|
Waarheid
onzin in het waarnemen ‘Wij houden het meest
van de zaken die onze meningen bevestigen.’
We maken in de regel een onderscheid tussen waarheid en werkelijkheid. De waarheid stellen we vast met ons verstand, de werkelijkheid met onze zintuigen. De werkelijkheid is datgene wat er in de wereld gebeurt, los van hoe wij er over denken. De werkelijkheid is autonoom, los van onze opvattingen. Althans dat denken we. Weinig lijkt gewoner dan de waarneming. Vanaf het moment dat we ‘s morgens wakker worden en onze ogen open doen nemen we waar. Allerlei indrukken uit onze omgeving komen bij ons binnen. Niet alleen via onze ogen maar door middel van al onze zintuigen. We horen geluiden met onze oren, voelen met onze handen, ruiken met onze neus. Via ons hele lichaam hebben we contact met de omgeving. Via onze ogen doen we allerlei indrukken op van de wereld om ons heen. We hoeven daar helemaal geen inspanning voor te leveren en dat betekent dat het waarnemen iets is waar we zelden bij stilstaan. Maar neem eens een aantal alledaagse gebeurtenissen in je gedachten: je staat in de file, de eigen auto staat stil en de auto naast je gaat rijden. De eerste reactie is paniek, omdat je denkt dat de eigen auto op een glooiing stond en is gaan rollen, maar het is de andere auto die is gaan rijden! We moeten onszelf nog eens heroriënteren, goed kijken of we zelf niet rijden en onszelf overtuigen van de realiteit. Getuigen geven te goeder trouw vaak een verschillend verhaal van dezelfde feiten, heb je zeven getuigen dan zullen er waarschijnlijk zeven verschillende verklaringen volgen. De consument beweert in het koopgedrag niet door reclame beïnvloedt te worden, en toch investeren bedrijven miljarden in reclame. We horen niet een reeks noten maar een melodie. Een mens met een geamputeerde arm blijft klagen over pijnen in de arm die er niet meer is. We zien niet een reeks letters maar we lezen een verhaal, als het echter een voor ons vreemde taal is zijn we echter weer een reeks letters. We kunnen deze lijst met enigszins verwarrende ervaringen nog veel langer maken en telkens staan we voor de vragen: komen onze waarnemingen eigenlijk overeen met de buitenwereld, met de werkelijkheid? Hoe vaak gebeurt dit nu eigenlijk, dat wij onbewust de verkeerde waarneming doen, en welk onderdeel van het waarnemingsproces is verantwoordelijk voor deze afwijking tussen waarneming en realiteit? De hedendaagse kijker kan zonder twijfel razendsnel waarnemen en interpreteren. Maar met onze ingeboren neiging om samenhang te willen zien, om zo snel en adequaat te kunnen reageren op gevaar, gaan we echter vaak voorbij aan mogelijke verstoringen en illusies. We hebben maar weinig stippen en vlekken nodig om een beeldraadsel op te lossen, maar of het de correcte oplossing is vragen wij ons niet vaak af, of mogelijke verstoringen meegewogen worden in ons oordeel lijkt niet zo belangrijk. Kijken en denken zijn voor ons besef. De juiste manier om informatie en kennis over iets te verkrijgen, om de waarheid boven tafel te krijgen. We hebben het zelf gezien, zeggen we. Maar in de tegenwoordige tijd kunnen we allemaal langzamerhand weten, dat je met behulp van beelden mensen alles kunt doen geloven, je kunt er aan alle kanten mee manipuleren; omdat we zo gemakkelijk denken: ik heb het toch zeker zelf gezien, zijn we weinig kritisch op wat we zien. Iedere waarneming blijkt niet zomaar een waarneming te zijn, iedere waarneming is niet meer dan een vertolking, een weergave die met tal van beslissingen gepaard is gegaan, hoewel we ons dat maar weinig bewust zijn. De selectie van het onderwerp, de diepte-illusie, het kleurpalet, de compositie, het zijn maar enkele van de factoren die tot een specifieke representatie leiden. Of alle nuances binnen deze keuzes overkomen bij de haastige hedendaagse waarnemer is echter de vraag. Er gaat namelijk nogal eens iets ten onder aan het simpelweg herleiden tot het motief.
‘Een doorsnee mens
begint met iets te geloven, en gaat dan naar bewijzen zoeken om zijn
mening te ondersteunen.’
Dankzij onze zintuigen vergaren wij informatie over de buitenwereld. Die geleerdheid was en is nog steeds noodzakelijk om te overleven: de eerste mensen moesten roofdieren kunnen horen, kunnen zien of kunnen ruiken, voordat het dier kans gezien had om hem te dicht te naderen of nog erger, te kunnen aanvallen; de hedendaagse mens heeft zijn zintuigen nodig om te kunnen overleven in een wereld vol met andere soorten gevaren: auto’s, treinen, bussen en, niet onbelangrijk: andere mensen. Alle zintuigen, toen en nu, werken evenwel op basis van hetzelfde principe: een fysieke prikkel wordt vertaald in zenuwimpulsen die leiden tot bepaalde gewaarwordingen. Licht met een korte golflengte geeft de gewaarwording blauw en licht met een lange golflengte de gewaarwording rood, snoep geeft de gewaarwording zoet en een citroen geeft de gewaarwording zuur. De ogen vormen dus een van de eerste schakels in het begrijpen van de buitenwereld (de werkelijkheid). Als we willen begrijpen hoe we die buitenwereld waarnemen moeten we daarom bij het oog beginnen. De pupil regelt de lichtinval net als een diafragma in een fotocamera: hoe meer licht er van buiten aangeboden wordt, hoe kleiner de pupil wordt, dit om te zorgen dat het oog niet overbelicht wordt. Een tweede belangrijke onderdeel is de lens: de lens zorgt er voor dat de binnenkomende lichtstralen exact samenvallen op het lichtgevoelige materiaal aan de achterzijde van het oog zodat het mogelijk is om voorwerpen op verschillende afstanden scherp te kunnen zien. En tot slot is de binnenkant bekleed met een donker pigment om te voorkomen dat het licht weerkaatst, een dergelijke weerkaatsing zou namelijk onscherpe beelden opleveren. De eigenlijke waarnemingscellen liggen echter achter in het oog op het netvlies. Er kunnen hierbij twee typen lichtgevoelige cellen worden onderscheiden: de staafjes en de kegeltjes. Deze kegeltjes bestaan uit zintuigcellen die een rol spelen bij het zien van daglicht én het onderscheiden van drie soorten kleuren. Ze hebben hiervoor alledrie een verschillend pigment meegekregen. Door dit verschillende pigment zijn deze drie elk gevoelig voor andere golflengten van het licht; de één reageert vooral sterk op licht met een lange golflengten, de ander reageert weer vooral op middellange golflengten en de derde vooral op korte golflengten. Deze kegeltjes hebben echter veel licht nodig om te kunnen functioneren, en wanneer de lichtomstandigheden dan ook te slecht worden nemen de staafjes het over. Deze staafjes maken echter geen onderscheid tussen de verschillende golflengten maar maken alleen een veel algemener onderscheid namelijk tussen