals zo vaak in het verleden)
herhaald zal worden?
In dit licht bezien ligt hier een grote
uitdaging gereed voor de muziek en de kunst in
de komende eeuw. Waar zoveel woorden inmiddels
uitgehold zijn, ook in de kerk, zullen zij een
krachtig anti-serum tegen het gif van de
onmenselijkheid moeten gaan vormen. Als zodanig
kunnen ze niet anders dan in dienst staan van de
menselijkheid, niet anders zijn dan
communicatiemiddel van gelaat tot gelaat. In die
zin is muziek een functie van het ich und Du/du,
ze kan nooit exclusief toebehoren aan het het.,
Muziek in conflict
De joodse filosoof Adorno meende dat er na
Auschwitz alleen nog maar in termen van de kunst
gesproken mocht worden. Later ging hij nog
verder en noemde alle cultuur na Auschwitz
‘vuilnis’. Ongeveer de helft van zijn oeuvre
gaat over muziek. Hij stond met name kritisch
ten opzichte van de ‘vermaakskunst’, de
‘massa-cultuur’. Met dit laatste bedoelde hij
cultuur die doelbewust voor de grote massa is
gemaakt. Muziek en kunst konden op deze wijze
gebruikt worden om mensen te ‘disciplineren’.
Adorno signaleerde dit verschijnsel op diverse
sociaal-politiek terreinen, of het nu de muziek,
die het ‘Dritte Reich’ in haar opmars begeleidde
betrof, of de propaganda van de Amerikaanse
reclame- en vermaaksindustrie.
Het fenomeen manifesteert zich echter ook -in
meer subtiele vorm- op een plaats waar we het
niet zo gauw zouden verwachten: in de kerk, de
gemeente. Verhalen over kerken en groepen waar
charismatisch leiderschap ontaardt in aan
hersenspoeling grenzende praktijken zijn er
inmiddels genoeg te vertellen. En zulke
manipulatie-technieken komen niet alleen in de
als zodanig bekend staande ‘sekten’ voor. Dit
alles speelt zich dichter aan de boezem van de
kerk af dan ons lief is. Het kweekt
eenheidsworst, van echte gemeenschap (‘ich-du’)
is dan nauwelijks meer sprake. Bonhoeffer
beschrijft in zijn boekje Gemeinsames Leben het
verschil tussen ‘psychische’ (op gevoelens
gebaseerde) en ‘pneumatische’ (geestelijke)
gemeenschap. In een gemanipuleerde psychische
gemeenschap zal de muziek tot doel hebben de
neuzen dezelfde kant op te krijgen en de ego’s
samen te smeden tot aanhankelijkheid aan de
leider. Muziek is dan het cement van een
betonnen gemeenschap. Dorien Pels beschreef
onlangs in Trouw hoe de steeds groter wordende
mega-dansfestijnen (Innercity, 25000 bezoekers)
paradoxaal genoeg gekenmerkt worden door
‘anonimiteit waarin je je kunt onderdompelen’ en
‘saamhorigheidsgevoel’. Samen dansen en zingen
garandeert nog geen echte ‘gemeenschap’, ook
niet in de kerk. Het kweekt een aangenaam
(saamhorigheids)gevoel, maar er vindt geen
ontmoeting plaats.
Het resultaat is de zikkurat: de toren van
Babel. Deze staat immers symbool voor het
streven van de mens naar valse eenheid. Volgens
Adorno zal de amusementsindustrie niet
verhinderen dat er opnieuw repressie optreedt,
integendeel - ze zal die onderdrukking
begeleiden. Het is jammer dat Adorno
uiteindelijk in een bijna bittere reactie van
uitersten is blijven steken. Er daagt weinig
hoop in zijn visie op de kunst, waarin eigenlijk
alleen nog maar aandacht gevraagd zou mogen
worden voor muziek van Schönberg, poëzie van
Célan en schrijvers als Kafka en Beckett. Maar
het feit dat hij het gevaar van inhoudsloos en
maatschappijvolgend amusement - juist wanneer
dat leidde tot robot-gedrag in een ethisch
gesproken slecht systeem - scherp in de gaten
had, maakt zijn betekenis er niet minder op.
‘Dat Auschwitz niet nog eens zal voorkomen is de
allereerste eis die men aan opvoeding dient te
stellen’, schreef hij ooit.