licht en donker, ze zijn met andere woorden kleurenblind. We komen hier dan direct bij een probleem uit dat het best omschreven kan worden als de beperkende werking van onze capaciteiten. We hebben buiten deze kleurenblinde staafjes in ons oog namelijk ook nog maar drie soorten kegeltjes die elk gevoelig zijn voor een andere kleur: we hebben er die blauw opvangen en we hebben een soort die gevoelig zijn voor rood en er zijn er die gevoelig zijn voor groen. En daar houdt het mee op. We kunnen door deze drie primaire kleuren te mengen wel een groot aantal afwisselende kleuren en binnen die kleuren weer een nog groter aantal tinten componeren maar als we bij de randen komen van de combinaties, dan lopen we tegen een muur. Hoeveel kleuren en kleurnuances we ook kunnen waarnemen, we hebben geen receptoren om de straling buiten het - voor ons - zichtbare licht te zien. Infrarood, dat voor veel dieren wel zichtbaar licht is, blijft voor ons visueel systeem onzichtbaar, en ook infrarood, aan de andere kant van het spectrum valt buiten onze directe kenwereld. De ogen geven hierdoor een beeld van de omgeving, maar zijn dus door hun constructie niet in staat, om een totaal afgerond, volledig beeld aan te leveren. We zijn tegenwoordig evenwel zo aan die beperking gewend dat we het de werkelijkheid zijn gaan noemen. Maar, door dit te doen, doen wij ongemerkt onrecht aan de aanwezige buitenwereld. Deze hele buitenwereld is namelijk veel breder en omvattender dan wat wij kunnen waarnemen en dat betekent dat wij signalen - data - uit de buitenwereld missen. Als we dan toch onze eigen waarneming als maat voor het geheel zouden stellen, dan zou dit een volslagen miskenning zijn van de volheid van de werkelijkheid. Slangen zien bijvoorbeeld wel infrarood en zien de wereld op een heel andere manier. Infrarood wordt door ons gevoeld als warmte maar een slang kan deze warmte zien, het is voor de slang visueel aanwezig. Heeft een muis zich verstopt in het hoge gras dan is hij voor het menselijke oog onzichtbaar, hij is voor ons kenvermogen ‘verdwenen’, maar de slang ziet precies waar hij zich bevindt. Zijn werkelijkheid is dus substantieel anders als de onze, in dit geval vollediger. Wat het gemis van sommige stukken buitenwereld betekent voor onze visie op de werkelijkheid kun je het best illustreren met de combinatie van kleuren: stel je voor je hebt alleen de kleuren groen en rood in je visuele systeem tot je beschikking. Met deze kleuren heb je de mogelijkheid om een rode wereld, een groene wereld en een gele wereld te creëren - rood en groen vormen samen namelijk de kleur geel - maar dan houdt het op. De kleur blauw bestaat in jouw wereld niet omdat je de receptoren voor deze kleur mist, en omdat je geen blauw kunt zien kun je ook geen wit creëren - dat weer een combinatie van rood, groen en blauw is, en geen paars - dat een combinatie is van rood en blauw. Kortom door het missen van de mogelijkheid om blauw te zien zal de wereld die je waarneemt exponentieel inkrimpen, aangezien je ook geen tintverschillen van kleuren met daarin de kleur blauw verwerkt kunt maken. Zo is het ook met het feit dat wij infrarood en ultraviolet niet kunnen waarnemen. Je kunt ten eerste geen dingen zien waar infrarood en ultraviolet in voorkomt of dat het weerkaatst, en ten tweede kun je geen combinaties van de voor ons zichtbare kleuren en infrarood en ultraviolet maken. En dat betekent dat een enorme hoeveelheid bestaanbare combinaties aan onze neus voorbij gaan. Ons kenvermogen dekt de lading niet! Stel je eens voor de volgende situatie: het menselijk oog zou worden uitgerust met een vierkante lens in plaats van een ovale zoals we die nu hebben. Alleen al deze ene verandering in onze zintuigen maakt dat de wereld er heel anders uit komt te zien. Een kikker gezien door een vierkante lens zou een hoekig, bijna vierkant beestje worden. Konijnen neemt een kikker waar door hun eigen oogstructuur, de kameleon beweegt zijn ogen onafhankelijk van elkaar zodat we zijn wereld niet eens kunnen voorstellen. Wat is dan de werkelijke vorm van de kikker? Het antwoord is dat er geen werkelijke vorm is. Onafhankelijk van de waarnemer kun je niet zeggen hoe deze er uitziet. Het is de waarneming die de kikker zijn vorm geeft.
De lichtinval op de zintuigcellen van het netvlies wordt vertaald in een neurale code: een patroon van zenuwimpulsen. Lichtinval zorgt voor spanningsverhoging op de celwand van de staafjes en de kegeltjes, en die graduele verandering in de spanning op de celwand gaat samen met een vergroting of verkleining van de afgifte van een chemische boodschapperstof, ofwel een neurotransmitter. Deze neurotransmitter wordt opgemerkt door de volgende laag in het netvlies die bestaat uit bipolaire zenuwcellen. De bipolaire zenuwcellen geven op hun beurt de informatie weer door aan de volgende laag; de zogenoemde ganglioncellen. Deze ganglioncellen zorgen ervoor dat de informatie over de lichtinval op het netvlies nog verder georganiseerd wordt. De uitlopers van deze ganglioncellen komen samen in de oogzenuw en transporteren de informatie naar de hersenen. Lichtinval, kleuren en vormen: alles wordt naar de hersenen getransporteerd. Alles wordt echter parallel aan elkaar verstuurd. Hoewel het lijkt alsof bij het zien een kant en klaar beeld van de omgeving wordt geproduceerd, blijkt het op het niveau van de hersenen te bestaan uit meervoudige naast elkaar bestaande processen. Deze versplinterde manier waarop onze hersenen visuele informatie verwerken sluit niet aan bij de beleving die wij hebben van het zien, maar het is wel degelijk een feit. Beide ogen hebben bijvoorbeeld elk een aparte oogzenuw die samenkomt in de oogzenuwkruising, het chiasma opticum. De zenuwvezels van de oogzenuw die afkomstig zijn van de neuszijde van het netvlies steken hier over naar de andere kant van het brein. Daardoor komt alle informatie over de rechterkant van gezichtsveld in de linker hersenhelft terecht en alle informatie van de linkerkant in de rechter hersenhelft. In de hersenen op hun beurt komt de zenuwimpuls binnen in het corpus geniculatum laterale (CGL ) wat een onderdeel is van de thalamus, een eivormige hersenstructuur die wel wordt aangeduid als de poort naar de hersenschors. Op het niveau van het CGL is echter nog steeds geen sprake van bewuste waarneming. Wanneer de zenuwbanen op dit niveau worden onderbroken valt elke bewuste waarneming weg. Voor een praktisch bruikbaar beeld van de omgeving is verdere bewerking in de hersenschors dan ook noodzakelijk. De wereld ziet er uit als een samenhangend geheel omdat de menselijke hersenen de activiteit van de gespecialiseerde hersendelen tot een geheel weet te smeden.