Het is tevens de eis die we aan de muziek en de
kunst zullen moeten stellen. Maar dat betekent
niet dat de kunst nu moet gaan ‘preken’. Het
zich afzetten tegen l’art pour l’art en het al
te duidelijk en geprogrammeerd vastplakken van
een (christelijke) boodschap aan de kunst
garandeert helemaal niets. Integendeel, de
‘realistische’ kunst van het Nazi-tijdperk, maar
ook die van de Sovjet propaganda-cultuur maken
duidelijk op welke banale wijze de kunst een
verlengstuk kon worden van mensonterende
systemen. Daarom is het lang niet altijd zuiver
om met de ‘boodschap’ te beginnen en er dan een
‘vorm’ bij te zoeken. Meestal ontaardt dit in
‘propaganda-kunst’. De tot propagandist
gedegradeerde filosoof Joseph Goebbels,
communicatie-architect van het derde Rijk, was
in 1937 aanwezig op een tentoonstelling van
Entartete Kunst in Berlijn. Het ging om
zestienduizend uit Duitse musea geroofde
kunstwerken. Mendelssohn, Matisse, Chagall,
Stravinsky, Schönberg, de zwarte jazz en vele
andere modernen werden er publiekelijk ‘ontaard’
verklaard. Maar het tegendeel bleek in de
twintigste eeuw. Juist de moderne,
experimenterende kunst bezat het vermogen om te
wijzen op misstanden, het leek alsof juist de
‘ontaarde’ kunst een sterker appel op de
menselijkheid deed. Haar indirectheid
correspondeert beter met het mysterie van de
werkelijkheid, waarin alles niet zo duidelijk is
en er niet zo dik bovenop ligt. ‘It is best to
leave pure message-bearing to preachers,
scientistst, and moralists, who are called to
say things more directly. As someone once said,
the best authors have blood running in their
veins, not ink’ (Edgar). Daarbij zijn de musicus
en de kunstenaar voortdurend bezig om - al
zwetend en worstelend - uit de weerbarstig
schone natuur (aarde) de cultuur te voorschijn
te roepen. Hierbij wordt de natuur niet
opgeofferd aan het eigene van de cultuur, noch
andersom. Ze zijn antagonistisch op elkaar
betrokken. De Nederlandse kunstenaar Marc de
Klijn beschrijft in een indrukwekkend boekje dit
gevecht van de kunst (om de ‘waarheid’) aan de
hand van het verhaal over ‘de landweg’ van
Heidegger en ‘de schoenen’ van Van Gogh: ‘Wat ik
van belang acht in Heideggers beschouwing is,
dat hij de kunst weghaalt bij de esthetische
vrijblijvendheid en dat hij haar een plaats
geeft midden in het leven, dáár waar de
werkelijke beslissingen worden genomen en de
reële strijd wordt gevoerd. Niet vanuit een
platvloerse egocentrische belangenstrijd, maar
vanuit de idee dat de dingen hun existentie, hun
eigen zijn moeten realiseren’. Toegegeven,
Heidegger was een existentie-filosoof,
verwijzing naar God speelt in het
existentialisme geen rol. Maar dat doet niets af
aan het wezen en karakter van de muziek en de
kunst. Ook als ze naar God verwijzen gebeurt dat
intrinsiek, verborgen en omhuld. Indirect en
daardoor vol respect. Ten diepste zijn de muziek
en de kunst op deze wijze volop betrokken in de
eschatologische strijd om de mensheid en het
koninkrijk van God.
De mens is hierbij voortdurend in gevecht om los
te komen van het heidendom. Abel Herzberg zei
het zo: ‘De heiden leeft nog steeds in ons, we
zijn opgevoed met kathedralen, maar ons hart
juicht als ze in elkaar donderen..De heiden haat
de beschaving, haat de cultuur’. Bij de
schepping van de wereld, beschreven in Genesis,
ontving de mens niet slechts het natuur-mandaat,
maar ook het cultuur-mandaat. Het eerste vindt
zijn grond in de zes dagen dat God de natuur tot
leven bracht. Wellicht is het cultuur-mandaat
gefundeerd in het feit dat God op de zevende dag
de Sjabbat (de heilige tijd) schiep. Na de
zondeval lapte het heidendom dit mandaat aan
zijn laars, nergens zo mens-verwoestend als in
Auschwitz en alles wat daarvoor staat. Het
‘verval’ ging veel verder dan ons lief was. Veel
ervan lieten we niet tot ons Europese bewustzijn
en geweten toe. Toch is dit niet het laatste,
maar het voorlaatste. De hoop wint het
uiteindelijk van de wanhoop, liefde van haat. De
verzoening in de Messias en het recht dat Hij
brengt vormen de nieuwe en definitieve basis
waarop een genezen cultuur te voorschijn
bevochten kan worden uit geloof tot geloof
(Rom.1:16,17). Daarom moeten ook de muzikant en
de kunstenaar met spoed uit Babylon vertrekken
en de uitdaging aangaan die naar Jeruzalem
voert.
Uitdaging
Het is niet mis wat er zich allemaal op die weg
aandient! Er is zoveel gebeurd in de afgelopen
tweeduizend jaar. Er is zoveel mis gegaan, soms
onherstelbaar beschadigd. Maar ook vanuit de
toekomst komen angstige vragen op ons af, mits
we die tenminste eerlijk kunnen toelaten. De
twintigste eeuw is er een van stroomversnelling
op allerlei terrein. Nog nooit mondde de vraag
naar God in zo’n wereldwijde schreeuw uit: ‘Eli
Eli, lama... Wáár bent U? Wíe bent U? Soms
proberen we deze vragen te overschreeuwen door
het ontwerpen van een ‘gloria-theologie’: er zal
ons niets gebeuren, God is met ons, doet de
wonderen waar wij om vragen, wij zingen het uit
en gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid.
Miljoenen verdoven zichzelf met de rijkdommen
van de amusementscultuur. Maar vele anderen
zitten buiten op de puinhopen van secularisatie
en stukgeslagen godsbeelden, verslagen en
verdrietig. Glorialied en klaagzang wisselen
elkaar af.
En dan blijkt de Schrift uiterst actueel te zijn.
Immers, deze gemengde gevoelens en reacties
waren er ook tijdens de verwoestingen van de
eerste en tweede tempel in Jeruzalem. Toen bleek
God ook anders te zijn dan we altijd hadden
gedacht. Inmiddels zijn de voorhof van de tempel
en de heilige stad vele malen aan de heidenen
gegeven (Apoc.11,2). Waarschijnlijk verdienen
onze verziekte culturen dit ook.... totdat de
valse godsbeelden en goedkope theologieën
stukgeslagen zijn op de ondoorgrondelijke
werkelijkheid van de Ene Eeuwige Ander die te
vertrouwen is en ons liefheeft. Hij zal de
definitieve tempel bouwen op de puinhopen van de
vorige. We zullen het zien als we in Jeruzalem
aankomen.
Ook in dit verband is het herstel van de muziek
en de kunst een van de grootste uitdagingen
waarvoor de kerk staat: ‘psalmzingt met een
kunstig lied’ (‘maschil’, Ps.47,8). Bijna
vijfhonderd jaar geleden hebben we ze voor de
zoveelste keer de kerkdeur gewezen. Het
gereformeerd protestantisme houdt het dit keer
koppig vol in haar loopgraven van woord en
verbaliteit. Ze verwart ‘Woord’ en ‘verbaliteit’
trouwens nogal eens. Daardoor zijn de zintuigen
zo verstopt geraakt. Kunst mag alleen als het er
dik bovenop ligt, als bindmiddel voor
evangelisatie. Ze moet vooral ‘realistisch’ (=fotografisch)
zijn en de ‘oude vertrouwde werkelijkheid
weergeven’. ‘Men heeft de kunst als mogelijkheid
verworpen’ (Marc de Klijn). Maar het Woord móest
wel vlees worden, anders kwam de communicatie
tussen hemel en aarde niet tot stand. En dan nog
moest men, als bij een impressionistisch
kunstwerk, ‘oren hebben om te horen’ en ‘ogen om
te zien’. Want ook bij de incarnatie lag het er
niet dik en dogmatisch bovenop. Meer dan ooit
hebben we nu temidden van al onze vragen opnieuw
gestaltes nodig waarin het Woord terugkeert in
de cultuur. Het woord kan systematiseren, iets
dat de muziek niet kan. Maar omgekeerd laat het
menselijke hart zich niet zomaar vangen in
woorden en systemen. Muziek steekt af tot andere,
diepere lagen. De tranen van de mens en het
zuchten van de Geest vrágen om de non-verbaliteit
van muziek en kunst. Daarom zal de kerk de
schadelijke effecten van de beeldenstorm moeten
herstellen, waarbij vanzelfsprekend ook de
beelden zelf gereinigd dienen te worden.
‘Anti-aestheticism in church music became
synonymous with faithfulness to the ‘simple
gospel’. In fact it is a common observation of
many modern Christians that where the Church is
sound the music will be mediocre, and where the
music is beautiful, the Church will be liberal’
(Edgar). Het veel geuite argument van de
verbinding tussen kunst (met name de dans wordt
nogal eens genoemd..) en zonde, het almaar
wijzen op de zedenloosheid die aan moderne
kunstuitingen kleeft, is een wassen neus. Ze
wordt in de kerk maar al te vaak gebruikt om de
uitdaging van een schone en zuivere kunst niet
te hoeven aangaan. Dat is niet alleen jammer -
want het doet tekort aan de veelkleurige rijkdom
van het evangelie - , maar ook onterecht. ‘Kunst
heeft haar eigen betekenis als Gods schepping;
zij heeft geen rechtvaardiging nodig. Haar
rechtvaardiging ligt in het feit dat zij een van
God gegeven mogelijkheid is’ (Rookmaker). Juist
vanuit bijbels perspectief gezien horen de
muziek en kunst in Jeruzalem thuis, niet meer in
Babylon! Rockzanger Larry Norman vertolkte deze
gedachte ooit met: why should the devil have all
the good music?
De kerkmuziek zal de worsteling moeten aangaan
om het onzegbare onder woorden te brengen, ook -
nee: juist - als dit lijden is. Sem Dresden
heeft dit gevecht voor wat betreft de (Sjoa-)literatuur
op innemende en bewogen wijze beschreven. Zij
stelt ons voor allerlei ethische vragen. Maar de
erfenis van Auschwitz staat het niet toe dat wij
het onszelf gemakkelijk maken. Troostrijk is de
gedachte dat duizenden jaren geleden de
psalmisten deze diepe en moeilijke weg ook
gegaan zijn. Daarom is het Psalter zo krachtig
en heeft het in alle eeuwen mensen uit de put
van de wanhoop kunnen trekken. Alleen zo zal de
kerkmuziek kunnen en mogen verwijzen naar de
grootheid van God. Soort (‘Liedboek’ of ‘Opwekking’)
en stijl (‘klassiek-contrapuntisch’ of ‘lichte
muziek’) doen dan in dit verband niet ter zake.
Hierbij zal ze zich echter moeten ontdoen van de
directheid die het kenmerk is van diverse
liedculturen. We zullen meer en meer behoefte
hebben aan liederen en muziek die de paradox dat
God een volkomen te vertrouwen mysterie is,
weergeven. Ik acht de Five Mystical Songs,
geschreven door de 17e-eeuwse dichter George
Herbert en in onze tijd prachtig op muziek gezet
door de Engelse componist Vaughan Williams,
hiervan een zeer indrukwekkend voorbeeld. God ‘groot’-maken
heeft alleen zin als we beseffen dat God ons
begrip ook werkelijk aan alle kanten ontstijgt.