Onze gewaarwordingen, die het resultaat zijn van de fysieke prikkels uit de buitenwereld, komen derhalve niet in de zintuigen tot stand maar worden via zenuwimpulsen naar de hersenen gestuurd om daar te worden omgezet in gewaarwordingen. Onze zintuigen vormen met andere woorden enkel de schakel tussen ons brein en de buiten wereld en dienen ook als zodanig gezien worden; dus niet als objectieve waarnemers, maar puur als schakel tussen de buitenwereld en de hersenen. De fout die echter heel veel gemaakt wordt is dat we denken dat onze zintuigen onafhankelijke instrumenten zijn en dat hetgeen wij waarnemen ook automatisch precies datgene is dat wij menen dat het is. Maar, goed functionerende ogen en oren vormen nog geen garantie dat wij kunnen zien en horen. De zenuwimpulsen uit de zintuigen dienen doorgegeven te worden aan de hersenen om daar geanalyseerd worden. In het brein vindt pas de echte waarneming plaats. Gewaarwordingen moeten
hier worden georganiseerd, geïnterpreteerd en begrepen worden om er iets
mee te kunnen aanvangen. Om van de wereld een betekenisvol en zinvol
geheel te maken moeten de beelden verwerkt worden door de hersenen. Via
de ogen hebben we bijvoorbeeld slechts de beschikking over twee kleine,
tweedimensionale beelden die ondersteboven op onze oogbollen staan, maar
we nemen een rechtopstaande, driedimensionale panoramische voorstelling
waar. Je zou onze ogen kunnen vergelijken met een webcam. Zou je alleen een webcam in een kamer plaatsen zonder deze aan te sluiten op een computer dan zou niemand ter wereld er iets aan hebben. Het zou slechts een webcam in een kamer zijn, niets meer. Pas als je hem aansluit op een computer begint hij ‘te leven’: beelden kunnen verwerkt en verzonden worden, mensen kunnen er op inloggen en de beelden verkrijgen betekenis. Met andere woorden: zonder computer geen visueel systeem! De zintuigen kunnen derhalve niet zonder de hersenen, maar het zou een onjuiste voorstelling van zaken geven om dit als eenrichtingsverkeer te begrijpen: van buiten naar binnen, van de zintuigen naar de hersenen. De hersenen kunnen namelijk ook autonoom optreden. De Canadese neurochirurg Wilder Penfield bijvoorbeeld, demonstreerde dit door tijdens operaties waarbij een stuk van de schedel openlag bepaalde hersendelen met een elektrode van buitenaf te prikkelen. Deze elektrode lokte allerlei gewaarwordingen, beelden en zelfs herinneringen uit zonder dat daarvoor een reële ervaringsbasis voor was. Stimulering met elektroden van het ene gedeelte van het brein leidde ertoe dat de proefpersoon het gevoel heeft dat iets op zijn hand drukt, in het andere deel zal hij bepaalde klanken horen en in weer een ander geval zal hij lichtsensaties waarnemen zonder dat hiervoor externe prikkels via de ogen naar binnen zijn gekomen. Een ander voorbeeld stond in het Engelse tijdschrift Nature. Hierin werd verslag gedaan van een 15-jarig meisje dat na een elektrische prikkeling van haar supplementaire motorische schors onbedaarlijk begon te lachen. En het vreemde was dat ze haar lachen toeschreef aan allerlei dingen die zij om haar heen zag. Alle delen van de hersenen werken samen, ieder op zijn eigen manier en op zijn eigen gebied, om zo van gefragmenteerde data de buitenwereld te maken. Het één (de hersenen) is gekoppeld aan de anderen (de zintuigen). Nu we van de ogen via de zenuwbanen en de corpus geniculatum laterale in de visuele cortex zijn aangekomen houdt de onderverdeling en specialisatie nog steeds niet op, want hier wordt het nog specifieker. De bewerkte informatie wordt namelijk doorgestuurd naar ongeveer dertig verschillende visuele gebieden in de hersenen, die elk een gedeelte van de buitenwereld ontvangen en bewerken. Ieder onderdeel met zijn eigen specialisme om de verschillende kenmerken uit het visuele tafereel te halen; voor ons gevoel zien we beweging niet op een aparte losse manier maar in werkelijkheid is dat wel degelijk zo. Om duidelijk te maken wat hier in de praktijk de consequenties van zijn, kunnen we kijken naar een aantal personen die door ongelukken of ziekten een deel van hun hersenen moesten missen of dat een bepaald onderdeel, een bepaald specialisme, niet meer functioneerde. In 1981 maakte een Duitse professor kennis met een vrouw die haar psychiaters voor een raadsel zette. Deze vrouw had kort daarvoor een beroerte gehad waardoor bij haar echter een bepaald gedeelte van de visuele cortex was beschadigd. Hoewel ze ogenschijnlijk goed genezen was, leed ze sinds die tijd aan een chronische pleinvrees. Haar psychiaters hadden hun tanden op haar stukgebeten maar ze hadden voor haar gewoon geen oplossing. Het bleek bij nader onderzoek dan ook dat mevrouw Leibolds probleem niet van psychische aard was, maar van neurologische aard; door de schade aan het deel van het gezichtssysteem in de hersenen dat verantwoordelijk is voor het zien van beweging, is ze ‘blind’ voor beweging geworden, terwijl ze voor de rest alles uitstekend kan zien. Als ze een foto ziet van een meisje dat van de schommel valt dan kan zij zonder problemen beredeneren dat het meisje zich gaat bezeren. Komt ze daarentegen zelf buiten dan ziet ze de wereld om zich heen ook als een foto: zonder beweging. Komt er bijvoorbeeld een auto over de weg naar haar toe gereden dan werkt dat zeer beangstigend omdat ze het verloop van de beweging van die auto met haar ogen niet kan volgen, niet kan zien. Maar ze hoort de auto wel bewegen, ze kan hem wel volgen met haar gehoor. Om waar te nemen wat er om haar heen gebeurt, wacht mevrouw Leibold dan ook tot het stilstaande beeld in haar geest zich heeft vernieuwd om zo te constateren of iets beweegt, en zo ja in welke richting. Bewegende dingen ervaart ze bijgevolg als onrustig, wat haar een vervelend gevoel geeft en haar leven erg ingewikkeld maakt. Vloeiend bewegingen zijn voor haar een serie momentopnamen geworden. Maar niet alleen voor deze vrouw is beweging een serie momentopnamen, ook voor de ‘gewone’ mens is het waarnemen een serie moment opnamen; vergeleken met vele andere dieren bewegen wij ons nogal traag en ook ons vermogen om beweging te zien is maar beperkt. De illusie van de