Met name de moderne lofprijzings- en
aanbiddingsmuziek van na WO-II staat voor de
uitdaging om het mysterie te integreren met het
vertrouwen. Ze is soms te direct, waardoor het
respect voor de Allerhoogste in het gedrang kan
komen. Het is een schrille ervaring om (meer dan
eens) te zien hoe familiair zangleiders en
gemeenteleden met de handen in de zakken het
lied ‘Als ik opzie naar Uw heiligheid’ staan te
zingen. Het kan niet anders dan dat dit op den
duur tot vervlakking van het gevoelsleven moet
leiden, in elk geval tot erosie van het begrip ‘heiligheid’.
Maar de ‘praise-muziek’ staat voor nog een
andere uitdaging. Hoewel ze op zich een hoog
dialogisch gehalte heeft, wordt deze nieuwe
soort van kerkmuziek wel eens beschreven als
exclusief ‘verticaal’. Zoals in alle tijden
hebben we de neiging de pijn van het horizontale,
de wereld om ons heen, te ontlopen en dit is
zeker ook mogelijk in het hart van de liturgie.
Maar vluchten in dit muzikale verticalisme
zonder oog voor recht en gerechtigheid kan echt
niet meer. Lofprijzing en aanbidding, dat wil
zeggen het belijden en liefhebben van de God die
één is (Deut.6,4), impliceert het protest tegen
de afgod van Babylon die leeft van mensenoffers.
Juist de muziek is hiervoor wezenlijk geschikt.
De joodse filosoof Heschel zei het zo:
‘Verwoording brengt het gevaar mee dat het
letterlijk wordt opgevat en dat het als
vervanging van inzicht werkt. Woorden worden
slagzinnen, slagzinnen worden afgoden. Maar de
muziek weerlegt de menselijke eindigheid. De
muziek is een tegengif tegen hogere afgoderij’.
Het is de opdracht van de christelijke ethiek om
dit protest naar alle segmenten van de
samenleving toe te vertalen en inhoud te geven.
Ook de muziek en de kunst zullen ruimte moeten
scheppen voor zowel het horizontale als het
verticale. Kunst en ethiek mogen nooit
gescheiden worden. Pas als wij recht en
gerechtigheid dóen zal God onze aanbidding en
creativiteit aanvaarden.
Een andere uitdaging is gelegen in de vraag of
het de christelijke muziek zal lukken zich te
bevrijden van de ‘performance-cultuur’. In onze
huidige cultuur worden mensen voortdurend
beziggehouden, ze worden passief ‘vermaakt’ en
achter dit vermaak ligt de manipulatie op de
loer. We zagen dat dit juist een van de
elementen van de Babylonische cultuur is. Maar
ook in de kerk komen we dit tegen. Nederland
kent veel ‘domineeskerken’. Daarachter schemert
de notie door van eenrichtingsverkeer, hoe
ongewild ook. Echter, in feite kent Nederland
ook veel ‘organistenkerken’. De organist is baas
in eigen orgelkas. Verscholen tussen rugpositief
en hoofdwerk deelt hij met gekoppelde klavieren
de muzikale lakens stevig uit. Nee, geen kwaad
woord over de organist. Maar ook hij maakt te
vaak deel uit van de ‘performance-cultuur’, het
eenrichtingsverkeer. In een charismatische
gemeenschap, waar de leden elkaar op basis van
de onderscheiden gaven versterken, komt het
dialogische principe van Buber veel meer tot
haar recht. In dit verband is de tekst uit Efeze
5,19 veelzeggend: ...’en spreekt onder elkaar in
psalmen, lofzangen en geestelijke liederen’. De
communicatie is hier dialogisch van aard, de
taal is die van de muziek en het lied. Het zal
een grote omslag vergen, maar er zal een einde
moeten komen aan de muzikale hegemonie van het
orgel. Er zal ruimte voor samenspel gecreëerd
moeten worden. In de kerk zal het orgel moeten
samenstemmen met de vleugel, de fluit, de cello,
de trom. Ze zullen - polyfoon en homofoon -
tegen elkaar in en met elkaar meespelen. Al in
1990 werd in een verklaring van de Royal Academy
of Music, afgelegd tegenover de
aartsbisschoppelijke (Canterbury) commissie voor
de kerkmuziek, gesteld dat ‘de muzikale middelen
gevarieerd moeten worden: gemeenten, koren,
instrumenten, stijlen, culturele en kerkelijke
verscheidenheid - dat alles moet benut worden,
met een combinatie van verbeelding en begrip
voor de traditie...’ (Dickson, vert. W.J.
Ouweneel).
Daartoe zal de liturgie uit haar harnas van
Aristoteliaanse onbeweeglijkheid moeten
ontsnappen. Er zal ruimte gemaakt moeten worden
voor vrije woorden en gebeden, voor het spel van
verrassing en muzikale improvisatie. Waarom
heerst er hiervoor zo’n angst? De ruimte die in
de liturgie gegeven wordt om te ‘improviseren’
zal bevrijdend werken en ontmoeting stimuleren.
Ook de dans bevat een groot dialogisch vermogen.
Het drama, maar ook de beeldende kunst kunnen
een rol van betekenis spelen. En de samenzang
zou alleen al aan dialogische diepte winnen als
we de liederen weer vierstemmig zouden gaan
zingen. De angst van Bonhoeffer (die het
eenstemmige lied bepleit) dat hierdoor de
solistische ijdelheid de kop opsteekt, lijkt ons
niet juist. Zelfs in de ‘gelijkheid’ kan de
ijdelheid zich vermommen. Nee, de
veelkleurigheid en meerstemmigheid vormen juist
een graadmeter voor een werkelijk volwassen
gemeenschap. Respons en antifoon kunnen van
nieuwe, eigentijdse vormen worden voorzien. Er
is de laatste tijd een toenemende belangstelling
voor de psalmen. Als dit echter niet meer
inhoudt dan teruggaan tot de middeleeuwse
gestaltes ervan, dan missen we de boot. Ook de
‘wereld’ van de psalmen, haar Sitz im Leben,
moet weer onder de aandacht gebracht worden. En
dan kunnen we niet zonder velerlei instrumenten,
zangers, dansers, poëten en instrumentbouwers (I
Kron.23/25). In de psalmen kom je geen
‘toeschouwers’ tegen. De eredienst van Israël
was geen voorstelling, er waren minimaal actieve
hoorders aanwezig.
Dit onder elkaar spreken in psalmen biedt nog
een ander perspectief dat verwaarloosd, zo niet
geheel afwezig is. De psalmen vormen niet alleen
de basis voor liturgie en liedcultuur, ze zijn
vanwege hun scala aan menselijke gevoelens en
bewegingen ook van fundamenteel belang voor het
pastoraat. Pastorale momenten zijn echter vaak
verborgen in de periferie van de liturgie. De
meeste kerkdiensten zijn geen vrijplaatsen waar
gelachen, gehuild, uitgerust en vertroost kan
worden. Ze bieden nauwelijks ruimte aan momenten
waar met mensen onder handoplegging gebeden
wordt, waar de stiltes niet alleen een
reflexief-meditatief, maar ook een
pastoraal-genezend karakter hebben. De
charismatisch-evangelische beweging heeft in
deze eeuw terecht aandacht gevraagd voor het
verwaarloosde aspect van de dienst der genezing.
Gelukkig zien we deze in allerlei variaties, van
Pinksterkerk tot Anglicaanse kerk, opnieuw te
voorschijn komen. Muziek kan hierin een grote
rol spelen, alleen is dit aspect nog niet
(professioneel) ontwikkeld. Vruchten van de
muziektherapie zouden, geïntegreerd in de
pastoraal-liturgische situatie, een grote dienst
kunnen bewijzen. Het luisteren naar pastorale
muziek, het kijken naar de dans werkt
vertroostend en bevordert de genezing.
Onlangs werd ik door onze predikant uitgenodigd
om met hem een oude man in een bejaardenhuis te
bezoeken en een bijzondere opdracht te
vervullen. Hij had de oorlog in Berlijn
doorgebracht en de traumatische verwondingen
hadden nog niets aan hevigheid ingeboet. Zijn
overleden vrouw was zeer muzikaal geweest, haar
piano stond nog in zijn flat. Hij wilde erg
graag dat ik voor hem zou spelen en dat heb ik
ook, zo goed als ik kon, gedaan. Zoals ik het
voor zoveel joodse mensen in Oost-Europa had
gedaan: in elk geval met een bewogen hart. Hij
had moeite zijn emoties te bedwingen en bedankte
mij na afloop voor ‘dit stukje hemel’. Het was
in feite zo eenvoudig. Waarom doen we dit niet
vaker ‘onder elkaar’ in de kerk? In veel van de
kerken is voldoende talent aanwezig. Wat echter
meestal ontbreekt is de ruimte die aan dit
talent gegeven wordt en de moed die het vereist
om zich op ‘glad ijs’ te begeven. Toch is er een
enorme behoefte aan muzikale pastors, aan
pastorale kunstenaars. Zouden we hen opleiden en
de (liturgische) ruimte geven, dan wordt het
concurrentieverschil met het concertpodium en de
amusementscultuur vanzelf kleiner. Muzikaal
gesproken lijkt de kerk nog te vaak op een
(zeer) zwak aftreksel van het concertpodium.
Tegelijkertijd zou echter het inhoudelijke
verschil groter worden. In de kerk vind je geen
concertbezoekers, slechts participanten in de
liturgie. Er staat geen symfonie op het
programma, maar er is sprake van een symfonische
gemeenschap. Er is geen podiumvrees doordat we
onder elkaar zingen in psalmen en lofzangen en
geestelijke hymnen. Het gaat niet om de muziek
(laat stáán om de ‘authentieke’ interpretatie
ervan!), maar om het spel van talen waarmee de
een de A(a)nder ontmoet. Dit dialogische, dit
reciprociteitsbeginsel maakt een kerkdienst
totaal anders. Men komt er niet in de eerste
plaats om te ontvangen, maar om te geven. De
musicus komt er niet om zijn muziek uit te
voeren, maar om zijn mede-gelovigen te dienen in
het ontmoeten van God en elkaar. Zijn opdracht
en inspanning zijn erop gericht om de hemel op
aarde te brengen, om de eeuwigheid in de tijd te
voeren. Hij is ‘nimmer hersteld van de klappen
van de muziek’ (Heschel). Het leven heeft hem
beroerd en hij is aangeraakt door de Eeuwige.