bioscoop toont aan hoe makkelijk het is om het menselijk brein te laten geloven dat een stilstaand beeld beweegt: 24 beelden per seconde is voor ons goed genoeg, terwijl het voor veel dieren er uit zou zien als een schokkerige, krakkemikkige opname. Maar, in tegenstelling tot mevrouw Leibold die met haar eigen snelheid niet genoeg capaciteit heeft in de huidige wereld met de snelheden die zijn afgestemd op bewegingsziende mensen, hebben wij geen problemen omdat wij de grootste fysieke gevaren die we op onze weg tegen kunnen komen zoals een auto, een trein en een fiets afgestemd hebben op ons eigen capaciteit van waarnemen, en op deze manier hebben wij de illusie gecreëerd dat wij met onze snelheid van waarnemen alles kunnen waarnemen. Wij worden namelijk in tegenstelling tot mevrouw Leibold niet geconfronteerd met onze beperkingen. Maar we hebben ze wel degelijk, ons zicht is bij lange na niet zo scherp als dat van een roofvogel en evenmin kunnen we zien bij ultraviolet licht, een bij zou daarom ons beeld van de wereld hopeloos onvolledig vinden. In alle gevallen zijn ogen en hersenen zo geëvolueerd dat ze alleen laten zien wat de soort nodig heeft om te overleven. Andere uitingsvormen van schade aan deelgebieden in de visuele cortex is monochromatisme, een extreme vorm van kleurenblindheid waarbij de wereld uitsluitend wordt waargenomen in grijze en beige tinten. Als je bijvoorbeeld iemand die aan deze aandoening lijdt vraagt of hij of zij een verzameling fruit wil tekenen, dan krijgen de appel, de sinaasappel en de banaan allemaal dezelfde modderige kleur. Mensen bij wie maar één kant van V4 beschadigd is kunnen in de bizarre realiteit leven dat ze de ene helft van de wereld in kleur zien en de andere helft in zwart-wit. Tenslotte zijn ook er nog diegene die hersenletsel buiten de visuele cortex hebben opgelopen, en toch gezichtsstoornissen hebben. Een voorbeeld hiervan is neglectie: een stoornis die sommige slachtoffers van een beroerte een verbijsterende mengeling van symptomen bezorgt terwijl hun beschadigde hersenen bezig zijn te herstellen: zo kan het lijken of de helft van de wereld is verdwenen. Net zoals een goochelaar de aandacht de ene kant op trekt zodat je zijn handbeweging aan de andere kant niet opmerkt, zo is bij mensen met dit probleem de aandacht dermate op links gericht dat ze aan de rechterkant niets lijken waar te nemen. Een neurochirurg die al jaren patiënten met dit probleem onder behandeling heeft verklaard hierover: het overgrote deel van dit probleem hangt samen met hoe de hersenen omgaan met aandacht. Het aandachtsysteem regelt voor jou waar jij je aandacht op richt. Met andere woorden, als in mijn blikveld iets interessants gebeurt richt ik daar mijn ogen op, omdat het aandachtssysteem er opdracht toe geeft. Waarnemen is het proces waarin we prikkels structureren en er betekenis aan geven. Er komen echter op elk moment zo ontzettend veel prikkels op ons af, dat we op de ene of andere manier moeten selecteren of kiezen; bepaalde stimuli doorlaten en andere buiten houden. De waarneming richt zich op een gedeelte van de door onze zintuigen toegelaten informatie en dit noemen we het proces van de selectieve aandacht. We kunnen hiervoor de metafoor van een spotlight gebruiken: wat zich in de focus bevindt, valt op. De ogen zijn dus ondergeschikt aan het aandachtssysteem! Het aandachtssysteem richt zich bij mensen die geen schade hebben aan hun hersenen vooral op die gebeurtenissen die gevaar opleveren of een duidelijke afwijking vormt binnen de normale limieten, dingen die opvallen. Dingen die subtiel en niet zo duidelijk zijn of dingen die niet bekend zijn in het aandachtssysteem worden niet of nauwelijks herkent. Mensen zijn voor het grootste deel vaak alleen maar in staat om de grove en grote systemen er uit te lichten. Als een goochelaar zijn truc goed uitvoert kan hij door middel van een, ten opzichte van het verborgene, grotere afleiding altijd onze aandacht afleiden zodat we het voor de hand liggende niet kunnen zien omdat ons aandachtssysteem ons dit niet toelaat. Mits we ons zelf oefenen zullen we nooit in staat zijn om het kleinere, subtielere er uit te halen naast het grote duidelijke. Ons aandachtssysteem zorgt er namelijk indirect voor dat we grote delen van de buitenwereld buitensluiten. Dit wil niet zeggen dat het niet aanwezig is, we kunnen het er alleen niet uit halen. Een belangrijke factor in de ontwikkeling van het gezichtsvermogen is derhalve hoe aandachtig en alert je bent. Dit proces van fijnafstemming in de visuele cortex vereist dat de ogen en de hersenen zich concentreren op bepaalde objecten zodat de cortex kan leren hoe die dingen er uitzien en die in de toekomst kan herkennen. De automatische piloot kan bijleren. Een mooi voorbeeld van de stelling dat we niet de gehele werkelijkheid waarnemen is het volgende: een alledaagse gebeurtenis. Stel je komt bij een hotel en je wilt je bij de balie laten registreren als gast. De man achter de balie begroet je en vraagt je om een inschrijvingsformulier in te vullen. Je doet dat en geeft het hem terug. Maar als men je zou vertellen dat de man aan wie je het formulier hebt teruggegeven een ander was dan degene die je begroette, zou je dat niet geloven. Je zou toch zeker wel het verschil hebben gemerkt toen je het formulier teruggaf? Nee hoor! Een experiment bewijst dit: terwijl een nietsvermoedend slachtoffer het formulier invult, verwisselt de man achter de balie van plaats met een ander die er compleet anders uitziet, en die zich tot dan toe verborgen had gehouden. Omdat de proefpersonen verwachten dat het dezelfde man is slaan de hersenen geen acht bij het teruggeven van het formulier, op de visuele signalen die iets heel anders vertellen. De visuele signalen worden als het ware ‘overruled’ door de programma’s in de hersenen. Waarnemingen worden zo naar behoefte van de programmering aangepast. En hoewel ze maar slechts onder bepaalde omstandigheden onder onze aandacht komen gebeurt dit in algemenere zin altijd en overal. En dit betekent dat onze waarnemingen eerder een opinie over de buitenwereld zijn dan louter een objectief waarnemen. De ‘loyaliteit’ van jezelf ten opzichte van jouw beeld is echter zo vanzelfsprekend dat je daar geen moment over nadenkt, laat staan het in twijfel trekt. Een kikker die in een kleine ruimte is opgesloten, zal tevreden leven van de vliegen die om hem heen vliegen. Maar vervang de levende vliegen door dode vliegen die net zo goed eetbaar voor de kikker en hij zal verhongeren. Hij kan de dode vliegen gewoon niet zien, want het kikkeroog en kikkerhersenen reageren alleen op bewegende objecten. Ze zijn geconditioneerd om alleen die te zien. Het enige immers dat in een normaal kikkerleven van belang is, is het waarnemen van een dreigende schaduw, een mogelijke belager, of een bewegend insect, een mogelijke maaltijd. Een nauwkeurig beeld van bewegingloze dingen hebben kikkers niet nodig, en dus verschaft hun gezichtsvermogen hun die overbodige mogelijkheden ook niet. Ons eigen gezichtsvermogen is veel uitgebreider dan die van kikkers, doch net zoals bij kikkers is het heel goed mogelijk dat wij, omdat het niet noodzakelijk is voor ons voortbestaan, heel veel dingen niet goed, of helemaal niet kunnen waarnemen. Maar dat ze net zoals de dode vliegen er wel zijn. Vertel maar eens aan de kikker dat hij zichzelf in leven kan houden met de dode vliegen. Waarschijnlijk zal hij naar zijn voorhoofd wijzen en zeggen ‘waar heb jij het in hemelsnaam over, welke dode vliegen?’ Wij weten dat ze er zijn, maar probeer dat die kikker maar eens duidelijk te maken. Bij waarnemingen komt dus meer kijken dan het kopiëren van de buitenwereld. Als het zien louter zou neerkomen op een getrouwe kopie van de werkelijkheid zou onze waarneming altijd constant moeten blijven als het beeld op het netvlies constant blijft, maar dat is niet het geval. Onze waarnemingen kunnen ingrijpend veranderen ook al blijft het beeld op het netvlies hetzelfde.
Merk op dat de figuur op twee verschillende manieren gezien kan worden
Het b-vlak vormt de voorkant óf het a vlak vormt de voorkant. De waarneming kan dus veranderen ook al blijft het beeld op het netvlies constant.
Bij de merendeel aan waarnemingen in het dagelijkse leven groeperen we een (beperkt) aantal prikkels tot een bepaalde (beperkte) vorm en we nemen deze vorm waar tegen een achtergrond, eveneens een groepering van een (beperkt) aantal prikkels. Door grootschalig psychologisch en fysiologisch onderzoek is het inmiddels duidelijk geworden dat het vormen van zulke visuele structuren niet gebeurt met willekeur maar dat het gebeurt volgens bepaalde principes die de invloed weergeven van prikkels en hun onderlinge reacties. Kenmerkend voor deze principes is dat ze min of meer dwingen tot een vooraf bepaalde structurering. Men noemt dit de wet van dwingendheid. Waarnemingen gebeuren op basis van bepaalde wetten en principes die werkzaam zijn bij de structurering.
Mensen baseren hun idee van de werkelijkheid op het beeld dat, op de voorstelling die zij van de buitenwereld hebben of krijgen. Maar het beeld wat de buitenwereld lijkt te leveren komt vaak, onder invloed van dwingende structurering, niet overeen met wat er werkelijk gebeurt of wat er werkelijk te zien is. En waarnemingen kunnen dan leiden tot verkeerde indrukken of illusies. Bekijk het volgende voorbeeld eens: De vraag is: welke van de twee lijnen is langer, de voorste of de achterste? Op het eerste gezicht lijkt het een uitgemaakte zaak , je zou beweren dat de achterste lijn langer is. Maar meet ze maar eens na, ze blijken allebei even lang te zijn. De reden dat we deze fout maken komt door een structurering dat dieptezicht heet. De waarneming die we doen wordt geconstrueerd, zoals al gezegd, in de hersenen, het brein. Door de (gebrekkige) constructie van onze ogen zijn we niet in staat om een drie dimensionale voorstelling te vormen en dat betekent dat we dus assistentie nodig hebben om de wereld op een zinvolle manier te kunnen waarnemen. Stel je eens voor wat het zou betekenen als je de driedimensionale wereld tweedimensionaal zou zien, je zou pas zien dat je ergens tegen aanloopt als je er al opgebotst bent. De doktoren zouden iedere week 140 uur moeten werken. We hebben dus met andere woorden medewerking nodig en die krijgen we ook, en wel van de hersenen. Om deze hulp te kunnen bieden hebben de hersenen een aantal verwerkingsprogramma’s ontworpen. Allereerst moeten de afzonderlijke beelden van beide ogen worden verenigd. De beide ogen van een mens staan aan de voorkant van het aangezicht maar vangen niet exact hetzelfde beeld op. Deze van elkaar verschillende beelden worden naar de hersenen getransporteerd en daar verenigd tot een driedimensionaal of stereoscopisch beeld. Het visuele systeem verschuift de beelden van elk afzonderlijk oog tot ze elkaar optimaal overlappen. Ten tweede moeten de hersenen dus een tweedimensionaal beeld omzetten naar een driedimensionaal. Dat is op zich niet zo’n groot probleem ware het niet dat de hersenen zich bedienen van aangeleerde vaste wetten. Als je van twee dimensies naar drie dimensies toe moet, zul je buiten de lengte en de breedte die een twee dimensionaal vlak, bijvoorbeeld een vel papier, kenmerkt nog het aspect van diepte moeten toevoegen. Een boom die zich op tien meter afstand bevindt zul je los van een huis op honderd meter afstand moeten kunnen zien. Je hersenen trekken deze twee voorwerpen als het ware van elkaar af, de boom vóór het huis. Hoe dichter een voorwerp bij ons staat, hoe meer de beelden in de hersenen ten opzichte van elkaar moeten verschuiven. Er zijn hiervoor monoculaire dieptemechanismen. Een belangrijk aspect hierbij is de grootte van het beeld op de retina - een groepering van lichtreceptoren achteraan in onze oogbol - die tweedimensionaal is. Naarmate een voorwerp verder van ons verwijderd is, zal het retinale beeld kleiner worden. Zetten we dan een aantal gelijke figuren van verschillende grootte tweedimensionaal naast elkaar, dan treedt er een fenomeen dat dieptezicht heet op en dan zullen we de kleinste figuur zien als het verst verwijderd. Een bekende illusie waarin duidelijk dit wordt is de Ponzo-illusie: De vraag is welk horizontaal lijnstuk is langer, de bovenste of de onderste?