Als homo ludens is hij priester, profeet, herder
en leraar.
Fiddler on the way...
Velen hebben ooit genoten van de onvergetelijke
musical Anatevka. Wie herinnert zich niet ‘If I
were a rich man’ en ‘Fiddler on the roof’. Toch
is de setting die van een drama. Het spel van de
violist wordt door dit drama bepaald en spreekt
daarom tot het hart. Opnieuw: er is hier geen
toeschouwer, er wordt niet vermaakt. De
woordeloze gebedsmelodie (nigun) van de rebbe
wordt altijd overgenomen door de gemeenschap. In
elk geval is de muziek dwars door het leven van
de enkeling heen gegaan en bereikt zo het hart
van de ander. Muziek is geen
toon-en-ritme-techniek. Het is de ontmoeting van
het ene hart met het andere, waarbij in het
symfonische het dialogische bewaard blijft.
Muziek is een vorm van leven.
Daarom past het niet als musici louter hun
technische gaven ter beschikking stellen van de
gemeenschap. Zij zijn in de eerste plaats
mede-mensen en gelovigen. De organist is in de
eerste plaats lid van de geloofsgemeenschap,
evenals de gitarist, de pianist, de drummer en
de ‘performer’. Een aantal kerkmusici zie je
alleen in de kerk als ze een muzikale bijdrage
moeten leveren. Hun hart ligt in de muziek, niet
in de aanbidding van God en de opbouw van de
gemeenschap. Bonhoeffer tekent bij Efeze 5,19
aan: ‘Waar het hart niet meezingt, daar is
alleen de afschuwelijke disharmonie van mensen,
die hun eigen eer zoeken. Waar niet tot
verheerlijking van de Heer gezongen wordt, daar
zingt men ter ere van zichzelf of van de muziek.
En dan wordt het nieuwe lied tot een lied voor
een afgod’. Alleen als zij zich als mede-leden
verbonden weten met de geloofsgemeenschap kunnen
zij een wezenlijke bijdrage leveren aan de
opbouw van het lichaam. Dan zijn ze kostbaar en
moeten (ook financieel!) in ere gehouden worden,
want zij spreken in meerdere en rijke talen en
tongen. We hebben ze broodnodig om ook maar iets
van God te begrijpen.
In 1995, het jaar dat de bevrijding van
Auschwitz werd herdacht, nam ik een aantal
musici, dansers en kunstenaars mee naar Polen.
Het was de bedoeling dat wij - als christenen -
in het kader van die herdenking een aantal
concerten zouden geven. Dat is ook gebeurd. Wij
traden op met het programma ‘Without Words’ in
Warschau, Lodz en Oswiçim (Auschwitz). De
muziek, de dans, de kostuums, de schilderijen en
keramiek hadden tot doel om het verleden te
erkennen en te herdenken, het verlangen naar
verzoening te verklanken, te troosten en de hoop
tot leven te wekken. Het concert voor joodse
overlevenden in de kleine, prachtig
gerestaureerde synagoge in Lodz zal ik nooit
meer vergeten. De tranen en de muziek smolten
even samen in een moment dat zich onttrok aan de
pijnlijke geschiedenis van de joods-christelijke
relatie. Het leek alsof de Sjechina voorbijging.
De grootste impact had de concertreis echter op
de deelnemers zelf. De bezoeken aan het ghetto
van Lodz, Auschwitz en -vooral- Birkenau
resulteerden in een omkeer in denken en
gevoelen. Verschillenden van ons hebben lang en
zwijgzaam doorgebracht bij een veldje met
davidsterren en enkele kruisen, een eindje lopen
achter de vier crematoria. Onzegbare
gruweldaden.... Moloch.... lichamen en zielen
van mensen.... Het veranderde niet alleen de
deelnemers zelf, maar ook hun creativiteit. Voor
verschillenden betekende het dat hun muziek, hun
dans en hun kunst nooit meer hetzelfde zouden
zijn.
Het is de gebroken viool in handen van een
verbroken violist (Ps. 51) die de harten kan
lokken om uit Babylon te vertrekken. Diens nigun
zal ons begeleiden op de lange woestijnweg naar
Jeruzalem. De citerspelers en zangers, de
fluitspelers en trompetters, de kunstenaars
trekken vrolijk mee. Achter ons wordt het stil..
En wij? Wij zullen genezen van Babylon en het
menselijk gelaat opnieuw geboren zien worden.
Het zal zich uiteindelijk spiegelen in het
goddelijk gelaat. Gaandeweg zal ook de muziek
sterker en mooier worden
|
http://www.westerbork.nl/
Alhoewel op velerlei manieren een uitstel van deportatie te
bemachtigen was, ontkwam uiteindelijk niemand aan transport
naar het oosten. In totaal vonden vanuit kamp Westerbork 93
grote transporten plaats. Daarnaast vonden er een aantal
kleinere transporten plaats, elk met niet meer dan enkele
tientallen personen. Van de naar schatting 107.000 vanuit
Nederland gedeporteerde Joden zijn er 101.525 (41.156 mannen,
45.867 vrouwen en 14.502 kinderen) tijdelijk in Westerbork
geïnterneerd geweest. Ook 245 Sinti en enkele tientallen
verzetsstrijders verbleven bepaalde tijd in het
doorgangskamp. Meer dan 95% van de vanuit Westerbork
gedeporteerde mensen is vermoord door de nazi’s.