Het antwoord moet zijn dat ze beiden even lang zijn, maar het bovenste horizontale lijnstuk wordt in veel gevallen spontaan als groter gezien. Dit komt doordat de hersenen gaan compenseren voor dieptezicht. Immers, door de context (perspectieflijnen) wordt gesuggereerd dat de bovenste lijn zich verderaf bevindt. Het lineair perspectief, in feite niets anders dan convergerende zwarte lijnen op een blad, geeft de indruk van diepte, en de hersenen gaan met dit gegeven enthousiast aan het werk en gebruiken dan de programma’s die geschreven zijn voor diepte. Maar als je programma’s
die van toepassing zijn op diepte toepast op een tweedimensionaal vlak
zul je een vertekening van de werkelijkheid krijgen: een illusie! De proefpersoon moet bij dit experiment met één oog door een kleine opening naar een kamer kijken. De achterwand van de kamer loopt in feite schuin in die zin dat de linkerhoek in de realiteit meer naar achter is gelegen dan de rechterhoek (maar dat weet de proefpersoon niet). De twee zichtbare hoeken achteraan in de kamer lijken voor het oog dat door het kijkgat kijkt dezelfde hoek te hebben en daardoor van dezelfde grootte en dezelfde afstand te zijn. Maar in werkelijkheid staat de linkerhoek twee keer zo ver weg als de rechterhoek waardoor de vloer en daarmee ook het plafond trapezia vormen. Dit wordt echter weggewerkt door de kamer in de linker hoek veel hoger te maken, waardoor ook de achterste wand van de kamer een trapezium vorm krijgt. Ook heeft men op de achterwand met vals perspectief vensters en deuren geschilderd en wel op deze wijze dat de waarnemer de indruk krijgt dat de muur gewoon recht doorloopt. Door dit wegwerken en het op een bepaalde manier creëren van deuren en ramen worden de visuele aanwijzingen om te veronderstellen dat de achterste wand zich in een rechte hoek tot de kijker bevindt zo sterk dat je de kamer als vierkant gaat waarnemen. Het visuele systeem vertrouwt op eerdere ervaringen om de vorm van de kamer te beoordelen. En in dit opzicht heeft het natuurlijk veel vaker te maken gehad met een rechthoekige of vierkante kamer als met één die een trapeziumvorm heeft. Het visuele systeem acht dus op basis van eerdere ervaringen een kamer in de vorm van een trapezium erg onwaarschijnlijk en neemt bijgevolg de kamer als vierkant of rechthoekig waar. Plaatst men nu in deze kamer twee personen die even groot zijn, dan lijkt de persoon aan de linkerkant van de kamer kleiner dan deze aan de rechterkant. Objectief is het beeld van de linker persoon op het netvlies kleiner omdat hij verder staat maar omdat de muur schijnbaar evenwijdig loopt, wordt de persoon kleiner gezien omdat we niet compenseren voor afstand. Ons waarnemingssysteem besluit dat hij kleiner is, zelfs al weten we dat beide personen even groot zijn (we kunnen ze omwisselen en de indruk blijft). Wat er gebeurt in de Ames-kamer is dat de schatting van grootte gaat afhangen van de waargenomen afstand. Er treedt hier echter geen grootteconstantie op omdat de waargenomen afstand waarop de personen in de kamer zich tot jou bevinden, erg verschillend is van hun werkelijke afstand tot jou. Je ‘ziet’ een vierkante kamer, die in het echt een trapezium is, en derhalve ga je automatisch veronderstellen dat elke hoek op dezelfde afstand is. De dichtstbijzijnde persoon ga je dientengevolge als groter zien dan de persoon die verder weg staat. Terwijl in de buitenwereld het fenomeen van grootteconstantie je dat zal beletten. Daarmee komen we uit bij de programma’s in de hersenen dat perceptuele constanties oplevert. Allereerst hebben we hierin de constantie van vorm; een deur die geopend wordt blijven we waarnemen als een deur met dezelfde vorm, ook al is het retinale beeld anders; voorwerpen die ten opzichte van ons bewegen, veranderen van positie en grootte maar worden door ons waargenomen als constanten. Ze schrompelen niet in elkaar of je ziet ze niet trapsgewijs groter of kleiner worden. Toch zou dit het meest voor de hand liggend zijn aangezien de beelden op onze retina wel constant veranderen. Ten tweede hebben we de
plaatsconstantie. Deze plaatsconstantie is opgebouwd door ervaring.
Experimenten met een omkeerbril (verticale omkering) waarin men om het
programma van plaatsconstantie heen werkt plaatsen hierbij de
proefpersonen in een nieuwe waarnemingswereld waarin zij in het begin
volledig desoriënteren. Ze durven zich nauwelijks te bewegen en botsen
overal tegenaan. De hersenen passen zich echter aan na enkele dagen te
hebben geleefd met de bril, en de programma’s treden weer hernieuwd in
werking, en ze zijn hierna weer tot vrij complexe activiteiten in staat
(tot zelfs een auto besturen na dertig dagen!). Ook hebben we nog de beschikking over de constantie van helderheid, die net zoals de constantie van kleur samenhangt met de mee veranderende helderheid van de omgeving. Zo lijkt de wereld niet veel van kleur te veranderen in het licht van de ondergaande zon, maar wie rond deze tijd foto’s maakt zal zien dat de omgeving in werkelijkheid veel roder is geworden. Onze hersenen zorgen er echter voor dat wij de wereld om ons heen bijna altijd op dezelfde wijze waarnemen. De menselijke gewaarwording wordt in de betreffende gevallen gecorrigeerd door het kleurencentrum in de hersenen. De reden dat we deze programma’s hebben is het feit dat het ons een grote hoeveelheid energie bespaart die we anders nodig zouden hebben om het steeds maar weer hersamenstellen van de echte realiteit; we zouden hierdoor aan niet veel anders meer toekomen. Het zorgt er bovendien voor dat de gewaarwording zoveel mogelijk overeenkomt met het onveranderlijke van objecten waar naar gekeken wordt. Dit maakt dat zaken in de omgeving gemakkelijk herkend kunnen worden aan de hand van herinneringen uit onze databank. Ons geheugen bevat bijvoorbeeld een beeld van iets, laten we zeggen gras, en dat beeld zegt ons buiten de herinnering van vorm ook dat, wat wij als gras zien, groen moet zijn. Aan de hand van die twee herkenningspunten herkennen wij de dingen in onze omgeving. Heeft ons geheugen de vorm van gras herkend maar correspondeert de kleur niet met de kleur die in ons geheugen zit dan kunnen we geen snelle herkenning registreren. En snelle herkenning, hebben we van de evolutie meegekregen, is zeer belangrijk voor het overleven van een soort. Om deze snelle herkenning te bewerkstelligen heeft de evolutie dan ook deze constanties uitgevonden. Een fascinerend experiment heeft duidelijk gemaakt hoe dit werkt. Proefpersonen kregen in een donkere kamer eerst een geïsoleerd vel te zien dat op verschillende manieren belicht werd. Zoals verwacht mocht worden op basis van de eigenschappen van de kegeltjes, veranderde de kleur van het vel als het licht van verschillende golflengte weerkaatste. Wanneer vooral licht met een korte golflengte werd uitgezonden leek het papier blauw; wanneer vooral licht met een lange golflengte werd uitgezonden leek het papier rood. In deze geïsoleerde omstandigheden trad dus geen kleurconstantie op. Vervolgens konden de proefpersonen in normaal wit licht, waarin alle golflengten voorkomen, kijken naar een afbeelding van met veelkleurige vakjes. In deze omstandigheden kwamen de kleursensaties weer overeen met hetgeen verwacht werd op grond van de golflengte van het weerkaatste licht. Kort leek blauw en lang bleek rood. In de volgende fase van het experiment werd de belichting van de kleurenvlakken veranderd. Bijvoorbeeld het vlak dat in eerste instantie groen leek omdat het vooral licht met een middellange golflengte reflecteerde werd nu belicht met 70 procent van een lange golflengte, 20 procent van een middellange golflengte en 10 procent van een korte golflengte.Deze verdeling zou op een geïsoleerd vel een rode indruk geven, maar de proefpersonen zeiden allemaal dat het vlak nog steeds groen leek. De kleurconstantie trad hier dus heel duidelijk op. De kleurgewaarwording is dus niet primair gebaseerd op de ontvangst in de kegeltjes, maar op een vergelijking van een hogere orde. Het kleurencentrum vergelijkt de manier waarop verschillende kleurvlakken naast elkaar de kegeltjes in het netvlies activeren. In de buitenwereld wordt dus de kleur rood het sterkste weerkaatst maar wij nemen de kleur groen waar! Zou je nu een zelfde proef doen maar dan met een 100 procent lange golflengte, dan zou de kleurenconstantie evenwel niet sterk genoeg zijn om het te corrigeren want dan is de afwijking te sterk. Dit kun je in de praktijk vergelijken met de kleur van het gras bij nacht in het licht van de straatlantaarns. In deze omstandigheden is het gras grauw van kleur terwijl het gras zelf nog steeds groen behoort te zijn, tenslotte is aan het gras zelf niets veranderd, maar de verstoring is te groot om de kleur groen nog te kunnen waarnemen. Een ander mooi voorbeeld
om te laten zien dat de hersenen een eigen leven leiden als het om
kleuren gaat is het volgende experiment: Waarneming is duidelijk afhankelijk van formele aspecten als helderheid en grootte of vorm, maar dus ook van herkenning en verwerking. Het herkennen van een object is gebaseerd op een analyse van een voorwerp tot zijn elementaire kenmerken, het gebeurt door een opeenvolging van berekeningen op basis van toegeleverde prikkels. Maar de waargenomen vorm wordt ook geanalyseerd en vergeleken met wat opgeslagen is in het geheugen. Daarna wordt overeenkomst (herkenning) of verschil vastgesteld. Hogere cognitieve processen sturen daarbij het zoeken naar informatie in de omgeving; dus de hersenen doen voor een deel aan reconstructie en dit betekent ook dat onze verwachtingen gedeeltelijk zullen bepalen wat we ‘waarnemen’ (perceptuele vooringenomenheid). Wat we waarnemen is dus niet altijd ‘de werkelijkheid’, maar het is veel gevallen hetgeen wat onze hersenen ervan maken. Alles wat je ziet en hoort weerspiegeld dus als het ware dat wat je daarvoor zag en hoorde. Het proces wordt zeer sterk beïnvloed door wat al aanwezig is in de mens, bij de waarnemer: kennis, ervaringen, verwachtingen, verlangens, angst etc. Deze neerwaartse verwerking of invloed noemt men de top-down processing; de waarnemer heeft voorkennis, een persoonlijkheid etc. maar de waarnemer plaatst het voorwerp ook in een context. Met andere woorden, de waarnemer steunt niet alleen op de externe prikkeleigenschappen maar construeert tot op zekere hoogte zelf zijn waarneming. De hersenen formuleren op basis van vroegere ervaringen hypothesen met betrekking tot wat vanuit de buitenwereld wordt gesignaleerd en men gaat zelf op zoek naar kenmerken om de hypothesen te toetsen.