De eerste 32 deportaties vanuit Westerbork vonden plaats in
juli 1942. De transporten vertrokken toen nog vanaf het
station in Hooghalen, maar vanaf 2 november 1942 vertrokken
de treinen vanuit het kamp zelf. De spoorlijn in het kamp
liep gelijk met de hoofdweg, door de gevangenen de
‘Boulevard des Misères’ genoemd. Andere benamingen waren
‘Rachmones Allee’ of ‘Tsorres Allee’, oftewel
‘Narigheidsstraat’ of ‘Soresstraat’. Gedurende de eerste
maanden vertrokken de treinen zonder vaste regelmaat naar de
concentratie- en vernietigingkampen, maar vanaf februari
1943 was dinsdag de vaste transportdag. De hoeveelheden
Joden die gedeporteerd moesten worden, werden bepaald door
de afdeling IV B4 van het RSHA, onder leiding van
Adolf Eichmann. De aantallen werden
doorgegeven aan de landelijke bureau van de
Sicherheitspolizei en de SD in Den Haag. Hier was SS-Sturmbannführer
Zöpf verantwoordelijk voor het doorgeven van de opdracht aan
kampcommandant
Albert Gemmeker. Alhoewel het eigenlijk zijn
taak was om te bepalen wie er gedeporteerd moesten worden,
liet Gemmeker de selectie over aan Schlesinger en zijn
medewerkers. Door Jacques Presser werd deze besluitvorming
in “De Ondergang” als volgt omschreven: “Hoevéél
Joden weg moesten en wannéér, dat bepaalden de Duitsers, dat
besliste Gemmeker. Maar wie wel, of wie niet, dat liet de
kampcommandant vrijwel geheel aan zijn paladijnen over.”
Het hele kamp was in spanning wanneer de namen van de
mensen die gedeporteerd moesten worden, opgelezen werden.
“Ik wachtte gespannen het moment af waarop de namen met de
beginletter S aan de beurt kwamen”, zo vertelt
oud-kampgevangene Jules Schelvis, “Na enige tijd hoorde ik
ze: Schelvis Jules, Schelvis-Borzykowski Rachel, Stodel
Abraham, Stodel-Borzykowski Hella. Nadat Hella’s naam had
geklonken namen we elkaar bij de hand. Er kwam ineens een
gevoel van berusting over ons, omdat het definitief
vaststond dat we bij elkaar zoude blijven. Zo hadden we het
gewild. Het moment was aangebroken dat we ongescheiden naar
het oosten zouden vertrekken. Ieder van ons kon een steuntje
voor de ander zijn. Gelukkig waren we gezond en konden tegen
een stootje.” Een andere oud-gevangene vertelt dat na het
oplezen van de namen “onbeschrijflijke scènes” volgden. “Het
doordringend gekrijs van een doodsbange halfkrankzinnige
moeder, het gehuil van kinderen, de verbouwereerde blikken
van mannen, de waanzinnige weeklachten van de
achterblijvenden, dat alles doet een rilling door de leden
gaan.”
“De mensen die weg moesten”, zo vertelt weer een andere
oud-gevangene, “wendden zich rustig tot het pakken van hun
bagage of het aankleden hunner kinderen. Wie bleven, weenden
vaak van opluchting, of dansten en leken gek van vreugde.”
De gevangenen werden vervolgens, onder begeleiding van de
Ordedienst en de Fliegende Kolonne, een Joodse
hulpgroep verantwoordelijk voor de begeleiding van
aankomende en vertrekkende transporten, naar het perron
geleid waar de trein al op hen stond te wachten. De meeste
transporten vonden plaats in goederenwagons, maar naar
Bergen-Belsen
en Theresienstadt zijn er ook personenwagons ingezet. Op het
laadperron “hield een handkar stil, waarop twee tonnetjes
stonden”, zo herinnert Jules Schelvis zich. “De één was
gevuld met drinkwater; de andere was leeg. Deze was bedoeld
om er onze behoefte in te doen. Een kind kon zien dat één
zo’n tonnetje voor zoveel mensen ontoereikend was. (…) In de
wagon ontbrak elke vorm van comfort. Er was geen enkele
voorziening getroffen voor mensen die een lange reis moesten
maken. Er lag geen stro op de bodem, er waren geen
fatsoenlijke matrassen, geen haken om iets op te hangen,
niets. We waren nog minder dan vee, want voor paarden en
koeien zaten er gewoonlijk nog ringen in de wand. Die waren
er nu uitgesloopt.”
Als alle wagons gevuld waren, begon de reis die meestal,
afhankelijk van de bestemming, enkele dagen en nachten
duurde. De Nederlandse Spoorwegen (NS) verzorgden het
treintransport tot aan Nieuweschans aan de Duits-Nederlandse
grens. Het transport werd aan de grens overgenomen door de
Deutsche Reichsbahn. De transportcondities verslechterden
naar verloop van tijd door de toenemende chaos op de
spoorwegen. Door geallieerde bombardementen gebeurde het
meerdere malen dat treinen lange tijd stilstonden, soms
zelfs enkele weken. Lex van Weren herinnert zich dat zijn
transport na een bombardement in Dresden tien uur
stilgestaan had. “Dat was een moeilijke situatie. In zo’n
goederenwagon moest je proberen te zitten of te liggen over
en door mekaar heen. Belangrijk was dat we elkaar verhalen
bleven vertellen. En we zeiden nog tegen elkaar: ‘Niks aan
de hand, de oorlog duurt hoogstens nog een week of drie.’”