Heel vaak spelen dit soort processen een rol, maar mensen zijn zich dat maar matig bewust. En juist deze onbekendheid met de interne beïnvloeding van de externe realiteit zorgt dat men alleen uitgaat van de waargenomen wereld, die men de status geeft van een absolute realiteit. Maar gaat men voorbij aan alle interne verstoringen dan is het bijna per definitie de eigen realiteit. Als ik de stelling deponeer: de vloerbedekking bij ons thuis blauw is, vloerbedekking is dus blauw, alle vloerbedekking in de wereld is dus blauw. Dan denk je direct: dat klopt absoluut niet, hoe kom je daar nu bij? Maar zo gebeurt het in de echte wereld ook. Ga maar na, heel veel mensen beweren dat wat zij zien dat dat de werkelijkheid is, maar ze gaan daarbij direct voorbij aan het feit dat de informatie in hun eigen hersenen gekleurd wordt. Toch zijn er niet veel mensen die bewust hiermee aan de slag gaan en proberen de nuance te zoeken. Onze hersenen kleuren onder invloed van bepaalde programma’s alle carpetten steeds maar weer blauw. Als je niet beter zou weten dan zou je beweren dat dit tapijt ook blauw is. Maar het is niet blauw, we nemen het slechts zo waar. We kunnen dus constateren: voorwerpen hebben geen vaste, onomstotelijke kleur maar het hangt van de kleur van het licht af, de golflengte, die op deze voorwerpen valt. Buiten deze veranderende licht omstandigheden die van doorslaggevende betekenis zijn voor onze gewaarwordingen is het ook nog eens zo dat onze hersenen de ene keer wel veranderend optreden en de andere keer niet. Resumerend kunnen we dus vaststellen dat de kleuren van de dingen afhangt van de belichting en hoe onze hersenen met deze optelsom omgaan. De waarneming is dus geen waarheidsgetrouwe afspiegeling van de werkelijkheid. Met al deze veranderende omstandigheden en onze beperkingen om die veranderingen in een objectief perspectief te plaatsen kunnen we niet de gehele werkelijkheid waarnemen en moeten we ons afvragen hoe groot het gedeelte is wat wij wel objectief kunnen waarnemen. Misschien is dit gedeelte wel veel kleiner dan we altijd gedacht hebben. Kijk maar eens naar de volgende illusie. Dat wat we zien is niet de realiteit! De meeste mensen zien dat de lijnen gekromd. De werkelijkheid is echter dat de lijnen gewoon recht zijn. Meet maar na! Het karakteristieke van illusies is dat we zo zeker zijn dat wat we waarnemen geen illusie is, dat we enkel door metingen, door een open geest tot de overtuiging kunnen komen dat de waarneming in een bepaalde richting ‘vertekend’ werd. Bij visuele en auditieve illusies hebben we nog de indruk dat ons die dingen overkomen en we er niet aan kunnen doen. Maar hetzelfde doet zich voor bij dingen waarvan we overtuigd zijn er wel iets te kunnen aan doen (hypothesen, onderzoeken, weloverwogen beslissingen nemen, informatie opnemen, snel berekeningen maken, voorspellingen doen). De verhoudingen die hierbij terug een rol spelen zijn de verhoudingen van waarnemer tot het waargenomene maar ook van het waargenomene in zijn totale context en de waarnemer in deze context.
Zelfs als de opdracht luidt een simpel element waar te nemen, spelen configurale en contexteffecten vaak een faciliterende rol.
‘Hoeveel lichtflitsen zie je?’ De onderzoeker laat maar één lichtflits op haar laptop zien. Toch ziet men er twee. Twee piepjes die tijdens de enkele flits klinken, laten de visuele hersenen denken dat er ook twee flitsen waren. De toeschouwers wéten hoe het zit, maar toch blijft men twee flitsen waarnemen. Het California Institute of Technology publiceerde dit vreemde effect in het tijdschrift Nature.
De hersenen geven de signalen van de zintuigen niet alleen maar door. Ze bewerken die informatie, (perceptuele organisatie) ze verdraaien, schrappen, vullen lege gaten (groeperingprincipes: zorgen voor gelijkheid, nabijheid en goede voortzetting, dit helpt verklaren hoe we een auto door een hek heen toch als een geheel blijven zien. De groeperingwetten treden ook op bij het horen: woorden worden vaak aaneen uitgesproken, toch horen we afzonderlijke woorden) of verzinnen er rustig wat bij, om aan de eigen verwachtingen te kunnen voldoen zolang er maar een goed eindresultaat is Waarnemen is dus van
veel factoren afhankelijk; factoren uit de omgeving, maar wat nog veel
belangrijker is, door factoren die bij ons zelf liggen. De wijze waarop
wordt waargenomen hangt af van de beschikbare zintuigen en hun vermogen
tot verwerking van de informatie. Objectief waarnemen bestaat dus niet.
De context, de omgeving waarin het waargenomene zich afspeelt heeft een
wezenlijke invloed op wat we zien. Ook onze ervaring vanuit het verleden
en de toestand waarin we verkeren spelen een grote rol. Iedere
waarneming is dus niets anders dan een vertolking, een weergave die met
tal van beslissingen gepaard is gegaan, hoewel we ons dat maar weinig
bewust zijn. Daarbuiten is met andere woorden niet dezelfde wereld als de wereld die wij ervaren. Geleerden die het gezichtsvermogen bestuderen weten allang dat het gezichtssysteem veel meer is dan een éénrichtingsstraat is van het netvlies naar de cortex. We weten nu dat voor elke verbinding die informatie vanuit de ogen transporteert, er tenminste tien vanuit de hogere delen van de hersenen precies de andere kant opgaan. Het waarnemen kan dus ook nog eens worden beschouwd als een combinatie van zien en fantasie. De wereld bevindt zich dus voor een gedeelte in ons hoofd en niet erbuiten. en het hangt van de architectuur van het visuele systeem van de waarnemer af - dus wat zijn de capaciteiten van dit systeem maar vooral, en dat is veel belangrijker, wat de tekortkomingen zijn, wat kunnen ze niet. En het hangt net zo veel af van de manier waarop de hersenen van de waarnemer met de aangeboden indrukken omgaan en in hoeverre zij in staat zijn de indrukken te verwerken
en hieruit volgt dat wij een werkelijkheid hebben gecreëerd waarin slechts ruimte is voor de voor ons beschikbare gegevens en waarin onze conditioneringen een grote rol spelen. Maar de voor ons beschikbare gegevens zijn niet bij lange na niet alle gegevens - want, en dat is aangetoond, de werkelijkheid is oneindig veel complexer - maar onze conditioneringen beletten ons dat te zien. Omdat ons geleerd is om niet verder te kijken, om op het standpunt te blijven waar wij ons reeds bevinden. Het begrip ‘waarheid’ is
dan ook in de huidige wereld te omschrijven als die werkelijkheid zoals
die zich voor doet als beeld of als idee die opgeroepen wordt door het
bewustzijn. Alles wat ‘het beeld’ laat zien, aan iemand laat ervaren, is
voor de waarnemer ‘waarheid’, hoe subjectief en persoonsgebonden de
voorstelling waaraan het beeld zich afspiegelt, ook bij gelegenheid zijn
kan. Dat wat wij waarnemen is de norm geworden, maar het is slechts een subjectieve interpretatie! Het visuele beeld van een object is niet identiek aan de vorm van het object. Je hebt te maken met grote effecten van visuele vervormingen op de perceptie. En zo kleurt de persoon de schepping met zijn kleuren, maar het meeste gaat aan het oog voorbij zonder een indruk achter te laten.
|