Naast een gebrek aan comfort en hygiëne, werd er
nauwelijks drinkwater of voedsel beschikbaar gesteld aan de
Joden in de goederenwagons. Door de erbarmelijke
omstandigheden overleden er meerdere mensen al voordat ze op
hun eindbestemming aangekomen waren. Kans om te vluchten was
er nauwelijks, omdat de wagons gesloten waren en de raampjes
afgesloten waren met tralies. Bovendien werden de
transporten bewaakt door de Grüne Polizei. Van
buitenaf, door bijvoorbeeld het verzet, is er nooit
geprobeerd om de transporten vanuit Nederland te saboteren.
Net zo min hebben de geallieerden getracht om de spoorlijnen
te bombarderen om de transporten stil te leggen. De treinen
“rollten, dass man sagen kann, es war eine Pracht”, aldus
transportcoördinator
Adolf Eichmann.
Waar gingen de transporten heen? De
transportomstandigheden waren weliswaar uitermate slecht,
maar toch konden veel Joden zich nog steeds niet voorstellen
dat ze onderweg waren naar een plek waar ze uitgeroeid
werden, zoals onder andere blijkt uit de woorden van Jules
Schelvis: “Ik dacht ook: Ik ben pas drieëntwintig jaar, jong
en gezond. Ik zal wel moeten werken, maar dat is niet erg.
(…) Wat kan me eigenlijk gebeuren? Steeds weer kwam die
speciale joodse mentaliteit naar boven: je na iedere sof
schikken en aanpassen. Dat letterlijk alle joden uitgeroeid
moesten worden, kwam toch niet in je op? Ze hebben het me
verteld toen ik in
Auschwitz
aankwam en ik wilde het niet geloven. Ik zag die crematoria
roken en tóch heb ik het niet willen geloven. Het ging mijn
bevattingsvermogen te boven.”
Hoe optimistisch gevangenen, zoals Jules Schelvis, ook
bleven: waaraan zij liever niet wilden denken en wat ze niet
konden beseffen, bleek juist. Hun eindbestemming betekende
vaak hun dood. Het onderstaande overzicht is overgenomen van
Dirk Mulder “Kamp Westerbork” pag. 23.
Uit Westerbork gedeporteerd naar:
De meeste transporten, 68 in totaal, vertrokken naar
concentratie- en vernietigingskamp Auschwitz. Dit kamp in
Polen was van juli 1942 tot februari 1943 de enige
eindbestemming van de transporten vanuit kamp Westerbork.
Gedurende deze periode arriveerden hier vanuit Westerbork 52
transporten. De meeste gedeporteerden, ongeveer 72%, werden
na aankomst meteen omgebracht in de gaskamers van
Auschwitz-Birkenau. Anderen werden eerst
tewerk gesteld, maar velen overleefden de onmenselijke
levens- en arbeidsomstandigheden niet. In de periode tussen
augustus en september 1944 arriveerden nog eens 16 treinen
vanuit Westerbork in Auschwitz. Toen werd ongeveer 50% van
de aangekomen Joden direct na aankomst vergast. Van de
overgebleven 50% overleed nadien ook een aanzienlijk aantal.
In vernietigingskamp Sobibor in Polen was er nog minder
overlevingskans dan in Auschwitz. In totaal vertrokken, in
de periode van maart tot juli 1943, 19 treinen vanuit
Westerbork richting dit vernietigingskamp. In tegenstelling
tot in Auschwitz werden vrijwel alle aangekomen gevangenen
hier direct na aankomst vergast. Het kamp in Sobibor was
namelijk enkel ingericht om Joden te vermoorden en niet,
zoals Auschwitz, deels als concentratie- en werkkamp.
De kampen Theresienstadt in Tsjechië en Bergen-Belsen in
Duitsland waren niet ingericht als vernietigingskamp, maar
desondanks waren de overlevingskansen hier gedurende de
laatste oorlogsmaanden niet groot. De levensomstandigheden
waren enorm verslechterd en in Bergen-Belsen heerste er een
hardnekkige tyfusepidemie. Vanaf januari 1944 vonden er
vanuit Westerbork transporten richting deze kampen plaats.
Het waren vooral prominente en bevoorrechte Joden die naar
Theresienstadt gedeporteerd werden. Naar Bergen-Belsen
werden onder andere Joden gedeporteerd met een visum voor
Palestina, een Palestinapas. In Bergen-Belsen was de
overlevingskans het grootst.
Het laatste transport vanuit Westerbork vertrok op 13
september 1944 naar Bergen-Belsen. Gedurende de periode van
juli 1942 tot september 1944 had kamp Westerbork een
belangrijke rol gespeeld bij de uitroeiing van de
Nederlandse Joden. Naast de 93 transporten vanuit Westerbork
zijn er enkele transporten vanuit
kamp Vught en mogelijk ook een aantal
kleinere vanuit Den Haag vertrokken. Het transport vanuit
het Apeldoornsche Bosch is rechtstreeks naar Auschwitz
vertrokken. Van de naar schatting 107.000 vanuit Nederland
afgevoerde Joden, overleefden slechts 5.450 de Holocaust.
|
|
|